Genetica en de persoonlijkheid (Week4) Flashcards Preview

Persoonlijkheidsleer en -onderzoek > Genetica en de persoonlijkheid (Week4) > Flashcards

Flashcards in Genetica en de persoonlijkheid (Week4) Deck (28):
1

uitleg: genoom

complete set van genen (20.000 - 25.000)

elk cel bevat 2 genomen ( moeder,vader)

 

2

welke 3 cellen bevatten geen genomen?

roode bloedcellen, eicellen, spermacellen

3

uitleg: chromosomen

strengen van 46 genen (paarwijze)

23 van vader/moeder 

4

hoe verschilt het laatste (23) genenpaar tussen vrouwen en mannen?

vrouwen hebben twee x chromosomen

mannen hebben een x en een y chromosoom

5

uit welk 4 nucleotidebasen bestaat DNA?

1.adenine

2.thymine

3.guanine

4.cytosine

6

welk informatie bevat DNA?

2 % instructies voor het maken van proteines

98% "junk" funtie niet geheel bekend, reguleren proteinproductie en verschaffen structurele integriteit

7

uitleg: allelen

hetzelfde gen is niet altijd identiek

er is sprake van een "dominante" en een "recessief" geen

8

hoe verschillen genen bij mensen/dieren?

veel dieren zelfde aantal genen als mensen

maar codering naar protein is bij mensen complexer 

9

uitleg: behaviouristisch genetisch onderzoek

in hoeverre zijn verschillen in gedrag te verklaren door genetica of juist door omgeving

10

uitleg: erfelijkheid

de proportie fenotypische variantie (geobserveerde individuele verschillen) die verklaard wordt door genotypische variantie ( verschillen in genen)

11

uitleg: omstandigheden (environmentality)

proportie fenotypische variantie die juist NIET kan verklaard worden door genen

dus

variantie door erfelijkheid + variantie door omstandigheden = fenotypische variantie

12

uitleg: selectief fokken

honden met bepaalde erfelijke eigenschappen expres fokken om deze eigenschappen verder te geven

13

uitleg: familiestudies

je bent 50% gelijk in je genen aan ouders, broers etc

en 25% gelijk aan opa/oma etc

dus: alle van een gezin zelfde karaktertrek -> waarschijnlijk erfelijk

MAAR

familie delen meestal ook zelfde omgeving

14

uitleg: monozygotic

tweeling ontstaan uit dezelfde bevruchte eicel

hebben 100% dezelfde genen

wel verschillen in kopieen van gen-segmenten

15

uitleg: dizygotic

tweeling ontstaan uit twee bevruchte eicellen

50% genen gelijk, net zoals gewone broers/zussen

 

16

formule voor erfelijkheid

erfelijkheid ^2 = 2 ( rmz - rdz)

 

rmz = correlatie tussen monozygotic

rdz = relatie tussen dizygotic

17

uitleg: assumptie van gelijke omgeving

er wordt aangenomen de omgeving van de verschillenden soorten tweelingen gelijk identiek is

18

mogelijke schendingen aan de "assumptie van gelijke omgeving"

hoe kan ernaar getest worden?

assumptie kan geschonden worden als ouders monozygotic tweelingen EXACT gelijk behandelen want ze MZ zijn

assumptie is niet geschonden als ouders MZ tweeling exact gelijk behandelen want zij exact gelijk gedragen

testen: kijken naar tweelingen waarvan ouders dachten dat zij MZ waren, terwijl dit NIET zo is 

-> blijkt dat dit niet zorgd voor meer gelijkenis 

-> als MZ tweelingen verschillen ligt het aan genetica 

19

uitleg: adoptiestudies

kijken naar verschillen en overeenkomsten tussen biologische en adoptiefouders

gelijk aan bio -> genetica

gelijk aan adoptie -> omgeving

20

uitleg: assumptie van representativiteit

selectieve plaatsing

assumptie van representativiteit: assumptie dat adoptieouders representatief zijn voor de gehele populatie

selectieve plaatsing: mogelijk plaatsen van kinderen bij ouders die lijken op biologische ouders 

21

algemene percentages voor het verklaren van PSE door genetica/omgeving

erfelijkheid: 30-50%

omgeving: 50-70%

22

uitleg: kandidaat gen associatiestudies "gene hunting"

vinden van specifieke gen dat geassocieerd worden met bepaalde eigenschappen

23

verschil tussen mensen met een lange/korte DRD4 gen

lang: weinig responsief voor dopamine -> ze gaan op zoek naar sensatie

kort: heel responsief voor dopamine -> geen extra behoefte aan ervaringen met dopamine boost

24

uitleg: genoomwijde studies

hoe het genenpakket van mensen beinvloedt hoe ze met situaties omgaan

bv. korte versie van 5HTT -> stress leidt sneller tot depressieve symptomen

of lage level monoamine oxidase -> mishandeling leidt sneller tot agressief en antisociaal gedrag

25

uitleg: (non)shared environment

shared: gedeelte omgeving van broers en zussen (opvoeding, regels, eten etc)

non shared: niet gedeelte omgeving (vrienden, specifieke gebeurtenissen)

het blijkt dat de gedeelte omgeving heel kleine invloed heeft op het ontwikkelen van persoonlijkheid 

 

26

2 factoren die de rol van erfelijkheid kunnen beinvloeden

1. cultuur en land 

2.ouderlijke opvoeding - streng vs vrij

streng -> genen niet veel mogelijkheid

vrij -> ontwikkeling gedomineerd door genen

27

5 soorten van interactie tussen genen en omgeving

1.co-actie - allebei spelen rol maar los van elkaar

2.interactie - genen interacteren met omgeving

3.correlatie - actief, passief, reactief

4. expressie - omgevingsfactoren kunnen beinvloeden hoe genen werken (hoe DNA proteinen codeert) 

5. predispositie - genen kunnen kwetsbaarheid voor ziektes meebrengen, MAAR deze wordt alleen ontwikkelt als de omgeving dit oproept 

28

3 soorten correlatie van genen en omgeving

 

1. passief - verband tussen genen van ouders en de stijl van opvoeding

2. actief - personen met bepaalde genen zoeken omgevingen die op hun passen

3. reactief - ouders reageren anders op kinderen afhankelijk van genotype