Het Spel en de vrije tijd Flashcards

0
Q

Il dado

A

De dobbelsteen

Gooien

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
1
Q
Il biliardo
La stecca 
giocare a scacchi 
Giocare a carte
Giocare a biliardo
A
Het biljart
De keu
Schaken
Karten
Biljarten
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

I mattoncini Lego

A

De lego steentjes

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Nascondersi

Giocare a nascondino

A

Zich verstoppen

Spelen verstoppertje

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Prestare

A

Lenen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Dare calci

A

Trappen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

La trottola

A

De tol
Il pedaggio
Il casello

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Sfortunato
Truccato
Giocare sporco

A

Onfortuinlijk , ongelukkig
Belabberd
Vals spelen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Litigare
Smettere
Fare la pace
Amichetti

A

Ruzie maken
Ophouden
Goed maken
Vriendjes

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Prendere

Restituire

A

Afpakken

Teruggeven

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

La squadra e ‘ formata da 6 giocatori.

A

De team bestaat uit 6 spelers.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Suonare il pianoforte

A

Piano spelen
De viool
Het klave.cimbel
Het orgel

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Giocare con la morte

Pericolosissimo (p di morte)

A

Met zijn leven spelen.

Levensgevaarlijk

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Dare un effetto

A

Een effect geven

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Una mossa astutA per vincere agli scacchi
Vincere
Perdere

A

Een listige zet om te verslaan met schaken
Verslaan
Verlies

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Mescolare le cartep

A

De kaarten schudden

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

Cosa fai nel tempo libero?

A

Wat doe jij in je vrije tijd?

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
17
Q

Vuoi venire a nuotare?

A

Wil je gaan zwemmen?

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
18
Q

Hai voglia di venire a ballare?

A

Heb je zin om

Te gaan dansen?

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
19
Q

Dove/ quando

Ci vediamo?

A

Wanneer/ waar
Ontmoeten we
Elkaar?

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
20
Q

Io passo il mio tempo….

A

Ik breng mijn tijd
….voor de computer
Door

Doorbrengen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
21
Q

Fa dello sport?

A

Doet ze aan sport?

Ze doet niet aan sport.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
22
Q

Il mostro

A

De gedrocht

23
Q

Il giardinetto

La rastrelliera

A

De speel.tuin

Het klim.rek

24
Q

Il darsi per vinto

A

Het “opgeven”

25
Q

Il pirata

A

De rover

26
Q

L oggetto

A

Het Voorwerp

27
Q

Scala di corda

A

Touwladder

28
Q

Colpo di fortuna

Andare meglio del previsto

A

Meevaller

Meevallen

29
Q

Essere alle prese con

Essere impegnato con

A

Bezig zijn met

30
Q

Sfidare

A

Uitdagen

31
Q

Stanchezza

A

Vermoeidheid

33
Q

Divertirsi

A

Pret hebben

34
Q

Rivincita

A

Revanche

35
Q

Mescolare le carte

A

De kaarten schudden

36
Q

Divertirsi

A

Lol hebben

37
Q

Imitare

A

Na-apen (trans) = imiteren = nadoen

Na-aper

38
Q

I difensori

A

Verdedigers

39
Q

Il lanciatore

A

De werper

40
Q

Tirare con l arco

A

Boogschieten

Te laat aan boogschieten

41
Q

Gokart a pedali

A

Skelter

Skelter stelling

42
Q

Il cavetto (elettrico)
Caricabatteril
Auricolari

A

Snoertje
Oplader
Oortelefoon (hoofdtelefoonheadset se ha microfono)

43
Q

Divertirsi

Divertirsi un sacco

A

Pret te hebben

Een boel plezier te hebben

44
Q

Uno per (alla) volta

A

Een tegelijk

45
Q

La trottola

Giocare a trottola

A

De tol

Tollen

47
Q

Fare le capriole

A

Bokje springen

48
Q

Fare uno scambio alla pari

A

Gelijk oversteken

49
Q

Argilla

A

De Klei

50
Q

Tocca a me!

A turni

A

Ik ben aan de beurt!

Om beurten

51
Q

Fare le bolle di sapone

A

Bellen blazen

De bellen

52
Q

Il centro del bersaglio

A

Het midden van de roos

De pijlen raken het midden van de roos

53
Q

Arrampicarsi

A

Klauteren

54
Q

Giocoliere

Fare il giocoliere

A

Jongleur

Jongleren

55
Q

Non ho abbastanza abilita’ per giocare da difensore

Abile

A
Ik heb niet genoeg behendigheid
Om
Als verdediger
Te spelen
Behendig
56
Q

Giocare a bowling

Birillo
Pista da bowling
Far cadere i birilli
Il lancio

A

Bowlen

De pin
De baan
De pins omver.gooien
Het worp

57
Q

Tocca a te

Lanciare il dado

A

Het is jouw beurt
Om
De dobbelsteen te gooien

58
Q

Fare le bolle di sapone

A

Bellen blezen

De bellen