2. Pathologie Flashcards

1
Q

Geriatrie

A

medisch specialisme voor de behandeling van bejaarden

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Verschuift de aandacht bij ouderen 70+ van behandelende artsen van genezing naar verlichting

A

ja

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Wanneer krijg je een recessief erfelijke aandoening

A

van beide ouders een afwijking met hetzelfde gen erft (een afwijkende gen op beide chromosomen)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Recessief autosomaal erfelijke aandoening

A

bijde ouders zijn drager van het afwijkende gen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Hoe kan de mutatie van een gen worden veroorzaakt

A

Door radioactieve straling / een virus

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Polymorfisme

A

kleine verschillen, veelvormigheid. Het voorkomen van variaties in het DNA

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Commensalisme

A

het samenleven van 2 organismen waarbij het ene daar voordeel van heeft en het andere er geen voor of nadelen van heeft

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Waar komt commensalisme voor

A

talloze bacterien in onze darmen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Patogene bacterien

A

bacterien die in ons lichaam een infectie of ziekte veroorzaken

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Sepsis

A

infectie van het bloed
Bloedvergiftiging
Een bacterie die zich in het bloed kan handhaven

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

wat is een infectie

A

Wanneer ongewenst micro-organismen binnendringen en ongeremd gaan delen gifstoffen afgeven

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

omschrijving infectie

A

besmetting met ziektekiemen bacterien en virussen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Besmetting

A

overdracht van een ziekte op iemand anders

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

bestaan er verschillende soorten cellen voor de algemene en voor de speciefieke afweer tegen infectieziekten

A

ja

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Waarmee kan een bacteriele infectie worden bestreden

A

Antibiotica

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

bacteriele infectie wat is dat?

A

als je besmet raakt met een infectie

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
17
Q

wat zijn bacterien

A

organismen die slechts uit enkele cellen bestaan

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
18
Q

Wat is antibiotica

A

medicijnen tegen een ontsteking door een bacterie

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
19
Q

Werkt antibiotica ook tegen een ontsteking door een virus

A

nee

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
20
Q

wat is een virale infectie

A

een virusinfectie

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
21
Q

Hoe kan het immuunsysteem een bacteriele infectie bestrijden

A

door de productie van antilichamen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
22
Q

immuunsysteem

A

Afweersysteem, is het verdedigingssysteem van het menselijk lichaam. Verzorgt specifieke afweer tegen micro organismen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
23
Q

Antigeen

A

Lichaamsvreemde stof/cel die in staat is om het afweersysteem te activeren.
Stof die het immuunsysteem activeert.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
24
Q

Lytokinen

A

celeiwitten

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
25
Q

fagocyteert

A

opeet

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
26
Q

ontsteking

A

(Inframmatie)
Een algemene reactie van het lichaam op elke vorm van weefselschade

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
27
Q

Immunologie

A

De leer van het afweersysteem dat verantwoordelijk is voor afweer, besmettelijke ziektes, allergische reacties, afstoting reacties tegen (vreemde) weefsels

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
28
Q

vaccinatie

A

Beschermt tegen gevaarlijke ziekten waaraan je kunt overlijden of ernstige afwijkingen kunt overhouden. Het oproepen van antistoffen tegen zogenaamde antigenen van een specifieke ziekteverwekker.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
29
Q

Witte bloedcellen

A

Leukocyten

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
30
Q

Antigenen

A

Eiwitdeeltjes die aan de buitenkant van cellen vastzitten. Ze zitten in lichaamseigen en lichaamsvreemde cellen. Witte bloedcellen kunnen dit herkennen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
31
Q

Fagocyten

A

Een soort witte bloedcellen die bacteriën opruimen door fagocytose omsluiting

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
32
Q

Immunoglobulinen

A

Antistoffen-antilichamen behoren tot de globuline fractie van het bloed en vormen een belangrijk onderdeel van het immuunsysteem

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
33
Q

micro organisme

A

Organisme wat te klein is om met het blote oog te zien bv eencellige bacteriën

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
34
Q

Lymfocyten

A

witte bloedcellen die antistoffen kunnen aanmaken. Houden zich bezig met het doden van cellen waar iets mis mee is.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
35
Q

Milt

A

Orgaan dat zorgt voor de afweer tegen bacteriën
Antistoffen aanmaken
Verwijderen van bacteriën en ziektekiemen uit het bloed.
Speelt een rol bij het lymfesysteem en bloedvatenstelsel

36
Q

bloedgroepen

A

Eiwitten die zich aan de buitenkant van de rode bloedcellen verbinden

37
Q

Wat is zwemmerseceem

A

schimmelinfectie

38
Q

Wat speelt er een rol bij de bestrijding ven een virusinfectie door het lichaam

A

antistoffen spelen een wezelijke rol

39
Q

Wat doen antistoffen

A

binden zich als een soort vlaggetjes aan het oppervlak van een bacterie/virus waarmee afweercellen gealermeerd worden om de bacterie of het virus op te ruimen

40
Q

3 catagorieen bij brandwonden

A

1e graads - geen blaar/wond en de huid is niet stuk
2e graads - blaren, pijnlijk, huid rood, roze en glad
3e graads - zenuwen zijn aangetast

41
Q

Ischemie

A

de doorbloeding van het achterliggende weefsel is verminderd

42
Q

stenose

A

een lokale vernauwing en respectievelijke afsluiting van een bloedvat

43
Q

wat kan ontstaan door homeostase

A

Ischemie en stenose

44
Q

Trombose

A

de vroming van bloedstolsels in een bloedvat

45
Q

Wat kan de oorzaak zijn van een infarct

A

een embolie

46
Q

Embolie

A

een stolsel in een grote slagader of ader kan losschieten, met de bloedstroom meedrijven en dan elders een verstopping veroorzaken.

47
Q

Wat is een infarct

A

respectievelijk een bloeding

48
Q

Darmstoornissen gaan vaak gepaard met

A

Homeostase

49
Q

Hemeostase

A

Homeostase is dus het op peil houden van de voedingsstoffen en afvalstoffen in de cellen via het interne milieu.

50
Q

Tumor

A

latijns woord voor zwelling

51
Q

Wat is een zwelling

A

Toename van vocht -ontstekingsproces
Toename cellen - kankerproces

52
Q

Toename cellen (kankerproces)

A

goedaardig (benigne)
kwaadaardig (maligne)

53
Q

Wat is kanker

A

een kwaadaardige tumor

54
Q

Wat is het verschil tussen goedaardig en kwaadaardig

A

het verschil zit in de verspreiding van dochtercellen / uitzaaiingen

55
Q

Goedaardig

A

dit is ingekapseld en groeit niet door in weefsel

56
Q

Kwaadaardig

A

verdringt het gezonde weefsel doordat het infasief doorgroeit. Ze komen terecht in de lymfestroom. Stroomt met de lymfe mee naar de lymfeklieren waar ze uitgroeien tot nieuwe gezwellen. Kankercellen komen in de bloedbaan en stromen met het bloed mee naar andere organen.

57
Q

Kan een kwaadaardig gezwel in de longen zich over alle organen in het lichaam verspreiden

A

ja

58
Q

Wat is de oorzaak van kanker

A

dit ligt in de mutatie van genen

59
Q

Zijn alle vormen van kanker erfelijk bepaald

A

nee

60
Q

Waar is de kans op genezing van een kankergezwel mede van afhankelijk

A

het type cel waarvan het gezwel afkomstig is

61
Q

Hoe wordt een tumor getypeerd

A

naar afkomst van het oorspronkelijke orgaan

het soort weefsel

het soort cel van dat weefsel

62
Q

Hoofdcategorieen tumoren

A

carcinomen (kanker op huid, slijmvliezen en organen (borstkanker, darmkanker)
sarcomen (in weke delen)
bloedvormende tumoren

63
Q

Een tumor is het resultaat van

A

ongeremde celdeling

64
Q

Hoe ontstaat een tumor

A

uit stamcellen dit zijn lich.cellen met een delingsfunctie

65
Q

Is alcohol een risicofactor voor kanker

A

ja voor diverse vormen

66
Q

Hoe onderscheiden bacterien zich van (echte) cellen

A

Doordat ze geen celkern hebben. Ze bezitten wel dna maar dit wordt niet gescheiden van de rest van de cel door membraam

67
Q

Hoe plant een bacterie zich voort

A

door te delen

68
Q

Wat is pathogeen

A

ziektekiem

69
Q

Wat veroorzaakt een pathogene bacterie

A

een infectie. Ze beschadigen de weefselstructuur en verstoren lichaamsfuncties

70
Q

Hoe kun je een infectie onderdrukken

A

antibiotica (penicelline)

71
Q

Hoe kun je een infectie herkennen

A

koorts
slap voelen
misselijkheid

72
Q

Infectie met bacterie
infectie met virus is dit makkelijk te onderscheiden

A

nee

73
Q

Hoe reageert het lichaam op een infectie

A

met een ontstekingsreactie

74
Q

Algemene syptomen infectie

A

roodheid, zwelling, warmte en pijn

75
Q

wondinfectie

A

de wond raakt geinfecteerd doordat het immuunsysteem in de war is

76
Q

ontsteking

A

een reactie van schade aan de membranen van cellen en in de cellen zelf
Als de witte bloedcellen vechten om ons te beschermen tegen een infectie veroorzaakt door bijv. bactertie of virus of als het lichaam verwond raakt.

77
Q

Waarbij speelt het immuunsysteem een hoofdrol

A

bij allergieen

78
Q

Wat is een allergische reactie

A

de respons op een zekere antigene prikkel die overdreven is

79
Q

auto-immuunaandoeningen hoe worden deze gekenmerkt

A

door ontstekingsreacties die veroorzaakt worden door antistoffen tegen lichaamseigen antigenen

80
Q

Het immuunsysteem kan op 2 manieren ontsporen
manier 1

A

bovenmatig reageren op een of ander antigeen waardoor een overdreven ontstekingsreactie word opgeroepen (hooikoorts, astma, overgevoeligheid darmen of huid

81
Q

Het immuunsysteem kan op 2 manieren ontsporen
manier 2

A

vorming van antistoffen die zich richten tegen antigenen van het eigen lichaam de zo geheten auto immuunaandoeningen

82
Q

oedeem

A

vochtophoping in weefsel

83
Q

Cytokinen

A

boodschappers van je afweersysteem.

84
Q

Welke cytokinen (signaalstoffen zijn er)

A

hormonen
feromonen
neurotransmitters die de cellen gebruiken om met elkaar een met andere cellin in je lichaam te praten

85
Q

Granulocyten

A

bepaald type witte bloedlichaampjes/cellen dat helpt om infecties te bestrijden door dat micro organismen fagocyteert (opeet)

86
Q

Wat tref je aan in ontstoken weefsel

A

veel granulocyten

87
Q

Leukocytose

A

Het aantal witte bloedcellen is verhoogd