Klasse6 Flashcards Preview

KickstartNederlands > Klasse6 > Flashcards

Flashcards in Klasse6 Deck (33):
1

beginnen (to begin)

begon - is begonnen

2

blijven (to remain, to stay)

bleef - is gebleven

3

brengen (to bring)

bracht - gebracht

4

denken (to think)

dacht - gedacht

5

doen (to do)

deed - gedaan

6

gaan (to go)

ging - is gegaan

7

geven (to give)

gaf (gaven) - gegeven

8

hebben (to have)

had - gehad

9

houden (to keep)

hield - gehouden

10

kijken (to look)

keek - gekeken

11

komen (to come)

kwam (kwamen) - is gekomen

12

krijgen (to get)

kreeg - gekregen

13

kunnen (to be able)

kon (konden) - gekund

14

lachen (to laugh)

lachte - gelachen

15

laten (to let)

liet - gelaten

16

liggen (to lie)

lag (lagen) - gelegen

17

lopen (to walk)

liep - is gelopen

18

moeten (to need)

moest - gemoeten

19

nemen (to take)

nam (namen) - genomen

20

spreken (to speak)

sprak (spraken) - gesproken

21

staan (to stand)

stond - gestaan

22

trekken (to pull)

trok - getrokken

23

vallen (to fall)

viel - is gevallen

24

vinden (to find)

vond - gevonden

25

vragen (to ask)

vroeg - gevraagd

26

weten (to know)

wist - geweten

27

willen (to want)

wilde / wou (wilden) - gewild

28

worden (to become)

werd - is geworden

29

zeggen (to say)

zei (zeiden) -gezegd

30

zien (to see)

zag (zagen) - gezien

31

zijn (to be)

was (waren) - is geweest

32

zitten (to sit down)

zat (zaten) - gezeten

33

zullen (shall)

zou (zouden) - no perfect tense