LE16: Vorming van fossiele brandstoffen bekkens Flashcards

1
Q

Wat zijn autotroof organismen?

A

Organismen die hun voedsel produceren met behulp van fotosynthese, zijn autotroof. Dit wil zeggen dat zij voor hun stofwisseling in hoge mate onafhankelijk zijn van andere organismen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Wat zijn saprofytische organismen?

A

De belangrijkste heterotrofe organismen zijn niet de dieren, maar de saprofytische microorganismen. Dit zijn organismen, vooral bacteriën en schimmels, die hun voedingsstoffen verkrijgen via de afbraak van afgestorven organisch materiaal. Hierbij ontstaat weer CO2.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Welke groep organismen vormen de belangrijkste component van de aquatische biomassa?

A

Fytoplankton: dinoflagellaten, coccolithoforen en diatomeeën.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Waardoor karaktariseren vaatplanten zich?

A

Vaatplanten worden gekarakteriseerd door gespecialiseerd vaatweefsel waarmee onder andere voedingsstoffen door de plant worden vervoerd en dat ook stevigheid aan de plant geeft. Door dit weefsel zijn de planten in staat om zowel omhoog, als naar beneden (de bodem in) te groeien.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Waardoor nam de terrestrische biomassa flink toe ten opzichte van de aquatische?

A

Vanaf het Laat-Devoon worden de vegetaties gedomineerd door bomen. Boomgroei biedt de mogelijkheid voor een langdurige opslag van (dode) biomassa in de vorm van hout, waardoor de hoeveelheid terrestrische biomassa sterk toeneemt en de aquatische biomassa verre overtreft.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Welk proces neemt het grootste gedeelte van het oxidatie proces voor zijn rekening?

A

Verreweg het grootste aandeel in dit oxidatieproces wordt gevormd door de aërobe ademhaling. Hierbij wordt moleculaire zuurstof uit de atmosfeer of uit het water verbruikt.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Welke ‘‘zuurstof-bron’’ wordt er gebruikt als er geen zuurstof aanwezig is in het leef-milieu door verschillende organsimen?

A

Verschillende anaërobe bacteriën gebruiken SO24 − , NO3 , MnO2 of Fe(OH)3 als zuurstofbron. In de bovenste lagen van aquatische afzettingen kunnen vooral de sulfaatreducerende bacteriën een grote rol spelen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Onder welke condities vindt er methanogenese plaats?

A

Indien er ook geen anorganische stoffen als zuurstofbron aanwezig zijn, kunnen anaërobe bacteriën zuurstofhoudende organische verbindingen afbreken tot CO2 en CH4.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Wat zijn de eindproducten van volledige oxidatie van organisch materiaal?

A

Alleen onder aërobe condities wordt organisch materiaal op den duur volledig geoxideerd tot CO2 en H2O.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Ruim 80 procent van de in totaal 125 miljard kilogram organische koolstof komt terecht in de afzettingen van deltasystemen en op het continentale plat. Wat zal de herkomst zijn van dit organisch materiaal?

A

De resten van landplanten worden, evenals minerale-erosieproducten, tot ver in zee getransporteerd. In de gevormde terrigeen-klastische sedimenten mengt dit organisch materiaal zich met resten van de aquatische biomassa. Kwantitatief blijven de landplanten echter domineren.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Wat is een rivierdelta?

A

Een rivierdelta is een stelsel van aftakkingen van een rivier, voordat deze in zee of in een groot meer uitmondt. De stroomsnelheid in een delta is laag, waardoor juist hier materiaal sedimenteert.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Produceert de oceaan over het algemeen veel of weinig organisch materiaal en hoe komt dit?

A

Ondanks hun enorme verspreidingsgebied speelt het merendeel van de oceanische diepzeesedimenten slechts een ondergeschikte rol bij de opvang van organische resten. Over het algemeen bevat oceaanwater te weinig voedingsstoffen om tot een grote productie van organisch materiaal te komen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

In bepaalde gebieden in de oceanen vindt een hogere biologische productie plaats door upwelling, waardoor verschijnen deze upwellings zones?

A

Dergelijke gebieden ontstaan wanneer door verticale circulatie diepere watermassa’s naar de oppervlakte worden gebracht. Dit proces heet upwelling. Dit diepere water is rijk aan minerale voedingsstoffen (stikstof, fosfor) die de biologische productie sterk bevorderen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Wanneer is een watermassa anoxisch?

A

Onder normale mariene condities is er voor de oxidatie van organisch materiaal steeds een overmaat aan moleculaire zuurstof aanwezig. Waterbewegingen zorgen ervoor dat de verbruikte zuurstof steeds weer wordt aangevuld. Er zijn echter gebieden met stagnerende watermasa’s. Daar vindt onvoldoende toevoer van zuurstof plaats: het water wordt anoxisch.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Wat zijn benthonische fauna’s?

A

Benthonische fauna’s, is dierlijk leven op de zeebodem. Het Griekse ‘benthos ‘ betekent bodem

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

Hoe ontstaat (in algemene zin) veenvorming

A

Behoud van plantaardig materiaal is alleen mogelijk als afgestorven organische resten snel onder de (grond)waterspiegel terecht kunnen komen. Dit gebeurt doorgaans als de normale afstroming van water stagneert en er moerassen en ondiepe meren worden gevormd. Het grondwaterpeil blijft gedurende lange tijd gelijk en er kan in het anaerobe milieu veenvorming plaatsvinden.

17
Q

Wat is het verschil tussen hoogveen en laagveen?

A

Bij veenvorming onder de grondwaterspiegel spreekt men van laagveen. In neerslagrijke gebieden kan echter ook boven de grondwaterspiegel veenvorming plaatsvinden. Het gevormde hoogveen (of mosveen) bestaat voornamelijk uit resten van veenmos (Sphagnum). Dit veenmos is in staat grote hoeveelheden regenwater vast te houden in grote intercellulaire holtes

18
Q

Hoe kan de verandering in grondwaterspeiegel veenvomring stageneren of tot een halt roepen?

A

Bij stijging van de grondwaterspiegel kan een moeras verdrinken, waarbij de groei van landplanten wordt beëindigd of zo sterk wordt gereduceerd dat er geen accumulatie van organisch materiaal meer kan plaatsvinden. Bij daling kan een moeras verdrogen.

19
Q

Hoe vindt de accumulatie en compactie van organisch materiaal in venen plaats?

A

Het in veen geaccumuleerde organische materiaal neemt een veel kleiner volume in dan het oorspronkelijke materiaal. Met toenemende diepte, neemt de druk ook toe. Hierdoor wordt het poriënwater uit het organisch materiaal geperst. Ook verdwijnen de gasvormige verbindingen (CO2, CH4) die tijdens de microbiële afbraak worden gevormd. De samendrukking, wordt nog sterker zodra in dalingsgebieden andere sedimenten op een veenlaag zijn afgezet.

20
Q

Wat gebeurt er bij inkoling?

A

Bij inkoling verandert ogranisch materiaal, onder invloed van toenemende temperatuur en druk, geleidelijk naar bruinkool en van bruinkool naar steenkool.

21
Q

Organische sedimenten die in meren zijn gevormd, bestaan vaak geheel of gedeeltelijk uit resten van aquatische algen. Bij inkoling spelen lignineresten van vaatplanten een ondergeschikte rol. Wat voor soort kool wordt hieruit gevormd?

A

In vergelijking met normale kool zijn algenkolen dan ook gekenmerkt door een hoog waterstofgehalte. Een typisch voorbeeld vormt de bogheadkool met gewichtspercentages van circa 83 procent C, 10 procent H en 5 procent O.

22
Q

Chemisch gezien is inkoling in hoofdzaak een polymerisatie, wat bedoelen we hiermee?

A

Polymerisatie is het samenvoegen van kleine koolwaterstoffen tot een lange keten.

Bij inkoling zullen de aromatische zesringen van lignine zich met elkaar en met andere ketens verbinden en waarbij zij ketens met H- en O-atomen afgestoten onder vorming van H2O, CO2 en CH4.

23
Q

Wat is de voornaamste fysische eigenschap die gebruikt wordt om organisch ingekoold materiaal te classifiseren?

A

De voornaamste fysische eigenschappen van het organische materiaal die met behulp van microscopische technieken kunnen worden bepaald, zijn het reflectievermogen en het fluorescentievermogen.

24
Q

In welke drie groepen kunnen we maceralen indelen?

A

De grote hoeveelheid verschillende maceralen kan worden onderverdeeld in drie groepen

– Inertinieten

– Vitrinieten

– Liptinieten

25
Q

Wat is kerogeen?

A

Het onoplosbare organische materiaal in sedimenten noemt men kerogeen.

26
Q

Welke 3 alkaan verbindingen zijn er?

A

n-alkanen, iso-alkanen en cyclo-alkanen.

27
Q

Waar is aardolie een mengsel van?

A

Aardolie is een mengsel van koolwaterstoffen. Dit mengsel bestaat uit vloeibare koolwaterstoffen met de daarin opgeloste vaste en gasvormige verbindingen. In dit mengsel domineren de alkanen.

28
Q

Wat is de maturatie van organisch materiaal bij inkoling?

A

Het organisch materiaal wordt door de inkoling tot aardolie eigenlijk steeds ‘rijper’. We spreken dan ook van maturatie (in het Engels: maturation). De maturiteit (‘rijpheid’) van kerogeen is bepalend voor het al of niet ontstaan van koolwaterstoffen in (potentiële) oliemoedergesteenten.

29
Q

Wat is pyrolyse? En hoe kunnen we hiermee bitumen analyseren?

A

Pyrolyse is een ontleding door verhitting. Via extractie (scheiding van stoffen) kan het bitumen worden geanalyseerd.

30
Q

Een potentieel (olie/gas)moedergesteente kan zich in verschillende maturatiezones bevinden. Welke zones kunnen we onderscheiden?

A

Van boven naar beneden gaande zien we eerst een ‘onrijpe’ (in het Engels: immature) zone. Hier worden slechts weinig koolwaterstoffen gevormd. Er wordt alleen een beetje biogeen methaan gevormd als gevolg van bacteriële afbraak. Daarna volgen drie zones waar respectievelijk voornamelijk olie, ‘nat gas’ en ‘droog gas’ wordt gevormd. De zone met de maximale olievorming wordt vaak aangeduid met de Engelse term oil-window (‘olievenster’).