Gegeneraliseerde angststoornis
Hoofdkenmerk: overmatige anxiety en onbeheersbare zorgen (worry) over een aantal gebeurtenissen of activiteiten.
- Zijn minstens 6 maanden aanwezig en moeilijk onder controle te houden.
- Piekeren komt ook voor in andere stoornissen, maar het is intenser en frequenter bij individuen met GAD.
- Meer moeite met emotieregulering. Dit komt mogelijk door een verminderde of versterkte connectie tussen de amygdala en prefrontale cortex, wat leidt tot onder- of overmatige emotionele regulatie.
- Ze gebruiken zorgen om anxiety te ondersteunen als reactie op een potentiële bedreiging en verzachten zo een directe angstrespons (minder amygdala-activiteit).
- Sterkere connectie tussen frontale kwab en limische systeem.
- Hoog scoren op neuroticisme; lijkt erfelijke risicofactor te zijn. -> GAD-individuen zijn eerder geneigd tot negatieve emotionele reactiviteit.
- GAD wordt het sterkst voorspeld door hogere negatieve emotionele intensiteit en moeite om effectieve emotieregulatie-strategieën te gebruiken.
diagnose en symptomen GAD
oorzaken en in stand houdende factoren -> negatief valentiesysteem in GAD
oorzaken en in stand houdende factoren -> cognitieve systemen in GAD
Angststoornissen worden over het algemeen vaak geassocieerd met informatieverwerking
biases waarbij de aandacht uitgaat naar bedreigingen. Dit geldt ook voor GAD. Ook hebben
GAD-individuen een sterkere neurale reactie op fouten wat mogelijk hun angst faciliteert door
hun eigen of andermans mislukkingen te benadrukken.
Cognitieve biases die optreden zijn:
● Selectieve aandacht voor bedreigende stimuli: door deze aandachtsbias gaat de
aandacht weg van veilige informatie en naar informatie toe die een mogelijke bedreiging
vormt.
→ Hierdoor worden zorgen uitgelokt, deze zorgen verhogen nog meer de neiging
om de aandacht naar bedreigende stimuli te richten. Er ontstaat een vicieuze
cirkel.
● Negatieve interpretaties van stimuli: dubbelzinnige informatie wordt eerder als
negatief en bedreigend opgevat. Dit kan leiden tot foute beoordelingen.
● Gebrek aan cognitieve controle: piekeren kan leiden tot uitputting van het vermogen
om je aandacht en het werkgeheugen te controleren.
● Interferentie met cognitieve vermogens: het piekeren is erg belastend voor het
werkgeheugen, hierdoor blijft er minder vermogen over voor andere taken.
● Overtuigingen die GAD in stand houden: de persoon vindt het zorgen maken iets
positiefs, omdat diegene dan bewust is van de gevolgen. Daarnaast kan de persoon zich
ook zorgen maken over het feit dat hij of zij zich zorgen maakt, dit houdt het piekeren in
stand.
Neurowetenschap heeft aangetoond dat er bij GAD-individuen sprake is van verlaagde activiteit
in de prefrontale cortex (PFC) en de anterior cingulate cortex (ACC). Hierdoor treedt er bij
piekeren een vergrote angstreactie op.
oorzaken en in stand houdende factoren -> positieve valentiesystemen
oorzaken en in stand houdende factoren -> arousal en regulatiesystemen in GAD
oorzaken en in stand houdende factoren -> sociale processen in GAD
moduleren van angst en stress
-> Uit onderzoek is gebleken dat GAD-individuen een verhoogde activatie in de bed nucleus van de stria terminalis (BNST) vertonen en een verlaagde amygdala-activiteit. Het BNST-gebied is betrokken bij de angstreactie, en de amygdala bij de stressreactie. Kortom, individuen met GAD vertonen versterkte angstreacties op bedreigende stimuli, en dit leidt mogelijk tot ongepaste coping strategieën zoals piekeren.