Persoonlijkheidstrekken Flashcards

1
Q

Persoonlijkheidstrekken.

A

Psychologische kenmerken die stabiel zijn in de loop van de tijd en in verschillende situaties. Theorieën van Eysenck en Cattell proberen dimensies van persoonlijkheidstrekken vast te stellen en gebruiken daarvoor factoranalyse.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Overeenkomsten trekken theorieën

A

De fundamenten werden gelegd door Allport, Cattell en Eysenck. Overeenkomsten:
* Mensen bezitten predisposities (trekken), waardoor ze op bepaalde manieren reageren. Op die trekken kunnen ze hoog of laag scoren.
* Er is een direct verband tussen iemands trek-gerelateerde gedrag en de overeenkomstige trek. Naarmate iemand zich meer volgens een bepaalde trek gedraagt, scoort hij hoger op de overeenkomstige trek.
* Menselijk gedrag en persoonlijkheid zijn hiërarchisch georganiseerd zijn.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Consistentie v.s.
onderscheidend
vermogen.

A

De termen die we voor trekken gebruiken hebben twee connotaties:
* Consistentie: De trekken hebben een terugkerend gedragspatroon. Een persoon lijkt gepredisponeerd om zich te gedragen zoals de trek beschrijft. Het begrip dispositie (aanleg) is belangrijk in de trekkenbenadering.
* Onderscheidend vermogen: een persoonlijkheidstrek onderscheidt personen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Doelen van trekken
volgens de
wetenschap van
persoonlijkheid

A
  • Beschrijving. Trekken beschrijven wat voor een persoon iemand normaal gesproken is. De trekkenbenadering voorziet in de beschrijving. Het streven daarbij is om een schema te bieden waarmee ieder persoon volledig beschreven kan worden: een classificatiesysteem van persoonlijkheid.
  • Voorspelling. Aan de hand van persoonlijkheidsclassificaties kunnen voorspellingen gedaan worden. Bv voor beroepskeuze of selectie personeel.
  • Verklaring. Sommige zeggen dat constructen gebruikt kunnen worden om gedrag te verklaren. Andere beperken zich tot beschrijving en voorspelling
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

hiërarchisch model
van Eysenck

A

Eysenck meende dat gedrag, op het laagste hiërarchisch niveau, kan worden gezien in termen van specifieke responsen. Sommige van die responsen zijn onderling verbonden en vormen meer algemene gewoonten. Groepen van gewoonten die zich samen voordoen, vormen trekken. Op het hoogste hiërarchische niveau kunnen verschillende trekken samen secundaire factoren of superfactoren vormen. Deze superfactoren zijn ook trekken, maar dan op het hoogste en meest abstracte niveau.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Trekkentheorie van
Gordon W. Allport

A

Allport meende dat trekken de basiseenheden van persoonlijkheid zijn en hun oorsprong hebben in het zenuwstelsel. Trekken kunnen volgens hem gedefinieerd worden volgens drie eigenschappen: frequentie, intensiteit en aantal situaties. Het trekkenconcept is volgens hem nodig om consistentie in gedrag te verklaren, terwijl het erkennen van het belang van de situatie nodig is om variabiliteit in gedrag te verklaren. Wetenschappers, brachten hierna drie categorieën aan: trekken, toestanden en activiteiten. Allport zelf onderscheidde:
* Kardinale trekken: De meest dominante, maar ook de zeldzaamste. Dergelijke eigenschappen zijn zo intrinsiek verbonden met de persoonlijkheid van een persoon dat de persoon bijna synoniem wordt met die eigenschappen.
* Centrale trekken: Komen veel vaker voor en dienen als de basisbouwstenen voor de persoonlijkheid van de meeste mensen. Als je denkt aan de belangrijkste termen die je zou kunnen gebruiken om je algehele karakter te beschrijven, dan zijn dat waarschijnlijk je centrale eigenschappen.
* Secundaire trekken: Persoonlijkheidskenmerken die zichzelf in bepaalde situaties vertonen. Iemand kan erg angstig worden wanneer moet spreken in het openbaar.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Functionele
autonomie

A

Allport analyseerde ook motiverende processen. Hij benadrukte de functionele autonomie van menselijke beweegredenen: Motieven v volwassene kunnen terug gaan op kinderlijke motieven(Freud), maar zijn in volwassen onafhankelijk+autonoom

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

idiografische
benadering Allport

A

Allport legt de nadruk op de uniciteit van het individu. Hij steunde daarom een idiografische benadering van onderzoek, waarin het gedrag dat een individu uniek maakt beschreven wordt. Hierin verschilt Allport van anderen die kiezen voor beschrijvingen in meer algemene termen van persoonlijkheidstrekken.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Factoranalytische
trekkentheorie van
Cattell.

A

Cattell maakte mbv factoranalyse twee belangrijke onderscheidingen in trekken. Hij veronderstelde hiërarchische relaties tussen trekken.
* Oppervlaktetrekken (surface): bevinden zich aan oppervlakte, zijn waarneembaar. Cattell kwam tot 40 groepen van trekken die elk een oppervlaktetrek weergeven.
* Brontrekken (source), psychologische structuren die de bron of onderliggende oorzaak vormen van waargenomen relaties tussen oppervlaktetrekken. Dit zijn de belangrijkste persoonlijkheidsstructuren in de persoonlijkheidstheorie van Cattell. Er zijn 16 brontrekken die in 3 categorieën onder te verdelen zijn

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Categorieën
brontrekken
(Catell)

A

Deze drie categorieën van trekken bestrijken de belangrijkste stabiele elementen van de persoonlijkheid.
* Bekwaamheidstrekken: Vaardigheden en bekwaamheden die iemand in staat stellen effectief te functioneren.
* Temperamenttrekken: Emoties en de gedragsstijl.
* Dynamische trekken: Het streven en de motivatie van de persoon.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

L, Q en OT data

A

Cattell baseerde zijn indeling op drie verschillende typen of bronnen van data. De onderscheiding van deze verschillende typen is nog steeds van belang voor de persoonlijkheidswetenschap. Cattell onderscheidde data uit de:
* Levensgeschiedenis (L-data. Gaan over gedrag in actuele, alledaagse situaties).
* Zelf-rapportage (Q-data). Hierop ontwikkelt: Sixteen Personality Factor (16 P.F.)
* Objectieve tests (OT-data gedragingen in afgebakende testsituaties waarin de persoon zich niet bewust is van de relatie tussen zijn gedrag en het onderzochte persoonlijkheidskenmerk).

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Twee andere
determinanten
voor gedrag
(Cattell)

A
  • Toestand verwijst naar emotie en stemming op een bepaald moment.
  • Bepaalde gedragingen hangen meer samen met de rol die iemand heeft dan met zijn trekken
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Kritiek op Cattell

A
  • Het aantal van zestien persoonlijkheidsfactoren is te groot om gemakkelijk te gebruiken bij het beoordelen van iemands persoonlijkheidsstructuur.
  • De theorie van Cattell was geheel gebaseerd op de resultaten van metingen. Het risico bestaat dat er kwaliteiten bestaan die bestudeerd zouden moeten worden, maar die niet worden ontdekt met het gebruikte meetsysteem.
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Drie-factortheorie
van Hans J. Eysenck

A

Eysenck bekritiseerde vooral de psychoanalyse, vanwege het gebrek aan betrouwbare maatstaven. Met precieze metingen wilde hij de veronderstelde biologische grondslagen van elke trek identificeren. Hij stelde dat, zonder begrip van de biologie van trekken, verklaringen cirkelredeneringen zouden zijn. De trekken- theorie kan deze cirkel doorbreken door verder te gaan dan het gebruik van woorden en door het ontdekken van biologische systemen die met trekken overeenkomen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Superfactoren

A

Eysenck deed een tweede factoranalyse op de 16 facotren van Cattell. Deze superfactoren zijn continue trekkendimensies. Aanvankelijk benoemde Eysenck twee van zulke superfactoren, namelijk introversie-extraversie en neuroticisme. De superfactor dient op hoog niveau als organisatieschema voor trekken op lager niveau. Later voegde Eysenck nog een derde toe: Psychoticisme. Deze superfactor bundelt trekken die in extreme gevallen abnormaal genoemd kunnen worden, zoals agressie, gebrek aan empathie en antisociaal gedrag. De drie resulterende factoren zijn zo bekend dat ze wel worden aangeduid als P, E en N (PEN-model, te meten met de Eysenck Personality Questionnaire met eenvoudige zelfrapportagevragen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

Biologisch model
Eysenck

A

Voor elk van de drie trekken in zijn model (P, E, N) was een afzonderlijk biologisch model nodig. Het model voor extraversie is het meest succesvol gebleken. Eysenck suggereerde dat individuele verschillen in introversie-extraversie overeenkomen met verschillen in het neurofysiologisch functioneren van de cortex. De gedachte is dat introverte mensen sneller geprikkeld zijn. Extraverte mensen ervaren juist minder prikkeling en zoeken daarom meer intense sociale stimuli op. Metingen van hersenactiviteit geven enige ondersteuning. Wat neuroticisme betreft meende Eysenck dat het limbisch systeem en het autonome zenuwstelsel bepalend zijn voor deze trek. Over de biologische grondslag voor psychoticisme is weinig bekend. Er is
een genetische associatie met de mannelijkheid gesuggereerd. Van recenter datum is de gedachte dat dopamine een rol speelt.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
17
Q

Verschillen
introvert-extravert

A
  1. Introverte mensen presteren beter op school dan extraverte mensen.
  2. In tegenstelling tot introverte mensen gaan extraverte mensen liever op vakantie
    waar veel andere mensen zijn.
  3. Extraverte mensen lachen om seksuele en agressieve humor, introverte mensen maken meer intellectuele, en droge grapjes.
  4. Extraverte mensen zijn seksueel actiever, ook hebben ze vaker een andere partner.
  5. Extraverte mensen zijn vatbaarder voor suggesties en worden sneller beïnvloed.
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
18
Q

Theorie van
abnormale
psychologie en
gedragsverandering
(Eysenck)

A

Kerngedachte is dat symptomen van psychologische problemen die iemand ervaart gerelateerd zijn aan persoonlijkheidstrekken en het zenuwstelsel. Iemand ontwikkelt bijvoorbeeld neurotische symptomen als gevolg van zowel biologische- als omgevingsfactoren, waardoor hij leert sterk emotioneel te reageren op angstopwekkende stimuli. Ondanks de genetische component was Eysenck optimistisch over behandeling en verzette hij zich tegen de gedachte dat gedragsverandering onmogelijk is doordat gedrag erfelijk bepaald is. We kunnen altijd ander gedrag aanleren. Hij was dan ook een voorstander van gedragstherapie.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
19
Q

Kritiek op Eysenck

A

De bijdragen van Eysenck aan de persoonlijkheidswetenschap zijn indrukwekkend. Toch hebben veel psychologen afstand genomen van zijn gedachtegoed. Daarbij spelen tenminste vier factoren een rol.
1. Alternatieve modellen die zijn ontwikkeld passen beter bij de beschikbare data.
2. Zijn biologische modellen van vooral neuroticisme en psychoticisme mist bewijs.
3. Het oprichten van een eigen wetenschappelijk tijdschrift kan tegen hem gewerkt hebben, doordat zijn traditie geïsoleerd raakte van de rest van de psychologie.
4. Misschien zijn er meer dan 2 of 3 factoren nodig om persoonlijkheid te beschrijven.

20
Q

Onderzoeksbewijs
voor het vijf
factorenmodel

A

De gedachte dat vijf persoonlijkheidsfactoren de basis vormen voor individuele verschillen berust op factoranalyse van drie soorten gegevens:
* Trekkenaanduidingen in het natuurlijk spraakgebruik.
* Onderzoek naar de universaliteit van trekkendimensies in verschillende culturen.
* Het verband tussen vragenlijsten over trekken en andere instrumenten.

21
Q

Big five

A
  • Neuroticism (N).
  • Extraversion (E).
  • Openness (O).
  • Agreeableness (A).
  • Conscientiousness (C).
    De eerste letters maken ook het woord OCEAN.
22
Q

Correlatie tussen
hersenen en de Big
Five

A
  • Mensen met een hoge extraversie hebben een groter volume in de frontale lobe.
  • Hoge scores van neuroticisme correleren met meer volume in gebieden die geassocieerd zijn met omgevings dreigingen.
  • Altruïsme is gecorreleerd met gebieden die verantwoordelijk zijn om een ander te begrijpen.
  • Consciëntieusheid is gecorreleerd met gebieden in de frontale lobe, gebieden verantwoordelijk voor de planning, en het opvolgen van regels.
  • Bij open voor te leren werden er geen correlaties gevonden.
23
Q

Fundamentele
lexicale hypothese
(Goldberg)

A

“De belangrijkste individuele verschillen tussen mensen zullen uiteindelijk hun plaats krijgen in de wereldtalen”. Mensen bedenken termen om belangrijke onderlinge verschillen te kunnen aanduiden, omdat ze daarmee hun eigen welzijn of dat van de groep dienen. Met andere woorden: deze termen zijn sociaal nuttig omdat ze ons helpen om gedrag te voorspellen en controle te hebben over ons bestaan. Universele aanduidingen dragen bij aan ons overleven en sluiten daardoor ook aan bij het evolutionaire model.

24
Q

Universele big three

A

Uit verschillende onderzoeken blijkt dat er sprake is van een Big Three; extraversie, vriendelijkheid en zorgvuldigheid, die in allerlei talen terugkomen, terwijl de Big Five twijfelachtig is. Variaties tussen culturen en talen hebben sommigen er toe gebracht te veronderstellen dat er persoonlijkheidskenmerken zijn die cultuurspecifiek zijn. Dat is inderdaad mogelijk, maar moet nog wel door meer onderzoek bevestigd worden.

25
Q

Overeenkomsten
NEO-PI-R en
theorie van Eysenck
en Cattell

A

Als aangenomen wordt dat de NEO-PI-R een adequaat instrument is, kan de vraag rijzen hoe de persoonlijkheidsfactoren van Eysenck en Cattell in het vijffactorenmodel passen. Scores op de NEO-PI-R correleren met scores op vragenlijsten die de factoren van Eysenck en Cattell uitvragen. De superfactoren extraversie en neuroticisme komen overeen met de dimensies in de Big Five, psychoticisme komt overeen met een combinatie van lage scores op vriendelijkheid en zorgvuldigheid. Ook voor de 16 factoren van Cattell zijn overeenkomsten vast te stellen.

26
Q

NEO-PI-R
(zelf)beoordeling

A

Een sterk punt van NEO-PI-R is dat vragenlijsten beschikbaar zijn voor zowel zelfrapportage als beoordeling door anderen. 3 conclusies:
1. Dezelfde factoren worden gevonden met beide varianten.
2. Observanten stemmen overeen in hun beoordeling op de vijf factoren.
3. Gegevens van observanten geven een betere voorspelling dan zelfbeoordeling. Verschillen tussen zelfbeoordeling en beoordeling door anderen lijken vooral zichtbaar als ze betrekking hebben op trekken die niet duidelijk zichtbaar zijn.

27
Q

Vijffactorentheorie
(McCrae en Costa)

A

Deze theorie stelt dat de vijf primaire trekken meer dan beschrijvingen zijn. De trekken bestaan echt en kunnen worden gezien als een psychologische structuur die iedereen in verschillende mate bezit. De trekken beïnvloeden ieders psychologische ontwikkeling. De factoren hebben een biologische basis. Verschillen in gedrag die zijn gekoppeld aan de Big Five zijn te verklaren door genetische invloeden op neurale structuren en hersenchemie. De biologische grondslag van de factoren is zo sterk, dat de vijf disposities niet direct worden beïnvloed door de omgeving. Trekken zijn daarnaast ook causale factoren die ieders leven bepalen. De constructen hebben daarmee twee functies:
* Ze vormen een dimensie van individuele verschillen die meer toepasbaar is op populaties dan op individuen
* Ze zijn de onderliggende oorzaak van consistente patronen van gedachten en gevoelens van mensen.

28
Q

3 problemen
vijffactorentheorie

A
  • De vraag is hoe persoonlijkheidsstructuren aan -processen verbonden moeten worden. De theorie zegt daar weinig over. De processen zijn niet alleen niet ingevuld, maar het is ook niet duidelijk hoe dat zou kunnen. Het is moeilijk een model te creëren dat de causale mechanismen aan de processen verbindt.
  • Eigenschap vd theorie is dat trekken niet worden beïnvloed door sociale factoren. Onderzoek spreekt dit tegen. Zo bleken belangrijke socioculturele veranderingen in de geschiedenis samen te gaan met hogere niveaus van angst.
  • De theorie beweert dat alle mensen de vijf factoren bezitten. Probleem is dat deze bewering niet afgeleid kan worden uit onderzoeksgegevens.
29
Q

Leeftijdsverschillen
persoonlijkheid.

A

Ondanks stabiliteit is er wel verandering. Zo scoren ouderen significant lager op neuroticisme, extraversie en openheid en hoger op vriendelijkheid en zorgvuldigheid dan jongeren. De verschillen worden mogelijk niet veroorzaakt door verschil in leeftijd maar door cohortverschillen. Er kunnen effecten zijn door historische factoren. Steeds meer onderzoek toont aan dat de interactie met de sociale omgeving wel degelijk van invloed is op de ontwikkeling van iemands persoonlijkheid.

30
Q

Ontwikkeling persoonlijkheid

A
  • Persoonlijkheidsstructuur in de kindertijd is complexer en minder geïntegreerd dan in de volwassenheid. Zo werden niet 5 maar7 factoren bij kinderen gevonden.
  • Er is bewijs dat opvoedingsstijl en werkervaringen van invloed zijn op de persoonlijkheidsontwikkeling in de jonge volwassenheid.
31
Q

Stellingen persoonlijkheid

A
  • Persoonlijkheid is stabieler over kortere dan over langere perioden.
  • Persoonlijkheid is stabieler in de volwassenheid dan in de kindertijd.
  • Er zijn individuele verschillen in stabiliteit
  • De mate van omgevingsinvloed moet nog bepaald worden.
  • Sommige oorzaken van stabiliteit zijn genetisch en andere omgeving gerelateerd.
32
Q

Zesde factor

A

Begin deze eeuw werd er een zesde factor toegevoegd: eerlijkheid/nederigheid. Individuele verschillen in eerlijkheid en oprechtheid, tegenover sluwheid en ontrouw, vormen een betrouwbare zesde factor. Het zesfactorenmodel is een nieuwe ontwikkeling die nog nauwelijks terug te vinden is in theorie of in onderzoek

33
Q

persoon-
situatiecontroverse

A

Onderzoeker Mischel concludeerde dat het menselijk gedrag zeer variabel en inconsistent is. Hij meende dat die inconsistentie als een basale menselijke vaardigheid gezien kan worden, die ons in staat stelt ons gedrag aan te passen aan verschillende mogelijkheden, beperkingen, regels en normen in verschillende omstandigheden. Vanaf de jaren zeventig ontstond een debat over de mate waarin de omgeving invloed heeft op de persoonlijkheid. Deze persoon-situatiecontroverse domineerde lange tijd het werkveld van de persoonlijkheidspsychologie.

34
Q

Consistentie van trekken

A

Bij de vraag in hoeverre mensen consistent zijn in hun trekken gaat het om 2aspecten
1. Consistentie over langere tijd.
2. Consistentie in verschillende omstandigheden.
Volgens aanhangers van de trekkentheorie zijn beide aspecten waar, maar critici zetten vraagtekens bij de stabiliteit van trekken in verschillende situaties. Trekkenpsychologen betogen dat het zinloos is om gedrag te meten in een situatie en dat als bewijs te beschouwen. Het is nodig metingen te doen in verschillende situaties. Onderzoek van Mischel wees uit dat de longitudinale stabiliteit hoog was, maar de cross-situationele stabiliteit laag.

35
Q

Kritiek theorie van
persoonlijkheids-
trekken

A
  • Er is sprake van objectief verzamelde statistische gegevens. Echter is er weinig gebruik gemaakt van dieptemethoden waardoor de analyse enigszins oppervlakkig blijft en de uniciteit van het individu verborgen blijft.
  • Van de huidige theorieën kan amper gezegd worden dat ze op een systematische manier rekenschap geven van de verschillende aspecten van persoonlijkheid.
  • Er is sprake van onvolledigheid. Er is een relatieve afwezigheid van analyses van dynamische persoonlijkheidsprocessen en gebrek aan aandacht voor het individu
  • Theorie is klinisch niet bruikbaar en op theorie gebaseerde therapie mist.
36
Q

Geschiedenis van
temperament

A
  • De oude Grieken, zoals Hippocrates, geloofden dat vier lichaamsvloeistoffen overeenkwamen met vier temperamenten: Melancholiek, Flegmatiek (kalm), Prikkelbaar en Optimistisch. Deze gedachte hield opmerkelijk lang stand.
  • 19e -eeuw Gall. Hij legde de basis voor de frenologie, die stelde dat specifieke hersengebieden verantwoordelijk zijn voor specifieke emoties en gedragingen
  • Darwin documenteerde talrijke relaties tussen emotionele expressies bij mensen en andere zoogdieren en droeg daarmee bij aan het onderzoek naar temperament en de latere evolutionaire psychologie.
  • Mendel. met onderzoek naar erwtenplanten = de moderne genetica.
  • Pavlov deed onderzoek naar reflexen en ontwikkelde bovendien een theorie van stabiele individuele verschillen in het zenuwstelsel.
37
Q

drie typen
temperament
(Thomas en Chess)

A
  • Gemakkelijk (speels, flexibel).
  • Moeilijk (negatief, star).
  • Langzaam op gang komend (weinig reactief, milde reacties).
    Er is verband tussen vroege verschillen en latere persoonlijkheidskenmerken
38
Q

Geremde vs
ongeremde
kinderen

A

Kagan leidde onderzoek naar de biologische grondslagen van temperament. Hij gebruikte daarvoor een objectieve meetmethode, namelijk directe observatie in een laboratorium. Op basis van zijn observaties kwam hij tot twee gedragsprofielen:
* Geremde kinderen reageren terughoudend en vermijdend op onbekende personen en situaties
* Ongeremde kinderen reageren spontaan en met plezier
Kagan kwam tot de hypothese dat kinderen biologische verschillen erven die maken dat ze verschillend reageren en die stabiel blijven tijdens hun ontwikkeling. De omgeving speelde blijkbaar ook een rol in hun persoonlijkheidsontwikkeling. Maar al bleek verandering mogelijk, de aanleg voor een bepaald temperament verdween niet.

39
Q

effortful control

A

Rothbart stelt dat een specifieke eigenschap nodig is om jezelf te kunnen beheersen, die ze effortful control noemt. Dit is het vermogen om weerstand te bieden aan een dominante respons om een subdominante respons uit te kunnen voeren. Warm, ondersteunend ouderschap, in tegenstelling tot koud, directief ouderschap, lijkt hogere niveaus van effortful control te voorspellen.

40
Q

Onderzoek bij
gedragsgenetica

A
  • Selectief fokken (Selective Breeding studies).
  • Tweelingstudies (Twin studies).
  • Adoptiestudies (Adoption studies).
41
Q

Gen-omgevings-
interactie

A

40-50% vd persoonlijkheid is erfelijk bepaald. 50-60% dus omgeving. Gedeelde omgevingsinvloeden zorgen ervoor dat broers en zussen meer overeenkomsten vertonen. Niet-gedeelde omgevingen leiden tot verschillen tussen broers en zussen die in hetzelfde gezin opgroeien. De effecten van gedeelde omgevingen op persoonlijkheid zijn verwaarloosbaar, de niet- gedeelde omgevingseffecten zijn groot. Onderzoek naar genetische- en omgevingseffecten op drie onderdelen van de Big Five laat hetzelfde beeld zien. Drie uitkomsten vielen op:
1. Alle 5 de dimensies vertoonden in dezelfde mate substantiële genetische invloed
2. Bevindingen waren niet afhankelijk van de effecten van intellectuele vermogens.
3. Het was mogelijk de generaliseerbaarheid over verschillende instrumenten te toetsen en een afzonderlijke schatting te maken van de ruis.

42
Q

Dominantie linker-
en rechter
hersenhelft

A

De linkerhersenhelft domineert tijdens positieve emoties en de rechterhersenhelft tijdens een negatieve emotionele toestand. Bij depressiviteit blijkt er sprake te zijn van verminderde activiteit in de linker frontale cortex. Andersom geldt ook dat mensen die schade hebben aan dit hersengedeelte meer kans hebben om depressief te worden. Bij schade aan de rechterkant is de kans groter om manisch te worden.

43
Q

Werking
neurotransmitters

A

Dopamine is essentieel voor het functioneren van het beloningssysteem. Verslavende middelen als cocaïne ‘vermommen zich’ als dopamine, wat een prettige ervaring geeft bij toediening, maar ook een rotgevoel als het middel niet meer beschikbaar is. Ook serotonine is betrokken bij stemmingsregulatie. Het moderne middel SSRI verlicht een depressie door verlenging van de werking van serotonine bij neuronsynapsen. Als SSRI’s worden toegediend aan normale personen verminderen negatieve gevoelens en verbetert het sociale gedrag. Dat neurotransmitters bijdragen aan stemmingen wijst erop dat analyse van hersenchemie licht kan werpen op verschillen in temperament.

44
Q

Drie temperament
dimensies: PE, NE
en DvC

A

Volgens het model van Clark en Watson kunnen verschillen in temperament worden samengevat in termen van drie superfactoren: NE (Negative Emotionality), PE (Positive Emotionality) en DvC (Disinhibition versus Constraint).
* Mensen met een hoge NE-factor ervaren meer negatieve emoties en zien de wereld als bedreigend en problematisch.
* De PE-factor staat in verband met iemands bereidheid contact te maken met zijn omgeving. NE en PE lijken tegenovergestelde eigenschappen, maar zijn onafhankelijk van elkaar, omdat ze gecontroleerd worden door verschillende biologische systemen. PE zou gekoppeld zijn aan afgifte dopamine.
* DvC heeft te maken met de stijl van emotieregulatie. Mensen met een hoge DvC- score zijn impulsief, roekeloos en sensatiebelust. Serotonine zou basis vormen.
Ook dopamine en testosteron worden in verband gebracht met hoge waarden.

45
Q

Serotonine en
lagere SES

A

Mensen uit wijken met een lagere socio-economische status vertoonden een lagere serotonerge activiteit. Daarbij werd gecorrigeerd voor verschillen in persoonlijkheids-kenmerken en intelligentie. De geconstateerde biologische effecten kunnen de hogere prevalentie van stoornissen en probleemgedrag in armere wijken verklaren.