College 9: Taal en waarheid, Heidegger en een ander waarheidsbegrip Flashcards Preview

metafysica > College 9: Taal en waarheid, Heidegger en een ander waarheidsbegrip > Flashcards

Flashcards in College 9: Taal en waarheid, Heidegger en een ander waarheidsbegrip Deck (30)
Loading flashcards...
1

Waarom moeten we op zoek naar een nieuw waarheidsbegrip volgens Heidegger?

Volgens Heidegger blijven veel filosofen in de begrippen van Plato hangen. Daardoor kan Nietzsche bijv. alleen praten over illusies en onwaarheid. Het oorspronkelijke waarheidsbegrip is in de geschiedenis van de metafysica uit beeld geraakt, maar bij Plato kunnen we het nog vinden. Dat vinden we in de allegorie van de grot. We vinden daar het waarheidsbegrip en de correspondentietheorie van de waarheid. Plato verandert het wezen van het waarheidsbegrip, het wordt daardoor een metafysisch begrip.

2

Wat heeft de fenomenologie te maken met het waarheidsbegrip?

De bepaling van de fenomenologie breidt al iets voor op het waarheidsbegrip. We hebben volgens filosofen geen blik meer op zijn zelf, omdat de werkelijkheid alleen tot ons verschijnt (moderne filosofen). Dat is een verkeerd beeld volgens Heidegger.

3

Wat is een fenomeen?

Een fenomeen is het manifeste, hetgeen wat zich-op-zichzelf-toont. Elk zijnde is een fenomeen, want het zijnde geeft zichzelf te kennen. Het zijnde toont zichzelf als wat het is, het is niet verborgen.

4

Waarom moeten we niet als Kant denken als we het hebben over de fenomenen?

Als we denken dat het subject het zijnde zelf voorstelt, dan wordt het een object en dan zijn we het zijnde kwijt. Het zijnde zelf verdwijnt dan achter het object. Deze manier stelt te veel het subject centraal. Als ik een stoel zie, dan zie ik een stoel. Ik hoef niet in mijn hoofd een voorstelling te maken van die stoel, voor ik die stoel zie.

5

Waarom is de tegenstelling van zijn en schijn volgens Heidegger een schijntegenstelling?

Heidegger betoogt dat de tegenstelling tussen zijn en schijn een afgeleide is van een daaraan voorafgaand bijeenhoren van zijn en schijn: volgens hem laat de presocratische wijsbegeerte zien dat de oude Grieken het zijn zelf al begrepen als een vorm van verschijnen en aanwezig zijn. Anders gezegd, als ik schrijf 'het zijnde is' dan bedoel ik te zeggen dat het zijnde aanwezig is en verschijnt, terwijl 'het zijnde is niet' betekent dat het zijnde afwezig is en niet kan verschijnen. Zijn en schijn horen dus bij elkaar en pas door Plato worden ze in een tegenstelling geplaatst wanneer voor hem alleen het zijn van de idee het echte zijn is en de zintuiglijke zijnden alleen maar verschijning van deze idee zijn.

6

Wat is logos volgens Heidegger?

Logos is het openbaar maken van datgene waarvan in de rede sprake is. Het openbaar maken van zaken doen we door middel van de taal.

7

Waarom is taal belangrijk?

Stel ik zit in een lokaal en op een begeven moment komt de docent binnen die zegt dat in het andere lokaal het bord wit is. Hij maakt openbaar/toegankelijk waar we over spreken. Hij laat iets zien van dat bord. Dat tonen van dat bord anticipeert een beetje als het oorspronkelijke waarheidsbegrip. Iets dat niet voor iets verborgen is; het manifest. Taal kan iets manifest maken, het kan iets aan ons tonen. Dus taal is niet bedoeld om proposities te formuleren die overeenkomen met de werkelijkheid. Taal is bedoeld om iets aan ons te laten zien en manifest te worden. Als je iemand vertelt wat je gisteren gedaan hebt dan maak je dat openbaar.

8

Kunnen we zaken alleen manifest maken door taal?

Nee, ik zie ook dingen zonder erover te praten. Als ik het ga beschrijven dan het manifest voor anderen. Het is wel zo dat als Heidegger over het zijn praat de taal belangrijk is. De taal moet namelijk het zijn helder laten verschijnen. Een zijnde kan zichzelf tonen zoals het zijnde van zichzelf is.

9

Welke kritiek heeft Heidegger op de correspondentietheorie van de waarheid?

Stel je hebt een propositie van een stand van zaken. Hoe beoordeel je dat het met elkaar overeenstemt? Dat kun je alleen als je ze met elkaar kan vergelijken. Dat betekent dat een propositie manifest/toegankelijk moet zijn. Als ik zeg dat het bord in lokaal A15 van het Grotiusgebouw zwart is, moet dat bord voor mij toegankelijk zijn. Bepalen of die met elkaar overeenkomen kun je pas als je toegang hebt tot de zaken. Taal is niet alleen iets om proposities te formuleren, het is een manier om de zaken aan ons te tonen. Al sprekend leren we iets kennen, we kunnen beter begrijpen hoe iets in elkaar zit. In de logos ben je niet alleen proposities aan het formuleren, die gebruik je ook om te verhelderen.

10

Wat betekent fenomenologie?

Dat wat zich toont, zoals het zich vanuit zichzelf toont, laat zich vanuit het zijnde zelf zien.

11

Wat moet de fenomenologie doen?

De fenomenologie moet in actie komen bij fenomeen die zich niet zomaar en direct te kennen geven. Zaken die in eerste instantie vertekent of verborgen voor ons zijn, daarmee moeten we echt aan de slag. Het zijn van het zijnde blijft verborgen. Maar dat is het zijn van het zijnde: hetgeen dat we steeds uit de verborgenheid moeten trekken is het zijn van het zijnde. Je kan niet weten wat het zijn is, want het ligt in een fundamenteel verborgenheid en heeft de neiging om zich daarin te trekken. Dat is wat Heidegger in bijna al zijn teksten doet, hij stelt opnieuw de zijnsvraag, omdat zijn getekend wordt door de verborgenheid. Het feit dat het verborgen is, betekent niet dat het weg is. We hebben namelijk altijd een impliciet zijnsverstaan. Het moet uit die verborgenheid worden getrokken.

12

Welke begrippen van waarheid zien we bij Plato verschijnen?

Bij Plato komt de correspondentietheorie aan bod, maar er is nog een begrip van waarheid. Plato vertrekt vanuit een culturele positie (presocraten; filosofisch concept). De presocraten spreken over onverborgenheid. Het is een overgang van het ene begrip van waarheid naar het andere. Dat kun je traceren in de allegorie van de grot. Onverborgenheid is het onttrekken van verborgenheid. Het wordt dan onthuld, dus dan is het onverborgenheid. Het wordt iets binnen onze wereld. Als je Heideggers analyse van de allegorie van de grot leest, zie je het onderscheid terugkomen.

13

Waarom is het beeld van de allegorie van de grot een voorbeeld van de verborgenheid?

Op het moment dat we in de grot zitten, zijn de Ideeën verborgen. De wereld blijft altijd voor ons verborgen. De wijze waarop de wereld voor ons verschijnt kan in de vorm van schaduwen zijn of objecten achter ons. Maar in eerste instantie kunnen we nog geen onderscheid maken tussen het echte en het verschijnsel. Zelfs Plato kon dat niet, dat zie je in de tweede fase. Dan kan de gevangenen nog geen onderscheid maken. Daarom neemt Plato een toevlucht tot de Ideeën.

14

Waarom bevinden we ons volgens Heidegger altijd tot de verborgenheid?

Stel Gert-Jan zegt mijn boekenkast is zwart, maar ik kan die niet zien. Als hij die boekenkast wel laat zien, dan kan ik erachter komen of die propositie waar is of niet. Als die boekenkast onttrokken is aan de verborgenheid kunnen we zien of het waar is. Plato gebruikt de notie van het Idee daarvoor. Heidegger vindt de maat van het Idee niet inzichtelijk, die raken we gemakkelijk kwijt.

15

Waarom wordt de allegorie van de grot vaak geïnterpreteerd als een verandering die wij moeten ondergaan?

Volgens Plato zijn wij in eerste instantie niet in staat om de waarheid te kennen. We moeten gevormd worden, onze oriëntatie veranderen. Anders kunnen we de waarheid niet kennen. Deze verandering is een beweging die een overgang inhoudt van het ene stadium tot het andere stadium. Bijv. van het gevangen zitten tot de zon bekijken buiten de grot. Van een gebrek aan vorm, naar een geschikte vorm waarmee onze ziel in staat is om de waarheid te kennen. Die strijd met de vormeloosheid is volgens Heidegger nooit over.

16

Waarom bereik je nooit je ware vorm volgens Heidegger?

De vorming moet als proces begrepen worden. Het is een voortdurende strijd van vormeloosheid. Het is een wezenlijke verhouding tot vormeloosheid. Stel dat je een moreel hoogstaand leven wil leiden, dan is dat een leven dat nooit helemaal af is. Het vereist een voortdurend gevecht tegen het immorele. Het is nooit iets dat af is of als resultaat kan worden bereikt. Dit beeld weerspiegelt met het voortdurend achterhalen van het onverborgenen.

17

Waarom verkeren de mensen die de andere moeten bevrijden in een rare positie?

Het gaat hier om de mensen die de zon gezien hebben en weer terugkeren in de grot. Volgens Heidegger gaat het niet alleen maar om het bevrijden. Die vormeloosheid kun je dus niet overwinnen. Die moet je opnieuw aangaan. Die overgang van grot en buiten de grot, lijkt iets waar men steeds in wegzakt. Het inzicht is nooit je eigendom, maar iets dat steeds weer opnieuw verzekerd moet worden. Vorming is niets anders dan je eigen strijd met de vormeloosheid. Steeds weer opnieuw.

18

Wat is adaequatio et rede?

De overeenstemming van mijn verstand en de zaken zelf. Grieken drukken waarheid uit als onverborgenheid. Dezelfde betekenis kun je op verschillende manieren uitdrukken in taal. Twee verschillende tallen drukken dezelfde betekenis op een andere manier uit. Heidegger speelt met de verschillende duidingen van waarheid. Hoe verhoudt de onverborgenheid met de correspondentietheorie van de waarheid? Vervolgens laat Heidegger zien hoe het woord waarheid functioneert in de allegorie van de grot.

19

Wat is de overeenkomst tussen Derrida en Heidegger?

Heidegger realiseert zich dat zijn interpretatie gewelddadig kan zijn. Hij legt de klemtoon op iets dat voor Plato niet de hoofdgedachte was. Dit is wat Derrida ook doet met teksten: de focus ergens anders op leggen.

20

Wat gebeurt er in het eerste stadium van de allegorie van de grot?

De werkelijk wordt getoond in de vorm van schaduwen. Dat is geen vorm van correspondentietheorie, want die proposities komen niet overeen met de werkelijkheid. Maar Heidegger zegt dat die schaduwen zich wel aan ons tonen.

21

Wat gebeurt er in het tweede stadium van de allegorie van de grot?

Er is meer sprake van onverborgenheid. Voor het eerst verschijnen voor degen die bevrijd is de schaduw als meer onverbogen dan de dingen die achter hem worden afgespeeld. Dat licht van het vuur en die objecten die zich direct tonen zijn zo verwarrend dat het geen onverborgenheid met zich meebrengt. Die schaduwen zijn helderder dan de dingen zelf. Dat is een probleem. Dat vuur is te scherp voor de ogen van de gevangenen en daarom wil hij terug. Dus volgens Heidegger is die bevrijding geen echte bevrijding. Hij kan nog geen onderscheid maken tussen wat onverbogen is en wat meer onverborgen is.

22

Wat gebeurt er in het derde stadium van de allegorie van de grot?

Er is sprake van echte bevrijding. De gevangenen is buiten en ziet de zon. Het meest onverborgen: de Ideeën. Dat moet de maat gaan worden.

23

Welke hiërarchie zien we ontstaan?

Het onverborgen, meer onverborgen en meest onverborgen. Het meest onverborgen toont zichzelf in het wezen, de vorm. Het veronderstelt in alles wat verschijnt. Het Idee van de stoel wordt veronderstelt in het object, maar ook in de schaduw van een stoel.

24

Wat is de mogelijkheidsvoorwaarde voor het ontdekken van het meest verborgenen?

In de eerste drie stadia wordt steeds meer aan de verborgenheid onttrokken. Dat proces is de mogelijkheidsvoorwaarde voor het ontdekken van het Idee dat het meest onverborgen is. Bij Plato wordt het straks omgedraaid: het Idee wordt de voorwaarden voor waarheid. Dat is een wezensverandering. In eerste instantie gaat de waarheid vooraf aan het Idee en uiteindelijk wordt de waarheid het Idee van het Goede.

25

Wat gebeurt er in het vierde stadium van de allegorie van de grot?

In dit stadium is de gevangenen verblind voor de duisternis als hij weer terug de grot in gaat. Degene die terugkeert loopt het risico om kwijt te raken wat hij gezien heeft. We blijven altijd in gevecht met die onverborgenheid. Het is geen bezit, het moet steeds opnieuw worden onttrokken. Waarheid is datgene wat ontworstelt is aan de verborgenheid. Plato schrijft vanuit het Idee van waarheid alsof het iets is wat ontworstelt moet worden aan de verborgenheid, maar hij wil later de correspondentietheorie.

26

Wat is het Idee volgens Plato?

We hebben bijv het Idee stoel. Dat zorgt ervoor dat een stoel als stoel kan verschijnen. Daardoor kan het zijnde als stoel ook gekend worden. Hoe we de werkelijkheid zien en hoe we de dingen kennen heeft te maken met het Idee. Het Idee is de oorzaak voor het verschijnen van het Idee en het kennen van het Idee. Het Idee geeft de dingen hun wezen (essentie). Heidegger zal zeggen dat denken en zijn door Plato onder het juk van het Idee wordt gebracht.

27

Hoe wordt het zijnde en degene die het zijnde ziet met elkaar verenigd?

Dingen en denken zijn twee verschillende dingen. Een ding is materieel, maar denken niet. Het Idee zorgt voor Plato's overeenkomst. Dat is het juk van het Idee. Het is vergelijkbaar met het tabula rasa. De materialiteit wordt niet op onze ziel (kenvermogen) geschreven. De vorm van het ding wordt op onze ziel geschreven.

28

Wat keert Plato om volgens Heidegger?

De Idee wordt de maat voor waarheid. Het Idee is opeens hetgeen dat de verborgenheid verlengt. Plato gaat zeggen dat waarheid en verborgenheid wordt verleend vanuit het Idee. Hij keert het hele proces om. In Plato's allegorie van de grot vertrekt hij vanuit een oorspronkelijk waarheidsbegrip dat verandert in de correspondentietheorie. Dat wordt doorslaggevend voor de hele geschiedenis van de metafysica. Dit is namelijk het uitgangspunt voor andere filosofen en dat is fout volgens Heidegger.

29

Wat is de overeenkomst tussen Heidegger en Nietzsche?

Een overeenkomst tussen Nietzsche en Heidegger is dat ze beiden over een proces spreken. Plato doet net alsof het Idee het eerste is, maar dat is niet zo. We zien eerst de dingen het in het alledaagse en dan pas raakt het idee onverborgen. Bovendien is dat idee niet gegeven. Als we de grot weer in moeten raakt het idee weer verborgen. Dus als we het idee als de maat en de oorsprong nemen dan is het fout.

30

Waarom heeft Nietzsche geen gelijk volgens Heidegger?

Volgens Nietzsche is Plato's idee een illusie. Het heeft niets te maken met de werkelijkheid. Maar Nietzsche's theorie klopt ook niet volgens Heidegger. Nietzsche denkt dat het Idee slechts een illusie is. Maar een stoel toont zich als een stoel, dat is geen illusie. Dat wordt in een proces ontdekt. Je krijgt twee vormen van kritiek op het Platoonse idee. Nietzsche ziet het Idee van Plato als een illusie. Volgens Heidegger vergeet Plato dat hij zelf gebruik maakt van een oorspronkelijk waarheidsbegrip, namelijk dat er steeds iets verder onverborgen kan worden.