Impairment (RJ 121 en IFRS 36) Flashcards Preview

Externe verslaggeving > Impairment (RJ 121 en IFRS 36) > Flashcards

Flashcards in Impairment (RJ 121 en IFRS 36) Deck (22)
Loading flashcards...
1

Wat houdt een impairment in volgens RJ 121?

• extra afwaardering, naast systematische afschrijvingen, van vaste activa omdat de realiseerbare waarde lager is dan de boekwaarde;
• de voorschriften zijn van toepassing ongeacht de wijze waarop
de activa worden gewaardeerd;
• de voorschriften zijn van toepassing op alle vaste activa, met
enkele uitzonderingen.

2

Geef de definitie van de realiseerbare waarde

Hoogste waarde van de opbrengstwaarde vs de bedrijfswaarde. Dit is de hoogste want:

De bedrijfswaarde is over het algemeen hoger dan de opbrengstwaarde, omdat ieder rationeel denkend mens anders direct tot verkopen over zou gaan. Hierdoor is het logisch dat indien een impairment vermoedt wordt, altijd eerst de opbrengstwaarde wordt bepaald. Indien deze immers hoger is dan de boekwaarde, zal er geen sprake zijn van een impairment.

3

Wanneer dient een impairment test uitgevoerd te worden?

Bij aanwijzingen voor bestaan van een bijzondere
waardevermindering. IAS 36 vereist voor goodwill, immateriële activa met een onbepaalbare gebruiksduur of die nog niet in gebruik zijn genomen een jaarlijkse ‘impairment test’.

4

Wat zijn de drie fases van een impairment test?

1. nagaan of er externe of interne aanwijzingen zijn voor het bestaan van bijzondere waardeverminderingen;
2. als aanwijzingen bestaan: het bepalen van de realiseerbare waarde;
3. het vergelijken van de realiseerbare waarde met de
boekwaarde; is de realiseerbare waarde lager, dan is er sprake van een bijzondere waardevermindering.

5

Welke externe indicaties bestaan er voor bijzondere waardeverminderingen onder RJ 121 en IAS 36?

• de reële waarde van een actief is aanzienlijk sneller gedaald dan uit het verloop van de tijd of uit
normaal gebruik van het actief zou voortvloeien;
• in de marktomstandigheden of in de omgevingsfactoren van de rechtspersoon hebben zich
belangrijke wijzigingen met nadelig effect voor het actief voorgedaan dan wel deze zullen zich in de
nabije toekomst voordoen;
• marktrentes of andere marktpercentages zijn gestegen met invloed op de disconteringsvoet en
daarmee de bedrijfswaarde;
• de boekwaarde van de netto-activa van de rechtspersoon is hoger dan de reële waarde van het
uitstaande aandelenkapitaal van de rechtspersoon.

6

Welke interne indicaties bestaan er voor bijzondere waardeverminderingen onder RJ 121 en IAS 36?

• aanwijzingen zijn voorhanden van economische veroudering of beschadiging van het actief;
• in het gebruik van het actief hebben zich belangrijke wijzigingen met nadelig effect voor het actief
voorgedaan dan wel deze zullen zich in de nabije toekomst voordoen; onder deze wijzigingen zijn
begrepen het beëindigen of reorganiseren van het bedrijfsonderdeel waartoe het actief behoort en
het afstoten van het actief voordat de verwachte economische levensduur is geëindigd;
• er zijn aanwijzingen dat de economische prestaties van het actief beduidend minder zijn of zullen zijn
dan verwacht (dit kan blijken uit de operationele resultaten en kasstromen die zijn weergegeven in de
interne rapportages).

7

Hoe wordt de opbrengstwaarde van bepaald?

Onder opbrengstwaarde wordt verstaan het bedrag waartegen een actief maximaal kan worden
verkocht, onder aftrek van de nog te maken kosten (art. 5 BAW, RJ 940).

8

Hoe wordt de bedrijfswaarde bepaald?

Onder bedrijfswaarde wordt verstaan de contante waarde van de aan een actief of samenstel van activa
toe te rekenen geschatte toekomstige kasstromen die kunnen worden verkregen met de uitoefening van
een bedrijf (art. 3 BAW, RJ 940, vergelijkbare definitie in IAS 36.6)

9

Welke twee stappen worden gehanteerd ter bepaling van bedrijfswaarde?

• schatten van de toekomstige inkomende en uitgaande kasstromen bij voortgezet gebruik van het
actief en bij het uiteindelijk afstoten van het actief;
• vaststelling van de toepasselijke disconteringsvoet en toepassing daarvan op de toekomstige
kasstromen.

10

Waar dienen de schattingen van toekomstige kasstromen t.b.v. bepaling bedrijfswaarde aan te voldoen?

De schattingen van toekomstige kasstromen dienen te omvatten (IAS 36.39, RJ 121.311):
a prognoses van de kasontvangsten bij voortgezet gebruik van het actief;
b prognoses van kasuitgaven die noodzakelijk zijn om de kasontvangsten te genereren (inclusief de
kasuitgaven om het actief gebruiksklaar te maken) en die direct kunnen worden toegewezen of
toegerekend op een redelijke en consistente basis; en
c netto-kasstromen, indien van toepassing, te ontvangen (of te betalen) bij het afstoten van een actief
aan het einde van de levensduur.

11

Welke verdisconteringsvoet dient gehanteerd te worden bij bepaling van de toekomstige kasstromen?

De disconteringsvoet dient vóór belastingen te worden bepaald en dient te zijn gebaseerd op zowel de actuele marktrente als de specifieke risico’s met betrekking tot het actief.

De te hanteren disconteringsvoet is in feite de rendementseis die investeerders zouden stellen als zij een investering overwegen in een actief dat wat betreft omvang van de kasstroom, tijd en risico vergelijkbaar is.

12

Welk verdisconteringspercentage dient gehanteerd te worden indien de actuele marktpercentages niet betrouwbaar kunnen worden vastgesteld?

• de gewogen gemiddelde vermogenskostenvoet van de rechtspersoon (WACC);
• de marginale rentevoet voor de rechtspersoon;
• andere marktrentes.

13

Hoe dient een impairment verlies verwerkt te worden?

Het verlies wordt onmiddellijk verwerkt in de winst-en-verliesrekening, tenzij de afwaardering ten laste
van een herwaarderingsreserve kan worden gebracht in overeenstemming met artikel 2:390 lid 3 BW
(art. 2:387 lid 4 BW, IAS 36.60, RJ 121.402).

14

Wat heeft een impairment verlies voor gevolgen voor de afschrijving?

De afwaardering noodzaakt tot een aanpassing van de afschrijvingen op het actief (IAS 36.63,
RJ 121.404). De afschrijvingslast voor de toekomstige perioden dient te worden herzien om de
aangepaste boekwaarde, verminderd met de eventuele restwaarde, stelselmatig over de resterende
levensduur te verdelen.

15

Mogen impairment verliezen worden teruggenomen?

Onder bepaalde voorwaarden is terugneming mogelijk. Alleen in situaties dat de terugneming van een bijzonder waardeverminderingsverlies duidelijk verband houdt met het effect van een externe gebeurtenis van buitengewone aard, is dit toegestaan. Een specifieke externe gebeurtenis is een gebeurtenis die buiten de beschikkingsmacht van de rechtspersoon valt. Bijvoorbeeld: nieuwe wetgeving die de bedrijfsactiviteiten beduidend beperken. Dus:
• Door een specifieke externe gebeurtenis van buitengewone aard die naar verwachting niet opnieuw zal plaatsvinden;
• Opvolgende gebeurtenissen zich hebben voorgedaan die het effect van die gebeurtenissen weer omkeren.

16

Wanneer is het terugnemen van een impairment verlies louter toegestaan?

Een terugname is slechts dan toegestaan, indien en voor zover bij de bepaling van de nieuwe realiseerbare waarde blijkt dat sprake is van wijzigingen in de schattingen en veronderstellingen die destijds aan de bepaling van de realiseerbare waarde ten grondslag lagen. Slechts in dat geval dient de boekwaarde van het actief te worden verhoogd tot het bedrag van de opnieuw bepaalde realiseerbare waarde van het actief (IAS 36.114, RJ 121.605).

17

Welke beperking kent het terugnemen van een impairment verlies?

Aan een verhoging van de boekwaarde wordt wel een beperking gesteld: de verhoogde boekwaarde van
het actief mag niet hoger zijn dan de boekwaarde na afschrijvingen die bepaald zou zijn als in
voorgaande jaren geen bijzonder waardeverminderingsverlies voor het actief zou zijn verwerkt (IAS 36.117, RJ 121.608).

18

Hoe wordt het terugnemen van een impairment verlies verwerkt?

De verhoging van de boekwaarde die een terugneming is van een bijzonder waardeverminderingsverlies, wordt onmiddellijk als bate verwerkt in de winst-en-verliesrekening, tenzij
de verhoging via het totaalresultaat ten gunste van een herwaarderingsreserve kan worden gebracht en
voor zover destijds het verlies ten laste van een herwaarderingsreserve is gebracht (IAS 36.119,
RJ 121.610-611).

19

Hoe wordt een impairment verlies verwerkt op de balans?

- eerst Goodwill afboeken

- Daarna: pro-rata verwerken over alle activa en kasstroomgenerende eenheden.

20

Wanneer kan de realiseerbare waarde van een actief niet worden bepaald van een individueel actief? en wat dient dan vastgesteld te worden?

• het actief geen kasontvangsten bij voortgezet gebruik genereert die in hoge mate losstaan van
andere activa; en

• de bedrijfswaarde naar verwachting belangrijk afwijkt van de opbrengstwaarde.

In dergelijke gevallen kan de realiseerbare waarde alleen worden bepaald voor de kasstroomgenererende eenheid waartoe het actief behoort.

21

Geef de definitie van een kasstroomgenererende eenheid

Een kasstroomgenererende eenheid is de kleinst identificeerbare groep van activa die kasstromen
genereert bij voortgezet gebruik die in grote mate onafhankelijk zijn van kasstromen van andere activa
of groepen van activa (IAS 36.6, RJ 940)

22

Geef het stappenplan voor een kasstroomgenererende eenheid

1. Bepaal het actief of kasstroomgenererende eenheid waarvoor de realiseerbare waarde wordt bepaald.
2. Bepaal de boekwaarde van de kasstroomgenererende eenheid (incl. allocatie activa, passiva, goodwill en algemene bedrijfsactiva).
3. Schat de bedrijfswaarde
4. schat de opbrengstwaarde
5. Toets of de realiseerbare waarde > boekwaarde
6. Indien realiseerbare waarde < boekwaarde, impairment verlies verwerkt op balans en W&V.