Hoorcollege 8: Angststoornissen Flashcards

1
Q

impact coronapandemie op angst

A

prevalentie angst en depressieve symptomen met 25% toegenomen
risicofactoren verhoogd, beschermingsfactoren verlaagd

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Wat zijn overeenkomsten tussen de verschillende angststoornissen

A

excessieve angst/vrees met daaraan gekoppelde gedragsverstoringen
vrees: emotionele reactie op daadwerkelijke directe dreiging
angst: anticiperen op toekomstige dreiging/gevaar
–> niet toe te schrijven aan fysiologische effecten (medicatie/middel)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Wat is hetgeen dat angststoornissen onderscheid

A

hetgeen dat vermeden word
inhoud van de bijbehorende gedachten/overtuigingen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Specifieke fobie

A

7.4% lifetime prevalentie
onstaat op jonge leeftijd
60% heeft een comorbide stoornis
vaak lijden ze al meerdere jaren
wel herkenning van excessieviteit van reactie maar niet van dreiging

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Onstaan van Specifieke fobie

A

moeilijk om precies de reden van ontstaan te weten, maar:
ervaren van traumatische gebeurtenis
informatieoverdracht
observationeel leren

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

GAS vs Normale zorgen

A

makkelijk te stoppen/los te laten
minder doordringend en uitgesproken
minder frequent en van korte duur
vaker met een reden/aanleiding
minder verscheidenheid aan onderwerpen
minder waarschijnlijk dat er fysieke symptomen zijn

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Waarom blijven zorgen bestaan?

A

volgens metacognitieve model van gas:
trigger (wat als gedachten)
positieve meta-cognitie/overtuiging (piekeren nuttig)
**type 1 piekeren **(copingsmechanisme voor intrusie)
negatieve meta cognitie/overtuiging (piekeren gevaarlijk/oncontroleerbaar)
type 2 piekeren (piekeren over piekeren
–> met behandeling leren piekeren onder controle te krijgen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Cognitieve model van SAS: theorie

A

Aanamens ontstaan door vroegere negatieve ervaringen waarbij:
anderen je kritisch hebben beoordeeld
het belangrijk was dat mensen je aardig vonden
bepaalde overtuigingen als consequentie hadden dat mensen je anders zagen
ongeconditioneerde negatieve overtuigingen over jezelf

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Cognitieve model van SAS
(stappen)

A
  1. sociale situatie
  2. mentale representatie vanuit het perspectief van het publiek >dit vormt je baseline image
  3. multiple task paradigm
  4. vergelijken van image met verwachtingen/standaard van publiek
  5. overschatting van beoordeling en negatieve consequenties hiervan
  6. angstreacties: vluchten/vermijdengedrag, fysiologische respons, negatieve interne dialoog
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Cognitieve model van SAS: achteraf

A

rumineren over eigen gedrag en reacties van anderen, hierdoor verlies je overzicht en interfereert met effectieve coping

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Paniekstoornis

A

terugkomende onverwachte paniekaanvallen, grote verscheidenheid in ernst en frequentie van aanvallen
–> soms duurt het jaren tussen de episodes

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Paniekcirkel van Clark

A
  1. interne/externe prikkel
  2. verschil in lichamelijke sensatie
  3. complete misinterpretatie
  4. angst en vrees
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Hoe werkt CBT met angststoornissen

A

percepties veranderen
1. Wat voelen we en hoe verandert die hoe we hierop reageren en denken
2. wat denken we en hoe verandert dit hoe we hierop reageren voelen
3. wat doen we dat verandert hoe we hierover denken en voelen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Exposure en Responspreventie (ERP)

A

patienten blootstellen aan de stimuli die angst oproepen, hierdoor leren ze dat:
1. angst neemt altijd af (habituatie)
2. de gevreesde uitkomst gaat niet gebeuren
3. als het wel gebeurt kunnen ze het aan

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly