H13 Therapieën voor psychische stoornissen Flashcards

1
Q

Definitie van inzichtgevende therapieën

A

Concentreert zich op de innerlijke wereld van de patiënt: de manier waarop hij denkt en voelt. Probeert patiënt inzicht te geven in oorzaken van problemen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Definitie van gedragstherapieën

A

Concentreert zich op het veranderen van gedrag, met name door operante en klassieke conditionering.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Noem de 3 soorten inzichttherapieën

A
  1. Psychodynamische therapieën (Freudiaans en Neofreudiaans)
  2. Humanistische therapieën
  3. Cognitieve therapieën
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Noem de 3 soorten gedragstherapie

A
  1. Therapieën op basis van operante conditionering
  2. Therapieën op basis van observationeel leren
  3. Therapieën op basis van klassieke conditionering
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Beschrijf kort de verschillende therapieën (figuur 13.3):

  1. Gedragstherapie
  2. Psychodynamische therapieën
  3. Humanistische therapieën
  4. Cognitieve therapieën
  5. Groepstherapieën
  6. Biomedische therapieën
A
  1. Gericht op verandering buiten de persoon: beloningen, straffen en cues in de omgeving. Als die veranderen dan verandert het gedrag ook.
  2. Gericht op veranderingen binnen in de persoon, met name het onbewuste.
  3. Gericht op veranderen hoe de persoon zichzelf ziet.
  4. Gericht op veranderen hoe iemand denkt en gebeurtenissen waarneemt.
  5. Gericht op veranderen hoe mensen met elkaar omgaan.
  6. Gericht op verandering in de structuur of het functioneren van de hersenen.
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Beschrijf cognitieve-gedragstherapie en RET

A

Cognitieve gedragstherapie is erop gericht om de manier waarop mensen denken en gebeurtenissen waarnemen te veranderen en daarmee ook zich anders te gedragen. Combineert cognitieve therapie met gedragstherapie.

RET = relationeel-emotieve therapie. Onrealistische waarden en doelen leiden tot onrealistische verwachtingen.
ABC
A = activating event
B = beliefs
C = consequences
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Psychodynamische therapie

  • Wat is analyse van overdracht?
  • Hoe verschillen neofreudiaanse therapieën van freudiaanse therapieën?
A

Analyse van de relatie tussen therapeut en patiënt. Gebaseerd op het idee dat deze onopgeloste problemen uit het verleden van de patiënt weerspiegeld.

Neofreudiaanse therapieën richten zich meer op het bewuste (ipv onbewuste) en op de tegenwoordige tijd (ipv verleden). Ook is er meer belangstelling voor sociale relaties.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Humanistische therapieën

  • Wat is cliëntgerichte therapie?
  • Wat is gevoelsreflectie?
A

Cliëntgerichte therapie benadrukt de natuurlijke neiging van mensen tot gezonde psychologische groei en zelfrealisatie.

De therapeut parafraseert wat de patiënt zegt, en fungeert daarmee als een soort spiegel voor de patiënt.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Gedragstherapie: klassieke conditioneringstechnieken

  • Wat is systematische desensitisatie?
  • Wat is exposuretherapie?
  • Wat is aversieve therapie?
A

Stapsgewijs een patiënt een situatie laten voorstellen waarvoor hij/zij angstig is. Als de patiënt niet meer angstig wordt, kan de voorstelling een stapje ‘enger’ gemaakt worden. Angsthiërarchie. Denk aan voorbeeld van openbaar spreken.

Exposuretherapie is het daadwerkelijk blootstellen van de patiënt aan de gevreesde stimulus.

Bij aversieve therapie wordt een verleidelijke stimuli die vermeden moet worden aangeboden met een aversieve stimulus. Bijvoorbeeld: een pilletje dat ervoor zorgt dat wanneer iemand alcohol drinkt, hij/zij heel misselijk wordt.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Gedragstherapie: operante conditioneringstechnieken

  • Wat is contingentiemanagement?
  • Wat is token economy?
A

Bij contingentiemanagement worden de gevolgen van gedrag veranderd, met name op het gebied van beloningen en straffen. Zo kan je bijvoorbeeld de woedeaanvallen van een kind negeren ipv belonen met aandacht.

Bij een token economy geef je bij gewenst gedrag een token zoals bijvoorbeeld een sticker. Later kunnen deze tokens dan worden ingewisseld voor beloningen. Kan worden toegepast op groepen maar ook individuen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Noem vier belangrijke groepen medicijnen.

A
  1. Antipsychotica
  2. Antidepressiva
  3. Angstremmende medicijnen
  4. Stimulerende middelen
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Beschrijf antipsychotica.

Mogelijke bijwerkingen?

A

Vermindert psychotische verschijnselen, heeft invloed op de werking van neurotransmitters in de hersenen (onderdrukt meestal dopamine).

Bijwerkingen:

  • Tardieve dyskinesie is een onomkeerbare verstoring van de motoriek.
  • Gewichtstoename
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Beschrijf antidepressiva.

  • Tricyclische antidepressiva (TCA)
  • Selectieve serotonineheropnameremmers (SSRI)
  • Monoamine-oxidase-remmers (MAO-remmers)
A

Antidepressiva vergroten de impulsoverdracht tussen neuronen die gebruikmaken van de neurotransmitters norepinefrine en serotonine.

Tricyclische antidepressiva: blokkeren de heropname van neurotransmitters.

Selectieve serotonineheropnameremmers : blokkeren de heropname van serotonine.

Monoamine-oxidase-remmers: remmen de werking van MAO, die norepinefrine afbreekt.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Waarom duurt het een paar weken voordat antidepressiva werken?

A
  1. De patiënt heeft tijd nodig om zich aan te passen aan een positiever perspectief.
  2. Er is tijd nodig om neuronen te laten groeien.
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Beschrijf angstremmende medicijnen.

Noem drie waarschuwingen.

A

Werken als onderdrukkers van het centrale zenuwstelsel en zorgen daarmee voor ontspanning.

  1. Moeten niet gebruikt worden om alledaagse angsten te verminderen.
  2. Kunnen verslavend zijn.
  3. Kunnen van invloed zijn op rijvaardigheid en andere alerte situaties.
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

Beschrijf stimulerende middelen.

A

Verhoogt activiteit door de afgifte van dopamine en norepinefrine te verhogen. Kan aandacht en concentratie stimuleren.

17
Q

Noem twee alternatieve medische alternatieven voor behandeling met geneesmiddelen.

A
  1. Psychochirurgie = chirurgische interventies aan de hersenen.
  2. Elektroshocktherapie (EST) = patiënt krijgt via de slapen stroomshocken toegediend. Meestal toegepast bij depressieve patiënten.