H7: het spierstelsel Flashcards

1
Q

Wat zijn de 3 verschillende soorten spierweefsel, en wat houden ze in?

A
  1. Skeletspierweefsel : alle spieren rondom het skelet. Willekeurige (vrije wil spieren), dwarsgestreept
  2. Hartspierweefsel: onwillekeurig (niet bewust), gestreept. Het heeft gap junctions waardoor het als een spier vergeert
  3. Glad spierweefsel: Zit met name in de organen, willekeurig (niet bewust), niet gestreept
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Wat zijn de functies van spieren?

A
  • Bewegen skeletdelen (op het moment dat je een spier aantrekt bewegen 2 botten naar elkaar toe)
  • Handhaven van de houding
  • Ondersteunen weke delen
  • Openen en sluiten van in- en uitgangen (vaak door sfincter)
  • Handhaven van lichaamstemperatuur (des te meer doorbloeding, hoe meer warmte je gaat verliezen)
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Wat bevat een skeletspier?

A
  • Spierweefsel (spiervezels vallen hieronder)
  • Bindweefsel (houdt de structuur bij elkaar)
  • Bloedvaten
  • Zenuwen

vgm ook neuromusculair junction (verbindingen met het zenuwtelsel) die er zijn om signalen te ontvangen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Wat voor verschillende soorten spiervezels heb je?

A

Snelle en trage

Vb. snelle –> vingers waarmee je snel en nauwkeurig kunt bewegen. Traag –> de groetere spieren. Er zijn minder precieze verbindingen tussen je hersenen en de spieren, hierdoor trager.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Hoe kan de hartspier als één spiercel fungeren?

En wat krijg je hierdoor?

A

Door intercalaire schijven met desmosen en gap junctions –> intercellulaire bruggen

Een snelle, gelijkmatige contratie van de spier

  • In deze cellen liggen veel mitochondrien (harspiercel heeft er veel omdat hij continu moet kloppen en samentrekken)

’’ Desmosomen –> een soort drukkknoopjes die de cel bij elkaar houden
Gap junctions –> kleine tunneltjes waardoor een impuls in een keer door de hele hartsuer heenkan alsof het één spiercel is. Dat is nodig omdat de cel snel moet kunnen samentrekken’’

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Hoe worden de automatisch contracties bepaald,(van hart)?

A

Door pacemakercellen

(dit wordt vanuit je hersenen automatisch aangestuurd)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

'’Wat zijn de intercalaire schijven?’’

A

'’Waar 2 cellen tegen elkaar aan liggen en door desmosomen aan elkaar verbonden zijn, en waardoor er gap junctions (buisjes) tussen zitten waar ionen-signaaltjes doorgegeven worden.
dit fungeert als een soort intercellulaite (= tussen cellen) bruggen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

wat zijn voorbeelden van glad spierweefsel?

A
  • Het maagdarmkanaal
  • De bloedvaten
  • De baarmoeder
  • De blaas
  • De bronchien

(- is onwillekurig: gaat vanzelf/ automatisch)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Wat is de opbouw van een spier?

A

Spier –> spierbundel –> spiervezel –> myofibril

Een spier bestaat uit (meerdere) spierbundel. Deze bestaan vervolgens weer uit spiervezels. Deze bestaan vervolgens weer uit spiervezels. een spiervezel bestaat uit meerdere samengevoegde cellen, hierdoor noemen we het een spiervezel in plaats van spiercel. Een spiervezels bestaat vervolgens weer uit myofibrillen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

waar bestaat uit een myofibril uit?

A

10 000 sacromeren

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Wat is een sarcomeer, en waar ?

A

Een deel van het vlees. Dit is dus iegbelijk de eenheid van zo’n myofibril.

Een sarcomeer bestaat uit 2 filamenten: myosine en actine. De actine en myosine samen noem je een sarcomeer.

(hoe korter de spier hoe minder myofibrillen)

Meros= deel, sarco=vlees

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Wat doe je als een spier aanspant?

A

Dan kort je hem in
Aanspannen: inkorteren en verdikken (filamenten schuiven in elkaar)

Wanneer je dit doet trek je botten naar elkaar toe

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Wat doe je als je een spier ontspant?

A

Dan verlang en verdun je hem

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Wat is een antagonist?

A

de tegengestelde spier

Als je de ene spier aanspant (inkort) ontspant de antagonist, dus die verlengt

(vb. bicep is de antagonist van de tricep)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Hoe wordt spiercontractie aangestuurd?

A

vanuit de hersenen komt een signaal binnen, die vervolgens wordt omgezet in een prikkel. De zenuwen geleiden de prikkel en zorgen voor contractie van de spier.

’’ Als de prikkel op de spiervezel aankomt gaat hij ontspannen, waarbij de filamenten in elkaar schuiven’’

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

Wat is een neuron?

A

Een zenuwcel

17
Q

Wat is het verband tussen een neuron en specifiek en nauwkeurige spieren bij een spiercontractie?

A

Bij specifiek en nauwkeurige spieren: 1 neuron verbindt aan 3 spiervezels

18
Q

Wat is het verband tussen een neuron en grove en grote spieren bij een spiercontractie?

A

Bij grove en grote spieren: 1 neuron verbindt aan 2000 spiervezels

’’ Je kan bijv spieren in je rug aanspannen en ontspannen, maar je kan niet een paar vezels aanspannen’’

19
Q

Hoe wordt het signaaltje van de zenuwen aan de spieren doorgegeven?

A

Bij een neuromusculaire overgang= een overgang van een zenuw naar spier.
Bij een synaps (= het contact tussen een zenuwvezel en spiercel (spiervezel)) komen stofjes vrij. Deze stofjes zijn neurotransmitters (= chemische stofjes die het signaal doorgeven vanuit een elektrische impuls).

een elektrische impuls wordt doorgegeven naar een chemisch signaal (de neurotransmitter)

20
Q

Hoe werkt een spiercontractie (op microniveau)?

A

Actine is een gedraaide spiraal met tropomyosine eromheen gedraaid. Hierdoor kan myosine niet zomaar koppelen.

  1. Signaal vanuit de zenuwcel
  2. Acethylcholine (neurotransmitter) die het signaal doorgeeft bindt aan de receptoren op de cel
  3. Het sarcoplasmatisch reticulum (het ER in een spier) gaat calcium maken
  4. Hierdoor komt calcium vrij
  5. (wordt vervoerd over T-tubuli naar de actine)
  6. Calcium bindt aan troponine
  7. Calcium-troponine complex trekt tryomosine weg van de bindingsplaats.
  8. ATP zorgt ervoor dat het handje van de myosine aan actine koppelt.
  9. Hierdoor ontstaat een contractie –> de spiervezel wordt korter doordat de actine filamenten naar elkaar toe bewegen.

dit gebeurt in de hele spier tegelijk.

21
Q

Hoezo zijn ATP en calcium cruciaal voor een spiercontractie?

A
  • Calcium bindt aan troponine dit vormt het calcium-troponine compleex, dit zorgt ervoor dat tropomyosine weg van de bindingplaats bij actine wordt getrokken.
  • ATP zorgt ervoor dat het handje van de myosine aan actine koppelt.
22
Q

Wat is een isotone contractie (= isotonisch)?

A

De lengte van de spier verandert –> beweging

23
Q

Wat is een isometrische contractie (= isometrisch)?

A

Lengte van de spier verandert niet, evenwicht, statisch –> zitten, staan

Ezelsbrug: Als ik me meet verandert mijn lengte niet

Tegenovergestelde: isotopisch

24
Q

Welke spieren bevinden zich in de arm ? en wijs ze aan

A
  • Musculus biceps brachii
    ‘’Biceps= tweekoppig, dus de tweekoppige spier van de arm’’
  • Musculus triceps brachii
    ‘’ Triceps= driekoppig, dus de driekoppige spier van de arm. Hierdoor kan de tricep vaak meer kracht aan’’

‘’Musculus= spier’’
Brachium = arm
‘’Brachii= van de arm’’

25
Q

Welke spieren bevinden zich in de onderarm?

A
  • Musculus flexor carpi radialis
    –> palmairflexie hand
    ‘’ Dus de spier die aan de kant van de radius loopt, die het polsgewricht flext (buigt). Deze zorgt voor de primairflexie van de hand’’’
  • Musculus flexor carpi ulnaris:
    –> flexie en adductie hand
    ‘’ Dus de spier die aan de kant van de ulna loopt, die het polsgewricht flext (buigt). Deze zorgt voor de flexie en adductie van de hand’’
  • Musculus extensor digitorum
    ‘’ Dus de spier die zorgt voor extensie (strekking) van je vingers’’

‘’Musculus wordt vaak

Carpus= pols
Digitorum = vingers (Engels: digits)

26
Q

Welke spier zit in je schouder? (schouderspier)

A
  • Musculus deltoideus
    –> abductie arm
    ‘’ als je met je armen naar buiten telt, spannen deze aan’’
27
Q

Welke spier zit in je borst (borstspier)?

A
  • Musculus pectoralis major
    ‘’ De grote borstspier. Als je je schouders naar binnen beweegt (bijv. push ups en benchpresses). Deze zorgen voor endorotatie van de schouders.
28
Q

Welke spier in het halsgebied heeft aanhechting aan de schoudergordel?

A

Musculus sternocleidomastoideus
‘’ Als we veel stress hebben, komt het onder andere door deze spier dat je daar hoofdpijn krijgt. Als die spier de hele tijd aan bot trekt, krijg je een slechte doorbloeding waardoor je nekpijn en dus hoofdpijn krijgt’’

‘’ Sterno –> sternum= borstbeen, cleido= sleutel dus clavicula = sleutelbeen. Mastoïd= het uitsteeksel van het bot dat je kunt voelen net achter het oor. Hier zit deze spier dus allemaal aan vast’’

29
Q

Welke spieren zitten bij arm en rug

A
  • Musculus teres minor:
    ‘’De kleine ronde armspier. Filmpje: Zit onder de schouderspieren. Zorgt voor laterale rotatie van de humerus en zorgt voor dynamische stabiliteit van onze schouder, zodat het stevig blijft terwijl we onze arm bewegen’’
  • Musculus teres major:
    ‘’grote ronde armspier. Filmpje: functie: draait de humerus naar binnen (endorotatie), maakt een schouderadductie beweging en zorgt voor een heteroflexie beweging (dat we de arm naar achter kunnen bewegen’’
  • Latissimus dorsi (brede rugspier)
    ‘’ Als je een beetje voorover leunt voel je deze spieren aantrekken. Internet: Deze spier draagt bij aan het naar binnen draaien van de schouder, het zijdelings naar het lichaam toe bewegen van de arm, het naar achteren bewegen van de arm en bij de uitademing. Ook wordt deze spier gebruikt bij hoesten.’’
  • Musculus trapezius
    ‘’ Vanaf je nek tot het midden van je rug. Deze spier zorgt ervoor dat je schouders optrekken. Internet: De functie van de m. trapezius is zowel het heffen als het omlaag brengen, het naar achter trekken als het naar buiten draaien van het schouderblad. Daarnaast isoleert de m. trapezius de schouderbladen tegen de romp.
30
Q

Wat zijn de spieren van de buik?

A
  • Musculus rectus abdominis
    ‘’ De buikspieren. Er wordt over een 6-pack gepraat maar het is eigenlijk een 8 pack alleen die diepere lagere buikspieren zitten bijna in je kruis. Je buikspieren zorgen voor goed rechtop zitten, stevigheid, beschermen je ingewanden en zorgen ervoor dat je naar voren kan buigen.

‘’(engels ) Abdomen= buik’’

31
Q

Welke spiergroep zit de voorkant van je bovenbeen?

A

Musculus quadriceps femoris

‘’ Dus een vierkoppige spiergroep die uit 4 spieren bestaat’ Deze 4 spieren bevinden zich aan de voorzijde van het bovenbeen’’

32
Q

Waar bestaat de Musculus quadriceps femoris, uit?

A
  • Musculus gracilis: adductie en endorotatie
    ‘’ Dun spiertje die van je bekkengordel naar je onderbeen loopt. Deze zit meer aan de binnenzijde. Deze spier zorgt voor adductie (je been naar binnen bewegen) en endorotatie (doordat die spier aantrekt kan je je onderbeen naar binnen bewegen tov je bovenbeenen je heup’’
  • Musculus rectus femoris
    ‘’ loopt recht over het bovenbeen heen’’
  • Musculus vastus medialis
    ‘’ Zit aan de mediale zijde (binnenzijde)’’
  • Musculus vastus lateralis
    ‘’ Zit aan de laterale zijde (buitenzijde)’’
     Extensie (strekken) onderbeen zorgen al die spieren voor. ‘’ De spieren van je bovenbeen verkorten waardoor aan je scheenbeen wordt getrokken en je onderbeen zich uitstrekt’’
33
Q

Welke spiergroep zit aan de achterkant van je bovenbeen?

A

Hamstrings (2 die we moeten kennen)

34
Q

Waar bestaan de hamstrings uit?

A
  • Musculus biceps femoris: flexie en exorotatie knie
    ‘’ Tweekoppige spier van het bovenbeen. Zorgt voor het buigen (flexie) van de knie, dus trekt het onderbeen omhoog en zorgt ervoor dat je je knie naar buiten kan bewegen (exorotatie).
  • Musculus semitendinosus: flexie en endorotatie knie
    ‘’Semi= half
    Tendon= pees
    Dus een halve pees. Dit is dus een pezige spier. Deze loopt wat meer aan de binnenkant, waardoor hij zorgt voor het buigen van je knie en zorgt ervoor dat je knie naar binnen kan bewegen (endorotatie).’’
35
Q

Waar bestaan de bil(spieren) uit?

A
  • Musculus gluteus maximus:
    –> hyperextensie bovenbeen, onderrug stabiliseren
    ‘’De grote bilspier. Die zorgt voor het doorstrekken van je been voorbij de achterlijn (hyperextensie bovenbeen). Je ziet dat hij doorloopt naar de onderrug waardoor hij de onderrug stabiliseert.’’
  • Musculus gluteus medius:
    –> abductie been
    ‘’ De kleine bilspier. Die zorgt eroor dat je been opzij beweegt (abductie).’’
36
Q

Welke spieren zitten in de achterkant van je onderbeen?

A
  • Musculus gastrocnemius:
    –> plantairflexie voet
    ‘’ De grote kuitspier. Deze heeft 2 bollen. Zorgt voor de flexie van de voet richting de zool. Als je de achterkant namelijk korter maakt dan trekt het aan de voet, en dan trekt het dus de voet als ware plat ‘’
  • Musculus soleus:
    –> plantairflexie voet
    ‘’Deze ligt achter de gastrocnemius. Zorgt voor de flexie van de voet richting de zool. Als je de achterkant namelijk korter maakt dan trekt het aan de voet, en dan trekt het dus de voet als ware plat ‘’
  • Achillespees (reflex: M. gastrocnemius!)
    ‘’Als die doorgesneden is kan je geen plantairflexie meer maken want de pees hecht vast aan een bot. Dus dan kan je niet meer voet uitstrekken. Reflex van de gastrocnemius is dat wanneer je een tik tegen je achillespees geeft de gastrocnemius zich aan gaat spannen.’’
37
Q

Welke spier zitten aab de voorkant van je onderbeen?

A
  • Musculus tibialis anterior:
    –> dorsaalflexie voet
    ‘’ Spier de langs je tibia aan de voorkant ligt. Hij hecht aan bij de voet en de knie, als die afstand korter wordt trek je je teen naar je knie toe (naar de rugzijde; dorsaalflexie).