Unidad2 Flashcards Preview

Caminos > Unidad2 > Flashcards

Flashcards in Unidad2 Deck (219):
1

ontmoeting

el encuentro

2

dierenarts

el veterinario

3

Nederlander

el holandés

4

Nederlandse

la holandesa

5

leraar

el profesor

6

lerares

la profesora

7

taxichauffeur

el taxista

8

ik kom uit...

soy de...

9

uit... komen

ser de...

10

mijn beroep

mi profesión

11

monteur

el mecánico

12

kok

el cocinero

13

kokkin

la cocinera

14

ik leef

vivo

15

ik werk

trabajo

16

werken

trabajar

17

Pardon.

Perdón.

18

Bent u de heer Pons?

¿Es usted el señor Pons?

19

heer

el señor

20

Dat ben ik.

Soy yo.

21

Aangenaam.

Mucho gusto

22

vrouw

la señora

23

Hoe gaat het met u?

¿Cómo está usted?

24

zijn, zich bevinden

estar

25

heel goed

muy bien

26

bedankt

gracias

27

En met u?

¿Y usted?

28

jij bent

tú eres

29

nietwaar?

¿verdad?

30

jullie zijn

vosotros sois

31

vriend

el amigo

32

vriendin

la amiga

33

Waar komt u vandaan?

¿De dónde es usted?

34

u (meervoud)

ustedes

35

wij zijn

somos

36

hij

él

37

zij

ella

38

wij

nosotros

39

jullie

vosotros

40

zij (meervoud)

ellos

41

Hoe gaat het met je?

¿Cómo estás?

42

Het gaat wel.

Regular.

43

Verschrikkelijk!

¡Fatal!

44

Hoe heten deze steden?

¿Cómo se llaman estas ciudades?

45

in het Spaans

en español

46

heten

llamarse

47

uit... komen

ser de...

48

Luister.

Escuche.

49

luisteren

escuchar

50

Hoe schrijf je...?

¿Cómo se escribe...?

51

schrijven

escribir

52

met

con

53

accent

el acento

54

zonder

sin

55

alfabet

el alfabeto

56

kleine letter m

m minúscula

57

hoofdletter m

m mayúscula

58

trema

la diéresis

59

Latijns-Amerika

Latinoamérica

60

b

be larga

61

v

be corta

62

reservering

la reserva

63

eenpersoonskamer

la habitación individual

64

tweepersoonskamer

la habitación doble

65

bad

el baño

66

oktober

octubre

67

naam

el nombre

68

naam

el nombre

69

achternaam

el apellido

70

Wat doet u?

¿Qué hace usted?

71

maken

hacer

72

personeelsadvertentie

la oferta de empleo

73

hij zoekt

busca

74

zoeken

buscar

75

verpleegkundige

el enfermero

76

verpleegster

la enfermera

77

onderneming

la empresa

78

textiel

textil

79

hij heeft nodig

necesita

80

nodig hebben

necesitar

81

vertegenwoordiger

el representante

82

ervaring

la experiencia

83

sturen

enviar

84

c.v.

el currículum vitae

85

receptionist

el recepcionista

86

contact opnemen met

contactar

87

bank

el banco

88

Ibero-Amerikaans

iberoamericano

89

hij biedt aan

ofrece

90

aanbieden

ofrecer

91

stage

las prácticas

92

student

el estudiante

93

voor drie maanden

por 3 meses

94

maand

el mes

95

winkelcentrum

el centro comercial

96

administratief medewerker

el empleado administrativo

97

computerkennis

los conocimientos de informática

98

op gebruikersniveau

a nivel usuario

99

kennis

los conocimientos

100

informatica

la informática

101

postbus

el apartado de Correos

102

postbus

el apartado de Correos

103

multinational

multinacional

104

programmeur

el programador

105

leeftijd

la edad

106

tussen

entre

107

jaar

el año

108

fabriek

la fábrica

109

elektrisch

eléctrico

110

commercieel technisch medewerker

el técnico comercial

111

minstens 2 jaar ervaring

experiencia mínima 2 años

112

ingenieur

el ingeniero

113

geïnteresseerde

el interesado

114

schrijven naar

escribir a

115

kliniek

el centro clínico

116

arts

el médico

117

specialiteit

la especialidad

118

radiologie

la radiología

119

per

por

120

reisbureau

la agencia de viajes

121

secretaris

el secretario

122

secretaresse

la secretaria

123

Duits

el alemán

124

school

el colegio

125

bekijken

mirar

126

klas

la clase

127

spreken

hablar

128

klasgenoot

el compañero

129

al

ya

130

Wat doen ze nu?

¿Qué hacen ahora?

131

ik doe

yo hago

132

nou

pues

133

werken

trabajar

134

middelbare school

el Instituto

135

hij leeft

vive

136

wonen

vivir

137

hier

aquí

138

maar

pero

139

hij heeft geen werk

no tiene trabajo

140

hebben

tener

141

werk

el trabajo

142

Wat jammer!

¡Qué lástima!

143

nog

todavía

144

chef

el jefe

145

kredietafdeling

el departamento de créditos

146

krediet

el crédito

147

Waar?

¿Dónde?

148

Wat goed!

¡Qué bien!

149

mijn ex-vriendin

mi ex-novia

150

Wat doet hij voor werk?

¿Qué hace?

151

huisvrouw

el ama de casa

152

Hij heeft drie kinderen.

Tiene tres hijos.

153

Wat doet hij voor werk?

¿Qué hace?

154

huisvrouw

el ama de casa

155

Hij heeft drie kinderen.

Tiene tres hijos.

156

Zij studeren aan de universiteit.

Estudian en la Universidad.

157

leren

estudiar

158

Wat zeg je me nu!

¡No me digas!

159

hij is getrouwd met

está casado con

160

Colombiaan

el colombiano

161

beiden

los dos

162

vul aan

complete

163

aanvullen

completar

164

zoek

busque

165

zoeken

buscar

166

de ontbrekende vormen

las formas que faltan

167

Welke talen spreken ze?

¿Qué lenguas hablan?

168

een beetje Frans

un poco de francés

169

Wat doe je voor werk?

¿Qué haces?

170

verantwoordelijk zijn voor

ser responsable de

171

medewerker zijn bij

ser empleado de

172

Argentijn(se)

el/la argentino/a

173

nou ja

bueno

174

leren

aprender

175

volksuniversiteit

la Universidad Popular

176

Wat interessant!

¡Qué interesante!

177

daar

allí

178

een bedrijf dat tractoren verkoopt

una empresa que vende tractores

179

verkopen

vender

180

krant

el periódico

181

doorbrengen

pasar

182

vakantie

las vacaciones

183

slechts

sólo

184

reisbureau

la agencia de viajes

185

Kijk.

Miren.

186

kijken

mirar

187

als

si

188

langs... komen

pasar por...

189

Hier hebt u...

Aquí tienen...

190

mijn mobiele nummer

el número de mi teléfono móvil

191

mobieltje

el teléfono móvil

192

aardig

amable

193

hartelijk dank

muchas gracias

194

de watervallen van Iguazú

las cataratas de Iguazú

195

markeer

marque

196

markeren

marcar

197

verschil

la diferencia

198

Wat is je mobiele nummer?

¿Cuál es tu número de móvil?

199

Wat?

¿Cuál?

200

e-mail

el correo electrónico

201

apenstaartje

la arroba

202

punt

el punto

203

koppelteken

el guión

204

Nee, dat heb ik niet.

No, no tengo.

205

ik heb

yo tengo

206

hebben

tener

207

zijn

su

208

tuurlijk

claro

209

video

el vídeo

210

computer

el ordenador

211

antwoordapparaat

el contestador automático

212

digitale camera

la cámara digital

213

Ik ben 20.

Tengo 20 años.

214

centrum

el centro

215

Wie van de cursisten...?

¿Quién del curso...?

216

reizen

viajar

217

veel

mucho

218

cheffin

la jefa

219

gedicht

el poema