1. Celbiologie Flashcards

1
Q

Weefsel

A

een groep cellen die een gelijke functie uitvoeren

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

orgaan

A

de verschillende weefsels die samen een bepaalde taak uitvoeren

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

orgaanstelsel

A

verschillende organen die samen een functie uitvoeren

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Wat gaat gepaard met veroudering

A

een verminderde capaciteit van organen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Homeostase

A

het streven naar constant houden van de omgeving van de cel

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Bloedsomloop zorgt voor?

A

de verbinding tussen de lichaamscellen en de buitenwereld

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

waar heeft de stofwisseling en het metabolisme betrekking op?

A

alle processen die in het lichaam plaatsvinden

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Wat is de stofwisseling

A

een wezelijk kenmerk van levend organisme

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Wat gebeurt er in een cel

A

hier vinden verbrandingsprocessen plaats, waarbij voedingsstoffen worden afgebroken en zuurstof wordt verbruikt

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

cellen hebben voor hun talloze chemische reacties energie nodig. Waar komt deze vandaan?

A

product van een chemisch proces waarbij zuurstof wordt verbruikt en kooldioxide (koolzuur) vrijkomt
Het chemische proces, waar energie bij vrijkomt, vindt plaats in de mitochondrien

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Mitocondrien

A

hier vindt een chemisch proces plaats waar energie bij vrijkomt

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Glucose

A

het enige suikermolecuul dat door de cel gebruikt kan worden voor de energielevering

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

waar wordt overtollige energie uit voedingsstoffen opgeslagen

A

in vet

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Artherosclerose

A

aderverkalking in dit proces speelt vet een centrale rol

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Wat is Artherosclerose

A

een vaatziekte waarbij cholesterol, kalk, collageen, weefselresten, afvalstoffen zich afzetten tegen de wanden van de slagaders.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

waar kan artherosclerose toe leiden?

A

vernauwing van de vaten waardoor doorbloeding belemmerd wordt

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
17
Q

factoren die aderverkalking doen toenemen

A

hoge bloeddruk
hoog cholesterolgehalte
roken
voeding met veel verzadigd vet
te weinig beweging

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
18
Q

cholesterol

A

een vetachtige stof die in ons lichaam voorkomt en een klein deel komt via eten binnen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
19
Q

gevolg teveel cholesterol

A

hartaanval of beroerte

20
Q

Lipiden

A

vetten

21
Q

belang cholesterol

A

voor de celmembranen, isolatie van de zenuwen en productie van bepaalde hormonen.

22
Q

Wat maakt cholesterol aan

A

de lever maakt 80% aan en speelt een rol bij de spijsvertering

23
Q

Cellen (werken samen)

A

cellen maken zelf energie aan en kunnen afval opruimen en kunnen zichzelf delen

24
Q

Nucleus

A

Celkern, hierin bewaren van het DNA erfelijke info van elke cel

25
Q

DNA

A

erfelijke informatie van elke cel

26
Q

Cytoplasma

A

vocht in de cel.

27
Q

celmembraam

A

buitenkant van de cel

28
Q

organellen

A

subonderdelen die ervoor zorgen dat de cel funcitioneert

29
Q

Cellen

A

moeten aan bouwstoffen komen maar ook afvalstoffen kwijt kunnen

30
Q

Epitheelcellen

A

vormen de grens tussen het lichaam aan de binenkant en de buitenwereld aan de andere kant.

31
Q

Cholesterol

A

is een belangrijke bouwsteen voor steroide vetten

32
Q

Steroide vetten

A

vormen de basissturctuur voor sommige hormonen

33
Q

Genen

A

zijn de dragers van ergelijkhied die persoonlijke karakteristieken of vaardigheden van een organisme bepalen

34
Q

waar bevinden genen zich

A

op de chromosomen in de celkern en bestaat uit ketens dna moleculen

35
Q

bevat elke lichaamsycel dezelfde genen

A

ja

36
Q

zijn alle genen in alle lichaamscellen actief

A

nee

37
Q

Is een gen een deel van het dna in een cel en bevat deze de code voor de bouw van eiwit

A

ja

38
Q

Celdifferentiatie

A

cellen afkomstig van dezelfde stamcel, zich tot verschillende typen cellen kunnen ontwikkelen

39
Q

Wat is het gevolg van het activeren van bepaalde genen

A

of een cel zich zal differentieren tot bijvoorbeeld een zenuwcel, spiercel of botcel

40
Q

Mitose

A

een celdeling waarbij de celkern (nucleus) zich splitst in 2 dochtercellen met elk hetzelfde aantal chromosomen als de oorspronkelijke cel

41
Q

Nucleus

A

Celkern

42
Q

Mutatie

A

verandering in het dna die kan leiden tot de productie van foutieve eiwitten

43
Q

Meiose

A

celdeling van geslachtscellen ei en zaadcellen

44
Q

Hoeveel chromosomen bevat de kern van een geslachtscel

A

23 chromosomen

45
Q

Hoeveel chromosomen heeft een normale cel

A

46 choromosomen

46
Q

Een cel leeft, hoe noemen we iets dat leeft

A

Een organisme

47
Q

Wat heeft een organisme als autonome eigenschap

A

Stofwisseling