Neurocognitieve stoornissen Flashcards

1
Q

Neurocognitieve stoornissen

A

De groep neurocognitieve stoornissen (NCS) verwijst primair naar stoornissen in de cognitieve functies als gevolg van een hersenziekte of ongeval. De stoornissen hebben een negatieve verandering tot gevolg ten opzichte van het vroegere functioneren. Aangeboren cognitieve stoornissen of cognitieve problemen die secundair zijn aan een andere stoornis vallen niet onder de categorie NCS. Met de term neurocognitieve stoornis wil men onderstrepen dat er sprake is van een stoornis in het hersen functioneren en niet in de cognitieve processen in algemene zin.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Subtypen NCS

A
  • Ziekte van Alzheimer.
  • Frontotemporale lobaire degeneratie.
  • Lewylichaampjesziekte.
  • Vasculaire ziekte.
  • Traumatisch hersenletsel.
  • Middel-/medicatiegebruik.
  • Hiv-infectie.
  • Prionziekte.
  • Ziekte van Parkinson.
  • Ziekte van Huntington.
  • Andere somatische aandoening (bijvoorbeeld multipele sclerose).
  • Multipele oorzaken.
  • Ongespecificeerd.
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Kenmerken van de
uitgebreide
neurocognitieve
stoornis

A
  • Aanwijzingen voor een duidelijke cognitieve achteruitgang in een of meer domeinen, op basis van:
    1. Zorgen van de betrokkene, een bekende van de betrokkene of een arts en
    2. Een duidelijke beperking in de cognitieve prestaties, bij voorkeur vastgesteld met een test of onderzoek.
  • De achteruitgang zorgt voor duidelijke belemmeringen in het dagelijks functioneren van de betrokkene.
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Specificatie ernst
NCS

A

Licht: als cliënt moeite heeft met instrumentele en meer complexe dagelijkse activiteiten, zoals financiën.
Matig: als cliënt moeite heeft met basisactiviteiten, zoals eten of aankleden.
Ernstig: bij volledige zorgafhankelijkheid.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

beperkte
neurocognitieve
stoornis

A

De criteria voor een beperkte neurocognitieve stoornis zijn vergelijkbaar, alleen is hier sprake van een lichte cognitieve achteruitgang en lichte beperkingen in cognitieve prestaties.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Dementie

A

Uitgebreide NCS overlapt grotendeels met de omschrijving van dementie in DSM-IV. Dementie is een verzamelbegrip van meestal progressieve ziektebeelden, waarbij sprake is van stoornissen in het denken en gedrag als gevolg van hersenaandoening

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Mild Cognitive
Impairment (MCI)

A

Beperkte NCS is compatibel met de term MCI en verwijst naar het prodromale stadium van dementie, waarbij sprake is van subtiele veranderingen in cognitie en gedrag. Deze vallen vooral op in situaties die buiten de dagelijkse routine vallen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Frontotemporale
neurocognitieve
stoornis

A

De frontotemporale NCS of dementie is vooral het gevolg van neurodegeneratieve schade aan de frontale en temporale hersenen. Er zijn twee klinische varianten:
1. Een beeld waarbij vooral gedragsproblemen en persoonlijkheidsveranderingen op de voorgrond staan.
2. Een beeld waarbij progressieve taalstoornissen prominent zijn.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Neurocognitieve
stoornis met
Lewylichaampjes

A

De naam is te danken aan draadvormige insluitsels van eiwithoudend materiaal in afstervende zenuwcellen. Kenmerkend zijn fluctuaties in het cognitieve functioneren, met nadruk op een verstoring van complexe aandacht en visuospatiële functies, terugkerende hallucinaties en parkinsonistische kenmerken. Juist bij deze vorm is het stellen van de juiste diagnose belangrijk, omdat specifiek gereageerd op medicatie

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Neurocognitieve
stoornis door de
ziekte van
Parkinson

A

De progressieve ziekte van Parkinson onderscheidt zich door een aantal typische motorische verschijnselen en wordt veroorzaakt door celverlies in de substantia nigra, een hersengebied in de middenhersenen dat een belangrijke rol speelt bij onze motoriek. Daarnaast worden ook Lewylichaampjes aangetroffen. Bij 30-50% ontwikkelt zich na verloop van tijd een lichte tot ernstige vorm van dementie. Ook komen vaak stemmingsproblemen voor. Bij de ziekte van Parkinson doen zich vaak hallucinaties en wanen voor.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Neurocognitieve
stoornis door
traumatisch
hersenletsel

A

Traumatisch hersenletsel (THL) ontstaat door een zeer harde klap tegen het hoofd. Dit kan leiden tot een hersenkneuzing (contusio) op de plek waar de schedel is geraakt en soms ook lineair tegenover deze plek. Door de krachtige beweging van de hersenen kan ook diffuus axonaal letsel optreden, waardoor verbindingen verloren gaan tussen hersencellen en -gebieden. Direct volgend op het THL is er bewustzijnsverlies, gevolgd door posttraumatische amnesie (PTA). Cognitieve stoornissen of beperkingen na THL betreffen vooral beperkte mentale belastbaarheid, mentale traagheid, beperkt leervermogen en geheugenstoornissen, verstoorde aandacht en verminderd sociaal-cognitief functioneren. Ook is vaak sprake van emotionele stoornissen en persoonlijkheidsveranderingen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Neurocognitieve
stoornis door een
middel/medicatie

A

De meest bekende vorm van NCS door een middel/medicatie is cognitieve schade als gevolg van langdurig alcoholmisbruik. Bij excessief alcoholgebruik kunnen vooral cognitieve stoornissen ontstaan op het gebied van executieve functies, complexe aandacht, mentaal tempo en leren en geheugen. Ook zijn visuoperceptuele en - spatiële functies vaak aangedaan. Door excessief alcoholgebruik in combinatie met slechte of geen voeding kan het syndroom van Korsakoff ontstaan, een beeld waarbij sprake is van een zeer ernstige en onomkeerbare geheugenstoornis (anterograad en retrograad), waardoor de patiënt leeft in tijdspannen van 5-10 minuten.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Diagnostiek NCS

A

Diagnostiek van cognitieve- en gedragsstoornissen als gevolg van hersenschade vraagt vrijwel altijd om een multidisciplinaire aanpak, waarbij meerdere diagnostische methoden worden gecombineerd. De eerste vaststelling moet zijn of er sprake is van stoornissen die niet kunnen worden toegeschreven aan een delirant toestandsbeeld. De eerste stap in de diagnostiek bestaat uit een grondige anamnese en heteroanamnese van de ontstaansgeschiedenis en de aard van de klachten en symptomen. Er dient gericht gevraagd te worden naar emotionele problemen en gedragsveranderingen. In verband met het beperkte ziektebesef van patiënten is het afnemen van heteroanamnese een vereiste. De diagnose NCS wordt uiteindelijk gebaseerd op een integratie van informatie uit het klinisch onderzoek, medisch- technische bevindingen en het neuropsychologisch onderzoek.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Zes cognitieve domeinen

A

In de DSM-5 worden zes cognitieve domeinen beschreven waarbinnen stoornissen kunnen optreden:
* Complexe aandacht.
* Executieve functies.
* Leren en geheugen.
* Taal.
* Perceptieve en motorische functies.
* Sociaal-cognitieve functies.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Vragen- en
screeningslijsten
voor NCS

A

De bekendste screeningtest is de MMSE, een uitgebreidere versie ervan is de MOCA. Een specifieke screeningstest voor executieve cognitieve stoornissen is de FAB

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

Medisch-technisch
onderzoek NCS

A

Bij de diagnostiek van NCS wordt veel gebruikgemaakt van het EEG en allerlei vormen van beeldvorming, zoals MRI. Het EEG is gevoelig voor het opsporen van pathologie in met name de cerebrale cortex. De lange tijd gebruikte CT-scan wordt steeds vaker vervangen door MRI. Met behulp van functionele MRI kunnen veranderingen in hersenactiviteit gemeten worden, die gepaard gaan met specifieke taken. Dat kan eveneens met Positron Emissie Tomografie (PET).

17
Q

NPO NCS

A

Het doel van NPO is tweeledig: het vaststellen van ernst en omvang van de NCS en het op basis hiervan uitbrengen van behandel- en begeleidingsadviezen. Wanneer de tekorten in het dagelijks functioneren nog gering zijn en de cognitieve tekorten subtiel, is het NPO van doorslaggevend belang om vast te stellen of er sprake is van beperkte NCS. NPO bevat de volgende domeinen: Uitvoerende (executieve) functies, Geheugen en leren, Aandacht, Denksnelheid, Complexe visuele en auditieve waarnemingen, Motoriek en praxis, Taalbegrip en -expressie.

18
Q

Medicamenteuze
behandeling bij
NCS

A

Er zijn geen curatieve geneesmiddelen voor cognitieve stoornissen of beperkingen als gevolg van hersenschade of -aandoeningen, noch voor de problemen als gevolg van hersenletsel. Voor de laatste groep wordt gebruikgemaakt van de gebruikelijke psychofarmaca. Er wordt veel onderzoek gedaan naar medicijnen die de achteruitgang bij dementie kunnen stoppen/vertragen. Hierbij richt men zich vooral op het neurotransmitter acetylcholine, dat een rol speelt bij geheugen en leren.

19
Q

Cognitieve stimulering

A

Interventies richten zich op het verbeteren van het cognitief functioneren. O.a. middels foutloos leren. Op basis van reviews kan geconcludeerd worden dat cognitieve stimulering voor cliënten met een licht tot matig ernstige vorm van dementie een effectieve aanpak is. Dit geldt ook voor foutloos leren.

20
Q

Driemaal regel

A

Laat in alle rust en de beste condities bepaalde taken uitvoeren, zoals boodschappen doen of eten koken. Lukt het drie keer op rij niet, dan is het beter ermee te stoppen en de taak over te nemen.