DCD Flashcards

(47 cards)

1
Q

DCD

A
  1. developmental coordination disorder
    - te weinig herkend = te weinig gediagnosticeerd
    - 5-6% van kinderen tussen 5-11j
    - 2-3% = ernstige gevolgen in ADL & school
  2. manifestatie
    - problemen stapelen op bij ouder worden
    - door hogere complexiteit omgeving bij ouder worden
    - belang vroegtijdig ingrijpen
  3. comorbiditeiten = 50% hebben ook
    - ADHD
    - ADD
    - ASS
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

kader van DCD

A
  1. aandoening
    - neuro-ontwikkelingsstoornis
    - aantasting in hersenen
    - gebieden nog niet gekend
    - genetische bepaald
  2. gevolg hersenen
    - integriteit
    - maturiteit
    - capaciteit
  3. gevolg functie
    - fysiek
    - cognitief
    - emotioneel
  4. gevolg ADL
    - fysiek & sociale omgeving minder exploreren
    - voorwaarde voor leren
    - gedaalde ontwikkeling van andere functies
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

DCD criteria

A
  1. A motorische vaardigheden onder niveau
    - verwacht via leeftijd
    - leren & uitvoeren van vaardigheden beperkt
    - rekening houden wat kind in verleden heeft gehad
    –> beperkingen ondanks mogelijkheid aanwezig was
  2. B significante belemmering bij ADL
    - door motorische vaardigheid
    - invloed op school, beroep & vrije tijd
    - afh. van ernst & draagcapaciteit omgeving
    - moeilijk om vast te stellen
  3. C exclusie = geen beter verklaring door andere pathologie
    - verstandelijke-ontwikkelingsstoornis
    - genetische aandoening
    - sensorieel = visus & vestibulum
    - neurologische aandoeningen
  4. D begin symptomen
    - vroege ontwikkelingsperiode
    - wilt niet zeggen dat hier al diagnose moet zijn
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

bevestigen van criteria

A
  1. EACD
    - european academy of childhood disability
    - veranderd volgorde van bevestiging
    - D = arts = eerst context van kind & kalender leeftijd evalueren
    - C = arts = uitsluiten van mogelijke oorzaken
    - B & A = kinesitherapeut = zie verder
  2. betrokken personen
    - EACD = niet altijd arts betrokken
    - nedelands richtlijnen = arts is noodzakelijk
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

bevestigen van criteria A

A
  1. typische kenmerken
    - houterige beweging
    - vaak vallen
    - trage uitvoering
    - onnauwkeurige uitvoering
  2. vragenlijst = DCD-Q
  3. test
    - M-ABC-2
    - 3-16j
    - <P5 bij subschaal
    - <P15 bij volledige schaal
    - BOT 2 is ook mogelijk
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

percentiel & standaardscores

A
  1. percentiel scores
    - horizontaal verdeeld = niet normale distributie
    - niet in onderzoek kunnen gebruiken
  2. standaard scores
    - scores op voorhand bepaald
    - vb: IQ & VMI
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

bevestigen van cirterium B

A
  1. anamnese & onderzoek
    - activiteiten leeftijdsadequaat
    - invloed op ADL
  2. vragenlijst = DCD-daily-Q
  3. test
    - DCD-daily
    - SOS
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

vragenlijsten DCD

A
  1. leerkrachten
    - VMVK vragenlijst voor leekrachten over motorische vaardigheden van kleuter
    - GMO Groninger Motoriek Observatie schaal
  2. ouders
    - CVO coördinatievragenlijst voor ouders
    - DCD-daily-Q
    - little DCD-Q = normering voor België
  3. kind
    - CBSK competentie-belevingsschaal voor kinderen
    - CBSA voor adolescenten
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

bevestigen van criterium D

A
  1. jonge leeftijd
    - vaak al kwalitatief dingen te zien
    - vanaf 6m zien ouders al iets
  2. diagnose op 3-5j
    - MABC niet betrouwbaar voor 5j
    - pas zekerheid bij ernstige motorische beperking als MABC < P5
    - 2x uitvoeren in 3m tijd
    - grote variatie normale motorische ontwikkeling op jonge leeftijd
  3. gevolg
    - voor 5j = “mogelijke” DCD diagnose
    - echter mag na 3j wel al interventie gestart worden
    - pas op 5j echte diagnose
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

IQ bij DCD

A
  1. algemeen
    - geen voorwaarde
    - onderscheid DCD & verstandelijk beperking = discussie
  2. gevolg
    - IQ lager dan 70
    - motorische beperkingen toeschrijven aan verstandelijke beperking
    - geen diagnose DCD mogelijk
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

kaders voor evaluatie kind

A
  1. gebruik van 2 kaders
    - ICF
    - dynamische systeemvisie op motorische controle
    - integratie van beide
  2. ICF
    - sinds 2007 ICF-CY = ICF for children & youth
    - therapie gericht op activiteit & participatie
  3. dynamische systeemvisie
    - voor activiteiten die beperkt zijn
    - evaluatie interactie individu, taak & omgeving
    - ook bepaald door tijd & leeftijd
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

evaluatie van het kind

A
  1. onderzoek & anamnese
    - thuis & gezin
    - telefonisch/vragenlisjt naar school
    - vrijetijd
  2. activiteiten
    - ADL = zelfredzaamheid, schrijven, …
    - vragenlijsten
    - foto-interview voor kind zelf
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

evaluatie van motoriek

A
  1. algemeen
    - mijlpalen
    - basis motorische vaardigheden
    - gespecialiseerde vaardigheden
    - bepaalt geen doelen van therapie!
  2. algemene tests
    - M-ABC-2 = diagnose
    - PDMS-2
    - Beery VMI
    - BOT-2
  3. specifieke tests
    - DCD-daily
    - WRITIC writing readiness inventory tool in context
    - SOS-2VL
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

onderzoek van functies

A
  1. algemeen
    - enkel indien onderliggend probleem voor activiteiten zijn
    - grote heterogeniteit = belang van specifieke beperking in kaart brengen
    - testen selecten afh van hypothese
  2. heterogene aandoening
    - vooral fijne motoriek
    - vooral grove motoriek
    - zowel fijne & grove motoriek
    - vooral balans
  3. meest voorkomend
    - hypotonie
    - coördinatie
    - evenwicht
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

algemeen therapie

A
  1. interventie
    - geen genezing
    - stimuleren van motorische ontwikkeling
    - pedagogische & pyschologische zorg van kind
  2. type interventie
    - taakgericht beter dan proces gericht
    - procesgericht = aanpak van onderliggende pathologie
    - taak gericht = aanpak van beperkte taken
  3. individueel
    - individuele behandeling niet altijd noodzakelijk
    - indivdueel extra ondersteuning wel
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

toenemen van klachten doorheen leeftijd

A
  1. algemeen
    - toenemde complexiteit
    - hogere invloed op pyschisch welzijn
    - leidt tot secundaire problemen
    - kind goed doen voelen = eerste doel
  2. aanpak
    - bespreken van DCD met kind = boekjes op kinder maat
    - realistisch zelfbeeld vormen
    - leren omgaan met motorische beperkingen = coping + compensaties
  3. psychomotoriek
    - goed doen voelen door beweging
    - veel succes ervaringen
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
17
Q

omgaan met ouders

A
  1. onderzoek
    - waarover bezorgd
    - hoe vergelijking met andere kinderen
    - hoe zij motorische problemen kaderen
    - draagkracht in kaart brengen
  2. oudertraining
    - informeren = beter plaatsen van diagnose
    - kind ondersteunen in zelf beter te plaatsen
    - cognitieve leerstrategiën
  3. buiten kine interventie
    - vaak bij DCD doorverwijzing nodig
    - vaak coaching & motivatie van omgeving nodig
    - maatrelen samen met school op stellen
    - tips compensaties & hobby’s
    - afhankelijk van draagkracht omgeving
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
18
Q

procesgerichte interventie

A
  1. algemeen
    - verleden = geen significant resultaat
    - gericht op functies ICF
    - vermoeden van motorische beperking aan grondslag van cogntieve beperking
    –> hoop op verbetering motoriek ≈schoolprestatie
  2. SIT sensory integration therapy
    - doel = leer & gedragsstoornissen behandelen
    - organisatie van sensorisch informatie in brein
    - gaan uit van neuraal verband sensoriek & cogntie
  3. psychomotorische therapie
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
19
Q

pyschomotorische therapie

A
  1. concepten
    - perceptueel motorische programma’s
    - Vojta
    - Domann-Delcato
    - Vallaey & Vandroemme
    - Hendrickstherapie
    - Meskner
    - MOVE
    - Braingym
    - Bodymap
    - RIP reflex inhibiting patterning
    - RIT reflex integratie therapie
    - Bobath-NDT passieve vorm
  2. inhoud
    - geen evidentie
    - werken ook met sensomotorische programma’s
  3. hedendaagse interpretatie psychomotoriek
    - overkoepelende term
    - revalidatie kidneren leer & ontwikkelingsstoornissen
20
Q

modellen voor DCD

A
  1. opties
    - in kaart brengen wat sterkte punten zijn = hier gebruik van maken
    - rekening houden met IQ
    - of kind openstaat voor groepstherapie
  2. principes met evidentie
    - goal-plan-do-check methode = interventie afstellen afh van kind
    - taak-specifieke training = subtaken
    - NTT neuromotor task training
    - CO-OP cognitive orientation to daily occupational performance
    - motor imagery training = promising
21
Q

CO-OP

A
  1. cognitive orientation to daily occupational performance
    - cognitieve vaardigheden gebruiken voor motoriek te verbeteren
    - compensatie voor slechte automatisatie
  2. indicatie
    - CP
    - DCD
    - voor geen intelectuele beperkingen
    - niet aangeraden als standaard therapie
  3. 3 doelen
    - verhogen functionaliteit
    - zelf-gegenereerde cognitieve strategieën aanleren
    - generalisatie & transfer naar nieuwe situaties & activiteiten promoten
22
Q

CO-OP inhoud

A
  1. vaste structuur
    - 12x1u
    - individueel
    - aanwezigheid van ouders
    - 3 vaardigheden aanleren
  2. modellen binnen COOP
    - GPDC goal plan do check
    - DPA dynamic performance analysis
    - guided discovery
23
Q

goal plan do check

A
  1. algemeen
    - cognitieve leerstrategie
    - think aloud-programma
    - methode van Meichenbaum
  2. onderdelen
    - doel indentificeren = wat moet ik doen
    - plan ontwikkelen = hoe ga ik dit doen
    - plan uitvoeren & evalueren
  3. toepassen
    - hoe staat dit gewricht tijdens deze beweging
    - probeer eens wat het beste is voor jou
    - keuze tussen 2 mogelijkheden
24
Q

andere modellen binnen COOP

A
  1. DPA dynamic performance analysis
    - process analyze van uitgevoerde taak
    - problemen in uitvoering detecteren
  2. guided discovery
    - mogelijke alternatieven uitproberen = trail & error
    - adhv. vraagstelling relevante & irrelevante aspecten aanduiden
    - expliciete vorm van leren
  3. reflectieve vragen stellen
    - leren probleem oplossend denken
    - nadenken elke stap uitvoering
    - wat gebeurt er tijdens uitvoering van taak
    - eigen strategien identificeren voor uitvoering verbeteren
25
effect van COOP
1. specifiek probleem 2. ontdekken van zelfbedachte trucjes - onder begleiding van therapeut - kennis over persoon, activiteit & omgeving 3. stijging motorische vaardigheid 4. stijging van planning 5. toepassing in verschillende situaties 6. betere participatie
26
toepassen van COOP
1. voorwaarden - voldoende taalvaardig & cognitieve mogelijkheden - voldoende aandacht & interactie met suggesties therapeut - voldoende potentie voor uitvoering gekozen mogelijkheden 1. ouders - wordt verwacht dat sessies bijwonen = moeilijk door 12 sessies - hoger succes indien betrokken - implementen ADL = maken generalisatie & transfer mogelijk - huiswerk oefeningen = evaluatie bij volgende sessie 1. nadelen - expliciet leren - geen rekening fases van motorisch leerproces = vooral bruikbaar eerste fase
27
NTT
1. algemeen - geheel van principes motorisch leren - onderling afwegen 2. principes - manier van instructies - demonstratie geven - opbouw van oefenreeksen
28
toepassen NTT
1. beginfase = zoals COOP - hulpvraag kinderen & ouders in kaart = hogere autonomie - taakanalyse 2. uitvoering taakanalyze - DPA - bijkomend linken met functies = verder onderzoeken 1. interventie - cognitieve leerstrategiën = expliciet leren in cognitieve fase - vooral overmaat van impliciet leren = associatieve & autonome leerfase - associatieve fase = focus op herhalingen & precisie - autonome fase = focus op verschillende omgevingen 3. foutloos leren - indien expliciet leren negatief effect heeft - moeilijkheidsgraad langzaam
29
vergelijking COOP & NTT
1. gemeenschappelijke kenmerken NTT - keuze van doelstellingen door kind = 3 - opdelen in kleine stappen - bevat goal, plan, do & check methode - ouders betrekken 1. verschil met NTT - NTT = meer impliciet - didactische principes - attributie stijl herkenen & beïnvloeden - werken vanuit ABC voor motivatie
30
tips tijdens interventie
1. video's - uitvoering van zichzelf bij taak - eigen demonstratie van taak - vergelijken & uitleg geven 1. taak analyse - aan kind tonen van elementen van wat fout gaat - oefenen van specifieke subtaken - voor elke subtaak = probleem-oplossend denken door kind
31
training van andere
1. sport - niet goed in = vermijden - viceuze cirkel - zoeken naar gepaste sport(club) 1. balans - level B evidentie - actieve video games 2. handshrift - eerst op handshirift werken - indien echt niet mogelijk = overschakelen naar toetsenbord
32
impliciet vs expliciet leren
1. impliciet - onbewust - geen verbale kennis - geen belasting werkgeheugen - zoveel mogelijk toepassen maar niet mogelijk voor alles - vb: zeggen met voeten samen springen maar bal tussen steken 1. expliciet - bewust - verbale kennis - belasting werkgeheugen
33
evaluatie van therapie
1. algemeen - kinderen evalueren altijd door ontwikkeling - onderscheid met therapie maken - ook zorgen dat doelen op kortere termijn zijn 1. goal attainment scale - goede manier van evaluatie - andere kunnen ook 1. gestandaardiseerde tests - te grote standaard fout - spontane ontwikkeling is onbekend --> grotere afwijking bij toenemde leeftijd - niet specifiek voor geoefende taak
34
SOS2
1. Systematische opsporing schrijfproblematiek - 2-6e leerjaar - standaardtekst overschrijven op ongelinieerd blad tijdens 5 min - beoordeling op kwaliteit & snelheid = aantal letters 3. schrijfkwaliteit = 7 criteria - lettergrootte - onregelmatigheid in lettergrootte - lettervorm - vloeiendheid - overgangen - woordspaties - regelverloop = volgen van denkbeeldige lijn 2. scoring - 14 punten op kwaltieit - voor kwaliteit, kwantiteit & totaal percentiel scores
35
schrijven in school systeem
1. 2-3e kleuterklas - voorbereidend schrijven - grafomotoriek = schrijfpatronen & houding 1. 1-2e leerjaar - aanvankelijk schrijven - leren van vormen letters & verbindingen - laag tempo 1. na 2e leerjaar = voortgezet schrijven - automatisatie & hoger tempo - niet meer nadenken over vorm maar inhoud - verdwijnen van schoonschrift = persoonlijk handschrift
36
schrijven ICF
1. functies = voorwaarden voor schrijven - in hand manipulaties - schrijfhouding - voorkeurshand - bewegingen 1. activiteiten - drukletters = 3e kleuterklas - schrijfpatronen = krullen = 3e kleuterklas - krulletters = 1e leerjaar - hoofdletters = 2e leerjaar - woorden & zinnen 1. participatie - tekst met inhoud schrijven - hoofdletters niet belangerijk = indien niet lukken gewoon drukletters gebruiken
37
bewegingen & voorkeurshand
1. voorkeurshand = vaak moeilijk bij zwakke motoriek 1. bewegingen - insciprtie bewegingen = letters vormen met vingers - kleine progressie = polsbewegingen voor meerdere letters - grote progressie = abductie/exorotatie in arm voor zinnen 1. toepassen - sequentieel = apparte bewegingen - vaak ook samen = moeilijke coördinatie
38
pengreep bij schrijfhouding
1. volledige pengreep - open webspace - 2-deling van hand - top van duim & wijsvinger - laatste kootje van middelvinger - stabilisatie met andere 2 vingers 1. variatie - 2/3 volwassenen andere houding ≈ manier van letters schrijven - gebruik van meer vingers = tot alle 5 gebruiken - duim over pen = laterale 3 vinger-greep 1. minimale voorwaarde voor pengreep - dynamische pengreep - beweging met vingers in alle richtingen mogelijk
39
2-deling van hand
1. inhoud - 3 vingers voor pen = beweging - 2 vingers voor stabilisatie - moet aanwezig zijn voor begin met schrijven 1. knippen - zelfde functies van vingers - indien kind met volledige hand open/toe beweegt --> eerst dit inoefenen
40
hand schrijfhouding
1. hand onder lijn van schrijven - meestal onder deze manier - bijna altijd rechts handig - pols in 30° DF & pronatie = meest efficiënt 1. hand oven lijn van schrijven - meer bij links handigen - sterke PF & supinatie - krampen bij lang schrijven 1. blad - altijd licht scheef op tafel - ondersteund natuurlijke DF - stabiliseren met andere hand
41
rest van lichaam schrijfhouding
1. pols & onderarm - gesteund - indien niet = stukje karton als skateboard gebruiken --> moet tussen tafel blijven & gaat mee met pols - elleboog net van tafel 1. algemene houding - niet veel belang - enkel indien kinderen veel problemen hebben met schrijven - indien hypotonie = extra steun wel toestaan
42
in hand manipulaties
1. types - rotaties - shift = duim schuift tov. vingers - translatie = opnemen van voorwerpen & naar handpalm brengen - stabilisatie = voorwerp in handpalm houdn 1. oppakken van pen - oppakken in pincet greep - correct positioneren = jonge kinderen met andere hand --> matuur = middelvinger - dan shift voor juiste hoogte
43
aanleren van schrijven kleuterklas
1. schrijfpatronen - krullen tekenen - niet over stippenlijnen = niet nadenken over eigen vorm - niet over hele blad = nooit bij schrijfen --> kinderen met slechte motoriek hebben juist probleem van alles te dicht op elkaar te zetten 1. betere oefening krullen - zelf 3 krullen tekenen - vinger er tussen houden - indien te moeilijk = lusjes maken rond 3 puntjes & tussen lijntjes
44
aanleren van schrijven lagere school
1. vorm van letters - expliciet - met stappen plannetjes & pijlen - zorgt voor veel moeite DCD 1. 4 lijntjes - huisje met woonkamer, zolder & kelder - romp letters = tussen middelste - lus & stok letters 1. problemen - letters die opelkaar lijken = samen aanleren - onnauwkeurigheid = lijnen dikker maken = meer succes ervaringen
45
impliciet schrijven aanleren
1. blad ligt niet schuin = onderlegger schuinleggen 2. pols niet op tafel = skateboard 3. teveel druk = zacht muismat onder blad 4. slechte 3punts greep = speciaal gevormende pen
46
andere manier van schrijven aanleren
1. opwarming - manipulaties van pen in hand - alle richtingen met vingers 1. eerste keer uitvoeren = groot - in zandbak - op groot wit bord - op tablet = spelletje 1. cognitieve fase - van expliciet naar impliciet - afbouwen van instructies - van blocked practice naar at random practice 1. associatieve fase = schrijfkilometers maken - at random practice = herhalen van letter maar - verschillende kleuren - groter -> kleindere & variatie - zonder zolder & kelderlijnen - verbinden met andere letters
47
doelen voor schrijven
1. binnen 2w correcte potlood draaien tussen vingers 2. binnen 4w correcte schrijfhouding & vorming van letters 2. binnen 6w cirkels zuiver vanuit incriptie bewegingen 3. binnen 8w correct letters verbinden 3. binnen 3m schrijftaken in de klas meedoen