Hoofdstuk 3 - Individuele Variatie En Interacties Flashcards

1
Q

Farmacokinetische variatie

A

Verschil in concentratie op plaats van werking

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Farmacodynamische variatie

A

Verschil in fysiologische antwoorden

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Variaties

A

Meestal is de variabiliteit kwantitatief, soms echter kwalitatief –> idiosyncratische reacties

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Idiosyncrasie

A

Het optreden van kwalitatief afwijkende, schadelijke en soms fatale reacties op een farmacon in een kleine minderheid van de populatie

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Genetische factoren

A
  • Meestal is biotransformatie de voornaamste oorzaak van variatie –> zeer variabele klaringen voor warfarine, TCA, anti-epileptica, benzodiazepines en anti-aritmica –> gevolg: sterke verschillen in plasmaspiegels voor eenzelfde dosis bij verschillende personen
  • Interindividuele verschillen meestal multifactorieel/polygenetisch
  • Continue frequentieverdeling (Gauss) van afbraakparameters (halfwaardetijd) of plasmaspiegels van GM binnen een populatie
  • Soms discontinue verdeling met 2 populaties: personen met een normaal of traag metabolisme
  • Binnen elke subklasse wel een continue variatie
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Farmacokinetische veranderingen bij ziekte

A
  • Minder biotransformatie en meer kans op bijwerkingen bij levercirrose en portable hypertensie en tijdens hypothermie
  • Verminderde excretie bij acuut of chronisch nierfalen (digoxine, gentamicine, lithium)
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

GM interacties: Farmacodynamische interactie

A
  • Rechtstreeks op het effect zelf
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

GM interacties: Farmacokinetische interactie

A

Absorptie:

  • Vloeibare paraffine en colestyramine vertragen absorptie van vetoplosbare farmaca (warfarine, digoxine) en vitaminen (A,D,E,K)
  • MAO-I remmen afbraak monoaminen zoals tyramine door MAO in de hersenen, maar ook in de darmmucosa. Tyramine wordt minder afgebroken in de mucosa en wordt meer geabsorbeerd –> hypertensieve opstoten
  • Toevoegen VC (adrenaline) bij lokale anesthesie vertraagt de absorptie van lokale anesthetica –> verlengde lokale werking

Interacties: enzyminductie:

  • Veel producten induceren CYP-450 –> verlagen farmacologisch effect van GM. Ook GSH- en glucuronyltransferase kunnen geïnduceerd worden
  • Inductoren: barbituraten (fenobarbital), ethanol, fenytoïne, carbamazepine, rifampicin, st-janskruid, …
  • Inductie is dosis-afhankelijk en de inductor stimuleert meestal zijn eigen afbraak –> werking farmacon vermindert geleidelijk (tolerantie)
  • Verhogen ook afbraak andere farmaca welke door dezelfde enzymen gemetaboliseerd worden –> warfarine, corticoïden, cyclosporine en orale anticonceptiva (minder werkzaam!)

Interacties: enzyminhibitie
* Cimetidine en steroïden remmen de afbraak van meerdere farmaca –> warfarine, fenytoïne en theofylline

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly