cardiovasculaire stelsel 1 Flashcards

1
Q

wat doet het cardiovasculaire stelsel

A

continue uitwisseling met stoffen uitwendig milieu

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

hoe werkt de uitwisseling van stoffen in de eerste 2 weken

A

diffusie

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

waarom lukt diffusie niet meer vanaf het einde van de 3de week

A

cellaag is te dik

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

wat is het voordeel van uitwisseling via het cardiovasculaire systeem

A

meer voedingstoffen binnen krijgen/ makkelijker opnemen

effectiever dan diffusie

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

wat zijn de 5 belangrijkste functies van bloed

A
  • transport
  • op peil houden pH en ionensamenstelling
  • beperken van vloeistofverlies bij verwondingen
  • verdedigen tegen gifstoffen en ziekteverwekkers
  • op peil houden lichaamstemp
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

welk soort weefsel is bloed

A

vloeibaar bindweefsel

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

wat transporteerd bloed

A

zuurstof, voedingstoffen, hormonen

afvalstoffen, koolstofdioxide

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

hoe wordt de ionensamenstelling op peil gehouden

A

uitwisseling interstitiele vloeistof (calcium)

bij verlies ionen op korte tijd kan bloed dit aanvullen (reserve)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

hoe houdt het bloed de pH op peil

A

melkzuur neutraliseren

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

welke stof is belangrijk voor de stolling

A

fibrinogeen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

wat zorgt voor ons afweersysteem

A

leukocyten
antistoffen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

hoe wordt onze lichaamstemperatuur op peil gehouden

A

vasoconstrictie + vasodilatatie

spieren genereren warmte en bloed transporteerd dit doorheen lichaam

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

waaruit bestaat “vol bloed”

A

bloedplasma
bloedcellen
celfragmenten

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

wat zijn fysische eigenschappen van vol bloed

A

iets warmer dan lichaamstemp
hogere viscositeit dan water (afh. v. aantal bloedcellen)
licht basis

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

wat is de pH van bloed

A

7.4

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

latijnse naam zuur

A

acidose

17
Q

latijnse naam base

A

alkalose

18
Q

latijnse naam aanprikken van een ader

A

venapunctie

19
Q

welke ader wordt meestal aangeprikt

A

vena mediana cubiti

20
Q

waarom worden aders voor bloedprikken gebruikt

A

dunner, lagere bloeddruk, bloedt minder lang

21
Q

waarom worden soms slagaders aangeprikt

A

zuurstofgehalte

22
Q

welke slagaders van de arm worden aangeprikt

A

Arteria brachialis
Arteria radialis

23
Q

waar worden capilairen soms geprikt

A

vinger, grote teen, hiel

24
Q

wat maakt bloed onstolbaar

A

heparine

25
Q

wat is plasma

A

onstolbaar bloed
bloedcellen zakken naar beneden + buffy coat
heeft fibrinogenen

26
Q

wat is de buffy coat

A

witte bloedcellen en bloedplaatjes

27
Q

wat is serum

A

niets aan toegevoegd om onstolbaar te maken, fibrinogeen draden vormen een klonter met bloedcellen en heldere vloeistof blijft over

plasma-fibrinogeen

28
Q

wat is BSE

A

bezinkingssnelheid van de erythrocyten

29
Q

wat zorgt voor een hoge bezinkselsnelheid

A

infectie en/of tumoren

30
Q

hoeveel liter bloed heeft een mens

A

5-6

31
Q

waaruit bestaat bloedplasma

A

Voornamleijk water
Firbilogeen
Globulinen
Albuminen = eiwitten
Voedingsstoffen + elektrolyten + etc

32
Q

waaruit bestaat de cellen en celfragmenten

A

99% rode bloedcellen
Wit en bloedplaatjes

33
Q

onthouden: meer plasma dan bloed

A