Week 3 - Hoorcollege Flashcards Preview

G&S aangepast > Week 3 - Hoorcollege > Flashcards

Flashcards in Week 3 - Hoorcollege Deck (16)
Loading flashcards...
1

Wat kan je zeggen over instituties?

Er zijn veel verschillende instituties. Denk aan organisaties, parlement, overheid, grondwet, regels in organisaties, sociale instanties (bv trouwen, je legal position veranderd, maar ook je sociale verwachting). Institutions bepalen je gedrag.

2

Hoe kijkt de institutional theory naar instituties?

Relatief duurzame kenmerken van het politieke en sociale leven, die gedrag structureren en die niet makkelijk of direct kunnen worden veranderd.

3

Wat kan je zeggen over ‘theory incremental (stapsgewijze) change’?

Dingen blijven vaak hetzelfde, gaat over waarom het moeilijk is om te veranderen. Dat het moeilijk is betekent niet dat het niet veranderd over lange tijd.

4

Welke typen van institutional change zijn er?

-Displacement; het verwijderen van bestaande regels en het invoeren van nieuwe regels. Dit is wat beleidsmakers proberen. Het is heel moeilijk, zijn altijd actoren die de bestaande regels belangrijk vinden.

-Layering; het introduceren van nieuwe regels bovenop of naast bestaande regels; Set-up blijft voor het grootste gedeelte hetzelfde, maar er worden dingen aan toegevoegd.

-Drift; veranderde impact van bestaande regels door veranderingen in de omgeving.

-Conversion; De gewijzigde uitvaardiging van bestaande regels door hun strategische herschikking; We hebben bepaalde regels, maar je kan het op meerdere manieren interpreteren omdat het je beter uitkomt.

5

Wat kan je zeggen over institutional work?

Handelingen van actoren om bepaalde instituties te behouden, te veranderen of onderuit te halen; instituties veranderen niet zomaar hier is werk voor nodig. VB: het maken van (nieuwe) afspraken, regels

6

Wat kan je zeggen over institutional work to deal with layering?

• Ziekenhuizen houden zich bezig met institutional work in reactie op hun gelaagde omgeving.

• De raden van bestuur gebruiken layers om meer controle te krijgen over de kwaliteit van zorg.

• Raden van bestuur worstelen met layers; ze moeten zich verhouden tot een gelaagde omgeving (bijvoorbeeld met betrekking tot veel actoren en regeldruk) en de controle hebben over de organisatie. Institutional work in reactie op fragmentatie; bepaalde druk trotseren, kwaliteitsinstrumenten

7

Welke conclusies kan men trekken over layering?

• ‘Institutional arrangements’ zijn belangrijk voor het vaststellen van prikkels en beperkingen voor actie en het bepalen van machtsverhoudingen.

• Het is belangrijk om institutions te bestuderen als je de governance van gezondheidszorg wil begrijpen.

• ‘Institutional change’ (bijv layering) veroorzaakt allerlei dynamieken waarop actoren moeten reageren, maar ook op kunnen beïnvloeden en strategisch worden gebruikt.

8

Wat is volgens Thea Heeren goede governance in de zorgsector?

Zorgverleners hebben drie taken:
1. Veilige en goede kwaliteit van zorg

2. Duidelijke toewijzing van wie verantwoordelijk is voor wat

3. Goed financieel management

9

Wat kan je zeggen over transities in de geestelijke gezondheidszorg?

-Belangrijk is dat men van de AWBZ naar de ZVW is gegaan (2008). Deze verandering was belangrijk voor patiënten, professionals en de board. De veranderingen hadden invloed op alle actoren.

-Overheidsbeleid: aantal bedden in geestelijke gezondheidszorg reduceren met 30% tussen 2011 en 2020.

-Decentralisatie (2015): meer verantwoordelijkheid voor gemeentes (WMO, jeugdwet)

10

Hoe wilde men de kwaliteit in de geestelijke gezondheidszorg verbeteren?

Meer openheid over klachten en incidenten; Healthcare Quality, Complaints and Disputes Act (WKKGZ). Een lagere drempel voor patiënten, verzorgers en familieleden om te klagen.

11

Omschrijf de situatie hoe vroeger gegoverned werd in de geestelijke gezondheidszorg ten opzichte van nu.

Vroeger kreeg de board budget van de care agency en werden ze gecontroleerd op kwaliteit van zorg door de gezondheidsinspectie. Nu zijn er veel meer stakeholders; denk aan gemeenten, verzekeringsmaatschappijen, sociale media, banken etc. Zij proberen hun eigen regels in plaats te krijgen. (ZIE AFBEELDING)

12

Waarom moet je je ‘raison d’être’ kennen?

Belangrijke vragen:
Wat is je visie?
Waar ga je heen?
Als je dat weet is het makkelijker om prioriteiten te stellen wanneer er veranderingen zijn.

13

Welke 9 principes onderscheid Graham Thornicroft?

-Autonomie van patiënten; moet worden bevorderd bij effectieve behandeling en zorg

-Continuïteit; Zowel op korte termijn als lange termijnspespectief

-Effectiviteit; Het vermogen om de bewezen behandelingen en diensten te verlenen in real-life situations.

-Toegankelijkheid; Het vermogen van patiënten om zorg te krijgen waar en wanneer nodig.

-Volledigheid; De mate waarin een dienst wordt verleend gedurende de gehele omvang van ernst van de psychische aandoening, en de gehele omvang van de patiëntkarakteristieken.

-Gelijkheid;

-Verantwoordelijkheid; De verantwoording van een geestelijke gezondheidsinstelling naar patiënten, families en het breder publiek, die allemaal legitieme verwachtingen hebben.

-Coördinatie; een karakteristiek van de dienst die resulteert in samenhangende zorgplannen voor individuele patiënten.

-Efficiëncy; het minimaliseren van de input die nodig is om een bepaald niveau te bereiken, of het maximaliseren van de uitkomst bij een gegeven niveau van input.

14

Waarom is transparantie belangrijk?

-Geen verassingen voor je interne en externe stakeholders en supervisors.
-Actieve communicatiestrategie, vooral tijdens crisis.

15

Waarom is een active translation belangrijk?

Maakt niet uit waar je bent in je organisatie, je hebt altijd een rol in het vertalen om uit te leggen aan de mensen waar je verantwoordelijk voor bent.

16

Welke conclusies kan je stellen voor wat betreft het combineren van theorie en praktijk over layers?

• Zorgsystemen worden steeds meer gelaagd;

o Veel regels en reglementen
o Veel verschillende actoren betrokken (nieuwe actoren als gemeenten, oude actoren die een andere/meer actieve rol spelen, verandering in machtsposities.
o Verschillende logica (professional, market based, media etc.)


• Layering heeft consequenties voor hoe je je werk kan doen als professional, manager, director, supervisor etc.

o Je moet de gelaagde context begrijpen
o Je moet reageren op veranderingen (bv groter financieel risico etc.)


• Layers interact;

o Bv als dingen verkeerd gaan leidt dynamiek vaak tot regeldruk
 

• Institutional context kan actief worden gemanaged;

o Bijvoorbeeld door het bepalen van je visie, prioriteiten stellen waar je je op focust als een zorgorganisatie.


• Institutional work van actoren bepalen hoe beleidsverandering in de praktijk uitpakt;

o Institutional change is een continue proces.