Hoofdstuk 5 Farmactherapie II Flashcards Preview

Medische Terminologie > Hoofdstuk 5 Farmactherapie II > Flashcards

Flashcards in Hoofdstuk 5 Farmactherapie II Deck (277):
1

B-receptor

Receptor met grote affiniteit voor epinefrine = adrenaline en norepinefrine

2

Acne vulgaris

Jeugdpuistjes

3

Adstringentia

Middelen die een beschermende laag op een huid of slijmvlies aanbrengen

4

Aerosol

Verpakkingswijze waarin de werkzame stof wordt verneveld

5

Allergeen

Stof die een allergische reactie kan veroorzaken

6

Allergie

Overgevoeligheid

7

Anaal

Via de anus

8

Anabool

Opbouwend

9

Analgeticum

Pijnstiller

10

Analogon / analoga

Overeenkomende stof

11

Androgenen

Mannelijke Geslachtshormonen

12

Anaestheticum

Verdovend middel

13

Antagonist

Stof met tegengesteld effect

14

Anti emetica

Middelen tegen braken

15

Anti epileptica

Middelen tegen epilepsie

16

Antiarrhythmicum

Geneesmiddelen tegen hartritmestoornissen

17

Antibiotica

Stoffen die door micro-organismen of synthetisch worden gemaakt en een antibacterieel effect hebben.

18

Antichoagulantia

Middelen die bloedstolling voorkomen of behandelen

19

Anticonceptivum

Voorbehoedsmiddel

20

Anticholinergica

Parasympathicolytica

21

Antidepressiva

Middelen tegen depressie

22

Antidiarrhoica

Middelen tegen diarree

23

Antiflogistica

Middelen die ontstekingen remmen

24

Antiflogistisch

Ontstekingsremmend

25

Antigeen

Lichaamsvreemde stof, die een reactie kan opwekken in het lichaam

26

B- Blokker

Sympathicolyticum met effect op de B-receptoren

27

Antihypertensiva

Middel tegen hypertensie

28

Anti inflammatoir

Ontstekingsremmend

29

Antimycotium

Middel tegen schimmels

30

Antiprozoicum

Middel tegen infecties met eencellige organismen

31

Antipruritica

Middel tegen jeuk

32

Antipyretica

Middel die koorts dempen

33

Antirheumatica

Middel die een onderdrukkende werking hebben op reumatische verschijnselen, pijn, ontstekingen

34

Antithrombotica

Middelen die trombose = bloedstolling in een intact bloedvat voorkomen

35

Antitussiva

Hoestprikkelremmende stoffen

36

Applicator

Toedieningshulpmiddel

37

Arrhythmia

Ritmestoornis ook wel aritmie

38

Bactericide

Bacteriedodend

39

Bacteriostatisch

Bacterieremmend

40

Bloedspiegel

Hoeveelheid geneesmiddel per hoeveelheid 100 ml bloed

41

Bronchus mv bronchi

Een van de twee hoofdvertakkingen van de luchtpijp

42

Cardiaca

Middelen met een effect op het hart

43

Cervix

Baarmoederhals

44

Chronotroop

Betreffende de contractiefrequentie van het hart

45

Congestie

Stuwing, zwelling

46

Constipatie

Verstopping, obstipatie

47

Contra indicatie

De reden waarom een geneesmiddel niet gebruikt mag worden

48

Cumulatie

Opstapeling van stoffen in het lichaam

49

Curatief

Genezend

50

Cytostaticum

Celgroeiremmend middel bij kanker

51

Decongestiva

Middelen met een ontzwellend effect

52

Defecatie

Lozen van ontlasting

53

Dehydratie

Uitdroging

54

Diurese

Urineproductie

55

Diureticum

Urine afdrijvend middel, plasmiddel

56

Dyspneu

Kortademigheid

57

Dyspnoe

Kortademigheid

58

Dyspnoea

Kortademigheid

59

Eczeem

Chronische huidontsteking

60

Emollientia

Middelen die de slijmvliezen verzachten, en daardoor hoesten minder pijnlijk maakt

61

Endogeen

Van binnenuit

62

Enteraal

Toedieningsweg via de tractus digestivus

63

Enteric coated

Orale toedieningsvorm, waarbij de wand van de dragee de inhoud tegen maagsap beschermt en pas in de darm uiteenvalt

64

Epilepsie

Vallende ziekte

65

Expectorantia

Middelen die het hoesten vergemakkelijken door het slijm minder taai te maken

66

Farmacotherapie

Behandeling met geneeskunde

67

Farmaca

Geneesmiddelen

68

Follikel

Eiblaasjes

69

Fungi

Schimmels

70

Genitalia

Geslachtsorganen

71

Glucocorticoid

Hormoon geproduceerd door de bijnierschors

72

Haemostaticum

Middel dat de bloedstolling bevordert

73

Halfwaardetijd

Tijd waarin de hoeveelheid beschikbare geneesmiddelen in het bloed tot de helft afneemt

74

Hyperfunctie

Te strek werkend

75

Hypnoticum

Slaapmiddel

76

Hypofunctie

Te zwak werkend

77

Hypoglykemie

Te laag glucosegehalte in het bloed

78

Immunomodulantia

Stoffen die het immunologische systeem beïnvloeden

79

Immuun

Ongevoeligheid van de mens voor micro-organismen

80

Implantatie

Onderhuids een geneesmiddeldepot of hulpmiddel aanleggen

81

Incubatietijd

Tijdsverloop tussen besmetting en ziekteverschijnselen

82

Indicatie

Reden waarom men een geneesmiddel neemt

83

Infertiliteit

Onvruchtbaarheid

84

Infestatie

Invasie van dierlijke organismen bv. Een worm

85

Infuus

Intraveneuze toedieningsvorm van vocht met of zonder geneesmiddel

86

Inhalatie

Per inademing

87

Inotroop

Betreffende contractiekracht van het hart

88

Insufficiëntie

Onvoldoende werking

89

Insult

Aanval van epilepsie

90

Intermitterend

Afwisselend

91

Intra - arterieel

In de slagader

92

Intra -articulair

In het gewricht

93

Intracardiaal

In het hart

94

Intracutaan

In de huid

95

Intramusculair

In de spier

96

Intrathecaal

Binnen de hersenvliezen

97

Intraveneus

In de vene

98

Keratolytica

Middelen die de hoornlaag van de huid verweken

99

Laxans

Middel om de stoelgang te bevorderen (meervoud laxantia)

100

Lipide

Vet

101

Lokale werking

Plaatselijke werking

102

Manische depressie

Psychiatrische ziektebeeld met afwisselende overdreven opgewektheid en grote somberheid

103

Memopauze

Hormonale overgangsfase bij de vrouw

104

Mineralocorticoid

Hormoon geproduceerd door de bijnierschors

105

Mycose

Schimmelinfectie

106

Mydriaticum

Pupilverwijdende stof

107

Mioticum

Pupil vernauwende stof

108

Narcose

Algehele verdoving

109

Nervus vagus

Tiende hersenzenuw

110

Neurolepticum

Stof die de werking van het centrale zenuwstelsel onderdrukken

111

Neurotroop

Met effect op het zenuwstelsel

112

NSAID's niet steroïd anti inflammatoir middelen bv prostaglandinesyntheseremmers

NSAID's niet steroïd anti inflammatoir middelen bv prostaglandinesyntheseremmers

113

Obstipatie

Abnormale lage frequentie van defecatie met harde ontlasting

114

Oestrogeen

Vrouwelijke Geslachtshormonen

115

Oncolyticum

Celgroeiremmend middel bij kanker

116

Opioiden middelen met dempende werking op centraal zenuwstelsel

Opioiden middelen met dempende werking op centraal zenuwstelsel

117

Oraal

Via de mond

118

Otitis media

Middenoorontsteking

119

Ovarium

Eierstok

120

Ovulatie

Eisprong

121

Ovulum

Eitje

122

Parasympathicus

Onderdeel van autonoom zenuwstelsel dat zorgt voor de stofwisseling en opbouw van lichaamsreserves

123

Parenteraal

Toedieningsweg niet via de tractus digestivus

124

Peristaltiek

Kneedbeweging van de maag en darm waardoor de voedselbrij wordt voortgeduwd

125

Placebo

Schijn medicijn waarin geen werkzame stof zit

126

Placenta

Moederkoek

127

Progestagenen

Vrouwelijk Geslachtshormonen

128

Protectiva

Middelen met beschermende werking

129

Pruritus

Jeuk

130

Psychofarmaca

Stoffen die werking hebben op het geestelijk functioneren

131

Pyrogeen

Koortsverwekkende stof

132

Rectaal

Via het rectum

133

Resistent

Weerstand bieden ongevoelig

134

Resorptie

Opname van een geneesmiddel uit de darm in het bloed

135

Secretie

Afscheiding

136

Sedativum

Rustgevende stof

137

Sedering

Kalmering

138

Sensibilisatie

Het ontstaan van een ongevoeligheid bij herhaald gebruik van de stof

139

Serum

Oplossing van antistoffen ook bloed zonder bloedcellen en fibrinogeen

140

Sinusitis

Ontsteking van de bijholtes

141

Spasme

Kramptoestand

142

Specialité

Geneesmiddel met een gedeponeerd merknaam

143

Spectrum

Bij een antibiotica , bacteriesoorten waar tegen een antibioticum effectief is

144

Steriel

Zonder aanwezigheid van micro-organismen

145

Subcutaan

Onder de huid

146

Sublinguaal

Onder de tong

147

Suppleren

Aanvullen

148

Suppositorium

Zetpil

149

Sympathicolyticum

Stof die de werking van het sympathische zenuwstelsel kan opheffen

150

Sympathicomimeticum

Stof die de werking van het zenuwstelsel versterkt

151

Sympathicus

Onderdeel van autonoom zenuwstelsel dat zorgt in situatie van stress en noodgevallen voor verhoogde prestaties

152

Synergisme

Tegenovergestelde van antagonisme bij twee geneesmiddelen dat het effect groter is dan de som van effecten van de afzonderlijke middelen

153

Systemisch

Algemeen, in het hele lichaam

154

Testosteron

Mannelijk Geslachtshormonen

155

Trombus

Bloedstolsel

156

Thyromimetica

Stof met een stimulerende werking op de schildklier

157

Thyrostatica

Stof met een remmende werking op de schildklier

158

Trombocytenaggregatieremmers

Middelen die aan elkaar plakken van bloedplaatjes tegen gaan

159

Tonus

Spierspanning

160

Topisch

Lokaal, ter plaatse

161

Toxisch

Giftig

162

Tranquillizers

Kalmerend middel

163

Tremor

Beving

164

Ulcus ventriculi

Maagzweer

165

Uterus

Baarmoeder

166

Uterustonica

Middelen die de tonus van de uterus verhogen

167

Vaccin

Oplossing van gedode of verzwakte ziektekiemen of toxinen

168

Vaginaal

Via de vagina

169

Vasodilatatie

Vaatverwijding

170

Vehiculum

Draagstof

171

Virustatica

Middel dat de groei van virussen remt

172

Farmacotherapie

Behandeling met geneeskunde

173

Farmaca

Geneesmiddelen

174

Follikel

Eiblaasjes

175

Fungi

Schimmels

176

Genitalia

Geslachtsorganen

177

Glucocorticoid

Hormoon geproduceerd door de bijnierschors

178

Haemostaticum

Middel dat de bloedstolling bevordert

179

Halfwaardetijd

Tijd waarin de hoeveelheid beschikbare geneesmiddelen in het bloed tot de helft afneemt

180

Hyperfunctie

Te strek werkend

181

Hypnoticum

Slaapmiddel

182

Hypofunctie

Te zwak werkend

183

Hypoglykemie

Te laag glucosegehalte in het bloed

184

Immunomodulantia

Stoffen die het immunologische systeem beïnvloeden

185

Immuun

Ongevoeligheid van de mens voor micro-organismen

186

Implantatie

Onderhuids een geneesmiddeldepot of hulpmiddel aanleggen

187

Incubatietijd

Tijdsverloop tussen besmetting en ziekteverschijnselen

188

Indicatie

Reden waarom men een geneesmiddel neemt

189

Infertiliteit

Onvruchtbaarheid

190

Infestatie

Invasie van dierlijke organismen bv. Een worm

191

Infuus

Intraveneuze toedieningsvorm van vocht met of zonder geneesmiddel

192

Inhalatie

Per inademing

193

Inotroop

Betreffende contractiekracht van het hart

194

Insufficiëntie

Onvoldoende werking

195

Insult

Aanval van epilepsie

196

Intermitterend

Afwisselend

197

Intra - arterieel

In de slagader

198

Intra -articulair

In het gewricht

199

Intracardiaal

In het hart

200

Intracutaan

In de huid

201

Intramusculair

In de spier

202

Intrathecaal

Binnen de hersenvliezen

203

Intraveneus

In de vene

204

Keratolytica

Middelen die de hoornlaag van de huid verweken

205

Laxans

Middel om de stoelgang te bevorderen (meervoud laxantia)

206

Lipide

Vet

207

Lokale werking

Plaatselijke werking

208

Manische depressie

Psychiatrische ziektebeeld met afwisselende overdreven opgewektheid en grote somberheid

209

Memopauze

Hormonale overgangsfase bij de vrouw

210

Mineralocorticoid

Hormoon geproduceerd door de bijnierschors

211

Mycose

Schimmelinfectie

212

Mydriaticum

Pupilverwijdende stof

213

Mioticum

Pupil vernauwende stof

214

Narcose

Algehele verdoving

215

Nervus vagus

Tiende hersenzenuw

216

Neurolepticum

Stof die de werking van het centrale zenuwstelsel onderdrukken

217

Neurotroop

Met effect op het zenuwstelsel

218

NSAID's niet steroïd anti inflammatoir middelen bv prostaglandinesyntheseremmers

NSAID's niet steroïd anti inflammatoir middelen bv prostaglandinesyntheseremmers

219

Obstipatie

Abnormale lage frequentie van defecatie met harde ontlasting

220

Oestrogeen

Vrouwelijke Geslachtshormonen

221

Oncolyticum

Celgroeiremmend middel bij kanker

222

Opioiden middelen met dempende werking op centraal zenuwstelsel

Opioiden middelen met dempende werking op centraal zenuwstelsel

223

Oraal

Via de mond

224

Otitis media

Middenoorontsteking

225

Ovarium

Eierstok

226

Ovulatie

Eisprong

227

Ovulum

Eitje

228

Parasympathicus

Onderdeel van autonoom zenuwstelsel dat zorgt voor de stofwisseling en opbouw van lichaamsreserves

229

Parenteraal

Toedieningsweg niet via de tractus digestivus

230

Peristaltiek

Kneedbeweging van de maag en darm waardoor de voedselbrij wordt voortgeduwd

231

Placebo

Schijn medicijn waarin geen werkzame stof zit

232

Placenta

Moederkoek

233

Progestagenen

Vrouwelijk Geslachtshormonen

234

Protectiva

Middelen met beschermende werking

235

Pruritus

Jeuk

236

Psychofarmaca

Stoffen die werking hebben op het geestelijk functioneren

237

Pyrogeen

Koortsverwekkende stof

238

Rectaal

Via het rectum

239

Resistent

Weerstand bieden ongevoelig

240

Resorptie

Opname van een geneesmiddel uit de darm in het bloed

241

Secretie

Afscheiding

242

Sedativum

Rustgevende stof

243

Sedering

Kalmering

244

Sensibilisatie

Het ontstaan van een ongevoeligheid bij herhaald gebruik van de stof

245

Serum

Oplossing van antistoffen ook bloed zonder bloedcellen en fibrinogeen

246

Sinusitis

Ontsteking van de bijholtes

247

Spasme

Kramptoestand

248

Specialité

Geneesmiddel met een gedeponeerd merknaam

249

Spectrum

Bij een antibiotica , bacteriesoorten waar tegen een antibioticum effectief is

250

Steriel

Zonder aanwezigheid van micro-organismen

251

Subcutaan

Onder de huid

252

Sublinguaal

Onder de tong

253

Suppleren

Aanvullen

254

Suppositorium

Zetpil

255

Sympathicolyticum

Stof die de werking van het sympathische zenuwstelsel kan opheffen

256

Sympathicomimeticum

Stof die de werking van het zenuwstelsel versterkt

257

Sympathicus

Onderdeel van autonoom zenuwstelsel dat zorgt in situatie van stress en noodgevallen voor verhoogde prestaties

258

Synergisme

Tegenovergestelde van antagonisme bij twee geneesmiddelen dat het effect groter is dan de som van effecten van de afzonderlijke middelen

259

Systemisch

Algemeen, in het hele lichaam

260

Testosteron

Mannelijk Geslachtshormonen

261

Trombus

Bloedstolsel

262

Thyromimetica

Stof met een stimulerende werking op de schildklier

263

Thyrostatica

Stof met een remmende werking op de schildklier

264

Trombocytenaggregatieremmers

Middelen die aan elkaar plakken van bloedplaatjes tegen gaan

265

Tonus

Spierspanning

266

Topisch

Lokaal, ter plaatse

267

Toxisch

Giftig

268

Tranquillizers

Kalmerend middel

269

Tremor

Beving

270

Ulcus ventriculi

Maagzweer

271

Uterus

Baarmoeder

272

Uterustonica

Middelen die de tonus van de uterus verhogen

273

Vaccin

Oplossing van gedode of verzwakte ziektekiemen of toxinen

274

Vaginaal

Via de vagina

275

Vasodilatatie

Vaatverwijding

276

Vehiculum

Draagstof

277

Virustatica

Middel dat de groei van virussen remt