Dutch Sentences 2 Flashcards Preview

Dutch > Dutch Sentences 2 > Flashcards

Flashcards in Dutch Sentences 2 Deck (500)
1

Hij huilde en huilde.

He cried and cried.

2

Hij heeft nog een zoon.

He has another son.

3

Hij is golf aan het spelen.

He is playing golf.

4

Ik weet zeker dat hij komt.

He is sure to come.

5

Hij is heel geleerd.

He is very learned.

6

Hij speelt zeer goed.

He plays very well.

7

Hij is gestopt met roken.

He stopped smoking.

8

Hij stopte de auto.

He stopped the car.

9

Hij heeft een week vrij genomen.

He took a week off.

10

Hij wil het geld.

He wants the money.

11

Hij had een gebroken hart.

He was heartbroken.

12

Hij is op de fiets gegaan.

He went by bicycle.

13

Hij is al een man.

He's already a man.

14

Goedemorgen, hoe maakt u het?

Hello, how are you?

15

Hoi, hoe gaat het?

Hello, how are you?

16

Zijn pas versnelde.

His pace quickened.

17

Hoe is het weer?

How is the weather?

18

Ik kocht een nieuwe auto.

I bought a new car.

19

Ik heb twee nichtjes.

I have two cousins.

20

Ik heb twee neefjes.

I have two cousins.

21

Ik ken haar adres.

I know her address.

22

Ik hou van kaarslicht.

I like candlelight.

23

Ik heb mijn beslissing genomen.

I made my decision.

24

Ik verhuisde een maand geleden.

I moved last month.

25

Ik lees stripboeken.

I read comic books.

26

Ik heb mijn eten uitgekotst.

I threw up my food.

27

Ik wenste dat ik rijk was.

I wish I were rich.

28

Ik koop een nieuwe.

I'll buy a new one.

29

Ik zal een nieuwe kopen.

I'll buy a new one.

30

Ik ga douchen.

I'll take a shower.

31

Ik ben kwaad op haar.

I'm angry with her.

32

Ik ben boos op haar.

I'm angry with her.

33

Ik kom uit Singapore.

I'm from Singapore.

34

Ik ga niet terug.

I'm not going back.

35

Wat niet weet, wat niet deert.

Ignorance is bliss.

36

Wat het oog niet ziet, het hart niet deert.

Ignorance is bliss.

37

Is er een probleem?

Is there a problem?

38

Het is niet duur.

It isn't expensive.

39

Ik zei dat alleen maar om te lachen.

It was just a joke.

40

Het was bijna middag.

It was nearly noon.

41

Het is niet belangrijk.

It's not important.

42

Dat is te duur!

It's too expensive!

43

Het is hier erg heet.

It's very hot here.

44

Laat dat maar aan mij over.

Let me handle this.

45

Lelies ruiken zoet.

Lilies smell sweet.

46

Moet je die rook zien.

Look at that smoke.

47

Mijn naam is Hopkins.

My name is Hopkins.

48

Mijn ouders zijn oud.

My parents are old.

49

Mijn kamer kijkt uit op het oosten.

My room faces east.

50

Nancy studeerde hard.

Nancy studied hard.

51

Kom alstublieft binnen.

Please step inside.

52

Gaat u zitten.

Please take a seat.

53

Ratten vermenigvuldigen zich snel.

Rats breed rapidly.

54

Echte mannen drinken thee.

Real men drink tea.

55

Ze werd verpleegster.

She became a nurse.

56

Zij rookt niet.

She does not smoke.

57

Ze is erg knap.

She is very pretty.

58

Ze wees naar hem.

She pointed at him.

59

Ze zat naast me.

She sat next to me.

60

Dat boek is klein.

That book is small.

61

Dat kan niet waar zijn.

That can't be true.

62

Dat maakt nieuwsgierig.

That is intriguing.

63

Dat is onze school.

That is our school.

64

De papegaai is dood.

The parrot is dead.

65

De lucht klaarde op.

The sky brightened.

66

De sneeuw is gesmolten.

The snow is melted.

67

De zomer is voorbij.

The summer is over.

68

Ze gaven het aan mij.

They gave it to me.

69

Dit boek was gemakkelijk.

This book was easy.

70

Deze stoel is lelijk.

This chair is ugly.

71

Tom heeft geen spijt.

Tom has no regrets.

72

Tom knipoogde naar Mary.

Tom winked at Mary.

73

We verbouwen tarwe hier.

We grow wheat here.

74

We hielden hen stil.

We kept them quiet.

75

We liepen in het park.

We ran in the park.

76

Wat ben je aan het doen?

What are you doing?

77

Wat is je antwoord?

What's your answer?

78

Wat is jouw antwoord?

What's your answer?

79

Wat is uw antwoord?

What's your answer?

80

Wanneer bent u geboren?

When were you born?

81

Wanneer ben je geboren?

When were you born?

82

Wanneer zijn jullie geboren?

When were you born?

83

Waar kom je vandaan?

Where are you from?

84

Waar woont hij?

Where does he live?

85

Waar is het verborgen?

Where is it hidden?

86

Welke zak is van jou?

Which bag is yours?

87

Welke tas is van jou?

Which bag is yours?

88

Welke jongen is Masao?

Which boy is Masao?

89

Waarom ben je aan het huilen?

Why are you crying?

90

Waarom huil je?

Why are you crying?

91

Waarom kunt ge niet komen?

Why can't you come?

92

Je bent een goede jongen.

You are a good boy.

93

Ja mag hier niet eten.

You can't eat here.

94

Je hebt graag olifanten.

You like elephants.

95

Je ziet er voldaan uit.

You look contented.

96

Een vrachtwagen heeft de hond aangereden.

A truck hit the dog.

97

Beantwoord de vraag.

Answer the question.

98

Geloof in jezelf.

Believe in yourself.

99

Mag ik deze fiets gebruiken?

Can I use this bike?

100

Kan je dit beantwoorden?

Can you answer this?

101

Kunt u autorijden?

Can you drive a car?

102

Kerstmis komt eraan.

Christmas is coming.

103

Zing je graag?

Do you like singing?

104

Spreekt u Duits?

Do you speak German?

105

Hebt ge het niet koud?

Don't you feel cold?

106

Hij is door iedereen graag gezien.

Everybody likes him.

107

Ga Mary wakker maken.

Go and wake Mary up.

108

Hij brak in tranen uit.

He burst into tears.

109

Hij kan fluit spelen.

He can play a flute.

110

Hij wilde geen oorlog.

He did not want war.

111

Hij belandde in de gevangenis.

He ended up in jail.

112

Hij was zojuist gearriveerd.

He had just arrived.

113

Hij is al vertrokken.

He has left already.

114

Hij is al weg.

He has left already.

115

Hij ziet er verdacht uit.

He looks suspicious.

116

Hij vertrok naar Parijs.

He set off to Paris.

117

Hij is geboren in Ohio.

He was born in Ohio.

118

Hij was in de rij.

He was in the queue.

119

Hij werd kapitein gemaakt.

He was made captain.

120

Hij zal snel beter worden.

He'll get well soon.

121

Hij is in de keuken.

He's in the kitchen.

122

Haar wangen waren rood.

Her cheeks were red.

123

Zijn hart is gebroken.

His heart is broken.

124

Zijn toespraak beroerde ons.

His speech moved us.

125

Hoelang duurt dit?

How long will it be?

126

Ik ben vandaag in Tokyo.

I am in Tokyo today.

127

Ik ben erg gevaarlijk.

I am very dangerous.

128

Ik heb snel geluncht.

I ate a hasty lunch.

129

Ik geloof in spoken.

I believe in ghosts.

130

Ik kan het licht zien.

I can see the light.

131

Ik kan Engels spreken.

I can speak English.

132

Ik begrijp het niet.

I do not understand.

133

Ik hou niet van koffie.

I don't like coffee.

134

Ik vind school niet leuk.

I don't like school.

135

Ik voel me beter vandaag.

I feel better today.

136

Ik raak buiten adem.

I get out of breath.

137

Ik haat mijn buren.

I hate my neighbors.

138

Ik heb een woordenboek.

I have a dictionary.

139

Ik ben de sleutel kwijt.

I have lost the key.

140

Ik moet gaan slapen.

I have to go to bed.

141

Ik moet naar bed.

I have to go to bed.

142

Ik weet dat je rijk bent.

I know you are rich.

143

Ik weet dat ge rijk zijt.

I know you are rich.

144

Dat vind ik erg leuk.

I like it very much.

145

Ik heb Ken gisteren ontmoet.

I met Ken yesterday.

146

Ik moet het repareren.

I must get it fixed.

147

Ik ben teruggegaan naar Japan.

I returned to Japan.

148

Ik heb met vrienden gesproken.

I talked to friends.

149

Ik vind haar vriendelijk.

I think she is kind.

150

Ik denk dat ze ziek is.

I think she is sick.

151

Ik wil naar het buitenland.

I want to go abroad.

152

Gisteren was ik ziek.

I was ill yesterday.

153

Ik ben zo terug.

I will be back soon.

154

Ik zal u allemaal missen.

I will miss you all.

155

Ik wou dat ik kon zwemmen.

I wish I could swim.

156

Om zes uur ben ik terug.

I'll be back at six.

157

Ik zal u gelukkig maken.

I'll make you happy.

158

Ik probeer te slapen.

I'm trying to sleep.

159

Het is een beetje koud.

It is a little cold.

160

Het gaat regenen.

It is going to rain.

161

Het zal ongetwijfeld gaan regenen.

It'll rain for sure.

162

Morgen gaat het sneeuwen.

It'll snow tomorrow.

163

Maak het kort.

Let's make it brief.

164

Mag ik iets zeggen?

May I say something?

165

Mag ik de tafel klaarzetten?

May I set the table?

166

Mijn zus is beroemd.

My sister is famous.

167

Mijn zuster is beroemd.

My sister is famous.

168

Niemand praat met me.

Nobody speaks to me.

169

Natuurlijk ga ik.

Of course I will go.

170

Mensen houden van vrijheid.

People love freedom.

171

Mompel alsjeblieft niet.

Please don't mumble.

172

Lees het boek hardop.

Read the book aloud.

173

Ze is gestopt met roken.

She gave up smoking.

174

Ze hield haar adem in.

She held her breath.

175

Ze is nog niet hier.

She is not here yet.

176

Zij houdt van die basstem.

She likes that bass.

177

Ze luisterde naar hem.

She listened to him.

178

Ze hield nog steeds van hem.

She still loved him.

179

Ze is gestopt met roken.

She stopped smoking.

180

Ze ging door met werken.

She went on working.

181

Toon me je papieren!

Show me your papers!

182

Dat is een oude truc.

That's an old trick.

183

Het schip zinkt!

The ship is sinking.

184

Ze houden van dat lied.

They love that song.

185

Deze vogel kan niet vliegen.

This bird can't fly.

186

Dit slaat nergens op.

This makes no sense.

187

Vandaag is mijn dag niet.

Today is not my day.

188

Tom haat de regels.

Tom hates the rules.

189

Wij zijn goede vrienden.

We are good friends.

190

We houden niet van geweld.

We dislike violence.

191

Wat heb je geantwoord?

What did you answer?

192

Wat moet ik meenemen?

What should I bring?

193

Wanneer vertrekt ge?

When will you leave?

194

Waar ga je heen?

Where are you going?

195

Waar gaat ge naartoe?

Where are you going?

196

Wie schreef dit boek?

Who wrote this book?

197

Waarom is hij weggelopen?

Why did he run away?

198

Waarom kwam je niet?

Why didn't you come?

199

Waarom zeg je dat?

Why do you say that?

200

Je bent altijd te laat.

You are always late.

201

U mag nu gaan, meneer.

You can go now, sir.

202

U heeft veel boeken.

You have many books.

203

Ge ziet er bleek uit vandaag.

You look pale today.

204

Ge moogt naar huis gaan nu.

You may go home now.

205

Je moet hard leren.

You must study hard.

206

Je bent onweerstaanbaar.

You're irresistible.

207

Je stropdas zit scheef.

Your tie is crooked.

208

Een man moet eerlijk zijn.

A man must be honest.

209

Al het vlees was slecht.

All the meat was bad.

210

Wees stil, allemaal.

Be quiet, all of you.

211

Zaken zijn zaken.

Business is business.

212

Kleren maken de man.

Clothes make the man.

213

Doe wat hij je zegt.

Do what he tells you.

214

Doe wat je wil.

Do whatever you like.

215

Hebt ge een fototoestel?

Do you have a camera?

216

Heb je een kaartje?

Do you have a ticket?

217

Spreek je Engels?

Do you speak English?

218

Spreekt u Engels?

Do you speak English?

219

Spreken jullie Engels?

Do you speak English?

220

Spreekt u Italiaans?

Do you speak Italian?

221

Spreek je Italiaans?

Do you speak Italian?

222

Maak je er geen zorgen over!

Don't worry about it!

223

Maak je geen zorgen.

Don't worry about it.

224

Maak je geen zorgen over mij.

Don't worry about me.

225

Maak u maar geen zorgen over mij.

Don't worry about me.

226

Maak je geen zorgen over ons.

Don't worry about us.

227

Iedereen weet dat.

Everybody knows that.

228

Ben je vermagerd?

Have you lost weight?

229

Hij slaakte z'n laatste adem.

He breathed his last.

230

Hij blies z'n laatste ademtocht uit.

He breathed his last.

231

Hij kwam mij redden.

He came to my rescue.

232

Op hem kan gerekend worden.

He can be counted on.

233

Hij zei geen woord.

He didn't say a word.

234

Hij leegde zijn glas.

He emptied his glass.

235

Hij gaf me een cadeau.

He gave me a present.

236

Hij wordt snel moe.

He gets tired easily.

237

Hij had vijftig dollar.

He had fifty dollars.

238

Hij ziet slecht.

He has poor eyesight.

239

Hij heeft vreemde ideeën.

He has strange ideas.

240

Hij is een luie student.

He is a lazy student.

241

Hij is niet langer hier.

He is no longer here.

242

Hij is Taro's broer.

He is Taro's brother.

243

Het lukte hem te ontsnappen.

He managed to escape.

244

Hij slaagde erin om te ontsnappen.

He managed to escape.

245

Hij stuurde me een geschenk.

He sent me a present.

246

Hij sprak in zichzelf.

He talked to himself.

247

Hij sliep bijna.

He was almost asleep.

248

Hij is een appel aan het eten.

He's eating an apple.

249

Hij heeft aangeboden me te helpen.

He's offered to help.

250

Hoe diep is het meer?

How deep is the lake?

251

Hoeveel hebt ge nodig?

How many do you need?

252

Ik eet een appel.

I am eating an apple.

253

Ik heb ontzettende honger.

I am terribly hungry.

254

Ik heb een oude lamp gekocht.

I bought an old lamp.

255

Ik heb een hartaanval gehad.

I had a heart attack.

256

Ik ben erg verbrand.

I have a bad sunburn.

257

Ik heb buikpijn.

I have a stomachache.

258

Ik heb liever koffie.

I like coffee better.

259

Ik lees graag boeken.

I like reading books.

260

Ik mag je heel graag.

I like you very much.

261

Ik verloor het bewustzijn.

I lost consciousness.

262

Ik viel bewusteloos.

I lost consciousness.

263

Ik mis je heel erg.

I miss you very much.

264

Ik denk dat hij boos was.

I think he was angry.

265

Ik was gewend om bier te drinken.

I used to drink beer.

266

Ik liep de heuvel op.

I walked up the hill.

267

Ik wilde daar naartoe gaan.

I wanted to go there.

268

Ik zal u vergezellen.

I will accompany you.

269

Ik had graag groter willen zijn.

I wish I were taller.

270

Ik ben allergisch voor vis.

I'm allergic to fish.

271

Ik ben blij dat ik er was.

I'm glad I was there.

272

Ik ben blij je te zien.

I'm happy to see you.

273

Ik voel me niet goed.

I'm not feeling well.

274

Is mijn antwoord juist?

Is my answer correct?

275

Is er een lift?

Is there an elevator?

276

Is dit jouw fiets?

Is this your bicycle?

277

Het ziet er naar uit dat het gaat regenen.

It is likely to rain.

278

Het is erg warm vandaag.

It is very hot today.

279

Het lijkt op een ei.

It looks like an egg.

280

Het is niets ernstig.

It's nothing serious.

281

Ken heeft tegen mij gewonnen met schaken.

Ken beat me at chess.

282

Laat mij een ding zeggen.

Let me say one thing.

283

Laten we daar later naar kijken.

Let's check it later.

284

Kijk naar die grote hond.

Look at that big dog.

285

Mag ik een vraag stellen?

May I ask a question?

286

Kan ik deze CD lenen?

May I borrow this CD?

287

De meeste mensen denken dat.

Most people think so.

288

Mijn huis was aan het branden.

My house was on fire.

289

Mijn moeder kan niet komen.

My mother can't come.

290

Geen nieuws is goed nieuws.

No news is good news.

291

Mensen noemen hem Dave.

People call him Dave.

292

Ze gaf hem een horloge.

She gave him a watch.

293

Ze is mijn vriendin.

She is my girlfriend.

294

Ze zat op de bank.

She sat on the bench.

295

Zij sloeg hem in het gezicht.

She slapped his face.

296

Jim, sluit het venster.

Shut the window, Jim.

297

Blijf uit de regen.

Stay out of the rain.

298

Dat is de bushalte.

That is the bus stop.

299

Dit vlees is kippenvlees.

That meat is chicken.

300

Dat is zijn specialiteit.

That's his specialty.

301

De kat is heel lief.

The cat is very cute.

302

Het spookt in dat huis.

The house is haunted.

303

De man keek me aan.

The man looked at me.

304

Hoe meer, hoe beter.

The more, the better.

305

De zeelui zagen land.

The sailors saw land.

306

De vrouw is aan het lezen.

The woman is reading.

307

Deze schoenen zijn van haar.

These shoes are hers.

308

Dat zal € 30,- kosten.

This will cost €30.

309

Tom voelde zich erg eenzaam.

Tom felt very lonely.

310

Tom is een goede werker.

Tom is a good worker.

311

We verkozen hem tot burgemeester.

We elected him mayor.

312

Wij houden van onze kinderen.

We love our children.

313

Wij hebben uw hulp nodig.

We require your help.

314

Wij zullen je helpen, goed?

We'll help you, okay?

315

Wat kook je?

What are you cooking?

316

Wat koken jullie?

What are you cooking?

317

Wat ben je aan het lezen?

What are you reading?

318

Vanwaar de opschudding?

What's the commotion?

319

Wanneer kan ik hier zwemmen?

When can I swim here?

320

Waar is mijn bril?

Where are my glasses?

321

Waar is de bibliotheek?

Where is the library?

322

Wat is het probleem?

Where is the problem?

323

Waar is het station?

Where is the station?

324

Waar is je vader?

Where is your father?

325

Waar is je school?

Where is your school?

326

Waar is de ingang?

Where's the entrance?

327

Waar is het toilet?

Where's the restroom?

328

Waarom is ze zo stil?

Why is she so silent?

329

Gisteren was het zondag.

Yesterday was Sunday.

330

Op hem kan je rekenen.

You can count on him.

331

Ga maar zonder mij.

You go on without me.

332

Ge zoudt beter slapen.

You should go to bed.

333

Een dolfijn is een zoogdier.

A dolphin is a mammal.

334

Een tafel heeft vier poten.

A table has four legs.

335

Een ongeluk zit in een klein hoekje.

Accidents will happen.

336

Alle mensen ademen lucht.

All people breath air.

337

Hou je van muziek?

Are you fond of music?

338

Slaap je, Tom?

Are you sleeping, Tom?

339

Brian nam wat rozen.

Brian took some roses.

340

Brian nam een paar rozen.

Brian took some roses.

341

Poets je tanden goed.

Brush your teeth well.

342

Zou het kunnen dat dat gerucht waar is?

Can the rumor be true?

343

Kan je dat nog eens doen?

Can you do that again?

344

Spreekt u Engels?

Can you speak English?

345

Kan je echt niet zwemmen?

Can't you really swim?

346

Heeft u een aansteker?

Do you have a lighter?

347

Voeg geen annotaties toe.

Don't add annotations.

348

Geef haar er niet de schuld van.

Don't blame it on her.

349

Laat dat glas niet vallen.

Don't drop that glass.

350

Vergeet ons niet!

Don't forget about us!

351

Pak die kat niet op.

Don't pick up the cat.

352

Hou je niet van appels?

Don't you like apples?

353

Eet wat je wilt.

Eat whatever you like.

354

Eet al wat ge wilt.

Eat whatever you like.

355

Geef het mij, alstublieft.

Give it to me, please.

356

God heeft de wereld geschapen.

God created the world.

357

Raad eens waar ik geweest ben?

Guess where I've been?

358

Is de baby wakker geworden?

Has the baby woken up?

359

Hebben wij elkaar niet al eerder ontmoet?

Haven't we met before?

360

Hij heeft niet graag katten.

He does not like cats.

361

Hij is in Frankrijk geweest.

He has been to France.

362

Hij is net teruggekomen.

He has just come back.

363

Hij houdt ervan wandelingen te maken.

He likes taking walks.

364

Hij woont in een dorp.

He lives in a village.

365

Hij verzon dat verhaal.

He made up that story.

366

Hij is mijn oudere broer.

He's my older brother.

367

Zijn leven is in gevaar.

His life is in danger.

368

Zijn plan is gevaarlijk!

His plan is dangerous!

369

Hoe durf je dat te zeggen.

How dare you say that!

370

Hoe lang geleden was dat?

How long ago was that?

371

Hoelang ben je gebleven?

How long did you stay?

372

Hoe was je vakantie?

How was your vacation?

373

Ik bewonder je moed.

I admire your courage.

374

Ik ben nu 30.

I am 30 years old now.

375

Ik kan je amper verstaan.

I can hardly hear you.

376

Ik snapte zijn grap niet.

I didn't get his joke.

377

Ik drink geen alkohol.

I don't drink alcohol.

378

Ik ken zijn naam niet.

I don't know his name.

379

Ik hou niet van stoute jongens.

I don't like bad boys.

380

Ik hou niet van die hoed.

I don't like this hat.

381

Ik heb de doos leeg gevonden.

I found the box empty.

382

Ik gaf het aan mijn mama.

I gave it to my mommy.

383

Mijn horloge was gestolen.

I had my watch stolen.

384

Ik ben in Londen geweest.

I have been to London.

385

Ik heb mijn portemonnee verloren.

I have lost my wallet.

386

Ik moet gaan winkelen.

I have to go shopping.

387

Ik lachte om zijn mop.

I laughed at his joke.

388

Ik moet fietsen.

I must ride a bicycle.

389

Ik heb nooit van biologie gehouden.

I never liked biology.

390

Ik heb liever katten dan honden.

I prefer cats to dogs.

391

Ik ben zelden verkouden.

I rarely catch a cold.

392

Ik word snel verkouden.

I tend to catch colds.

393

Ik denk dat hij niet komt.

I think he won't come.

394

Ik denk niet dat hij komt.

I think he won't come.

395

Meestal wordt ik laat wakker.

I usually get up late.

396

Ik wil een boek om te lezen.

I want a book to read.

397

Ik wil naar Tokyo gaan.

I want to go to Tokyo.

398

Ik wil met je meegaan.

I want to go with you.

399

Ik wil een liedje zingen.

I want to sing a song.

400

Hij heeft me bedrogen.

I was deceived by him.

401

Gisteren was ik gelukkig.

I was happy yesterday.

402

Ik zal u gelukkig maken.

I will make you happy.

403

Ik wou dat ik haar gezien had.

I wish I had seen her.

404

Ik zal hem vanavond bellen.

I'll call him tonight.

405

Ik zal hem om 5 uur oppikken.

I'll pick him up at 5.

406

Als het regent, blijf ik.

I'll stay if it rains.

407

Ik ben een grote fan van golf.

I'm a big fan of golf.

408

Dat hoor ik graag.

I'm glad to hear that.

409

Ik ga naar Hokkaido.

I'm going to Hokkaido.

410

Ik ben naar de bank geweest.

I've been to the bank.

411

Ik ben net overvallen geweest.

I've just been mugged.

412

Loopt je horloge goed?

Is your watch correct?

413

Morgen is het zondag.

It is Sunday tomorrow.

414

Het ligt onder de stoel.

It is under the chair.

415

Het was gisteren koud.

It was cold yesterday.

416

Het zal zonder twijfel gaan regenen.

It'll definitely rain.

417

Lang niet gezien.

It's been a long time.

418

Dit is mijn lievelingsliedje.

It's my favorite song.

419

Laat mij het woord voeren.

Let me do the talking.

420

Laten we uit eten gaan vanavond.

Let's eat out tonight.

421

Zo vader, zo zoon.

Like father, like son.

422

Geld maakt alle deuren open.

Money opens all doors.

423

Mijn broer is gezond.

My brother is healthy.

424

Mijn vader is arts.

My father is a doctor.

425

Mijn vader is dokter.

My father is a doctor.

426

Mijn schoenen zijn versleten.

My shoes are worn out.

427

Niemand begrijpt me.

Nobody understands me.

428

Niet alle vogels kunnen vliegen.

Not all birds can fly.

429

Ons team heeft de wedstrijd gewonnen.

Our team won the game.

430

Laat me alsjeblieft met rust.

Please leave me alone.

431

Denk er eens over na als je wil.

Please think about it.

432

Zeg het op een andere manier.

Say it in another way.

433

Zij spreekt Russisch.

She can speak Russian.

434

Ze heeft een misdaad begaan.

She committed a crime.

435

Ze haatte haar echtgenoot.

She hated her husband.

436

Ze is een goed zwemster.

She is a good swimmer.

437

Ze is bijna zestig.

She is close to sixty.

438

Ze is vijf jaar.

She is five years old.

439

Ze is zeker druk bezig.

She must be very busy.

440

Gaat u maar zitten waar u maar wilt.

Sit wherever you like.

441

Er stinkt hier iets.

Something stinks here.

442

Zeg me wat je wil.

Tell me what you want.

443

Bedankt voor het bellen.

Thank you for calling.

444

De vogels zingen.

The birds are singing.

445

De radio is te luid.

The radio is too loud.

446

Deze bloes is van katoen.

This blouse is cotton.

447

Dat is niet belangrijk.

This is not important.

448

Dat is mijn broek.

Those are my trousers.

449

Vandaag is je dag niet.

Today is not your day.

450

Tom kan niet tennissen.

Tom can't play tennis.

451

Wacht tot ik tot tien tel.

Wait till I count ten.

452

We verlangen allemaal naar succes.

We all desire success.

453

We missen je heel erg.

We miss you very much.

454

We beginnen dadelijk met het werk.

We'll begin work soon.

455

Waar zijn de douches?

Where are the showers?

456

Waar is het toilet?

Where is the bathroom?

457

Waar is het toilet?

Where is the washroom?

458

Wie heeft de sneeuwpop gemaakt?

Who built the snowman?

459

Wie denk je dat ik ben?

Who do you think I am?

460

Komt hij morgen?

Will he come tomorrow?

461

Zult ge thuis blijven?

Will you stay at home?

462

Je moet niet eten.

You don't have to eat.

463

Ge moet uw best doen.

You must do your best.

464

Uw neus bloedt.

Your nose is bleeding.

465

Een spons neemt water op.

A sponge absorbs water.

466

Duizend yen zal volstaan.

A thousand yen will do.

467

Beter laat dan nooit.

Better late than never.

468

Bill is mijn beste vriend.

Bill is my best friend.

469

Breng me de tijdschriften.

Bring me the magazines.

470

Koop de jurk de je wilt.

Buy any dress you like.

471

Mag ik een papieren tas?

Can I have a paper bag?

472

Kun je boekhouden?

Can you do bookkeeping?

473

Katten zijn niet graag nat.

Cats dislike being wet.

474

Gewoonlijk hebben katten een hekel aan honden.

Cats usually hate dogs.

475

Vond je de film leuk?

Did you enjoy the film?

476

Hebt ge hem zien buitengaan?

Did you see him go out?

477

Heb je gisteren gewerkt?

Did you work yesterday?

478

Het avondeten is bijna klaar.

Dinner is almost ready.

479

Bestaan spoken echt?

Do ghosts really exist?

480

Weet je wie zij is?

Do you know who she is?

481

Vind je dit een mooie kleur?

Do you like this color?

482

Studeer je scheikunde?

Do you study chemistry?

483

Spreekt ze Engels?

Does she speak English?

484

Verspil je geld niet.

Don't waste your money.

485

Vissen leven in het water.

Fish live in the water.

486

Is hij al aangekomen?

Has he arrived already?

487

Hij vroeg om mijn raad.

He asked for my advice.

488

Hij stelde me een vraag.

He asked me a question.

489

Hij barstte in lachen uit.

He burst into laughter.

490

Hij veranderde een paar woorden.

He changed a few words.

491

Hij houdt niet van koffie.

He doesn't like coffee.

492

Hij is in de gracht gevallen.

He fell into the ditch.

493

Hij houdt van eten.

He has a good appetite.

494

Hij is een ervaren chauffeur.

He is an expert driver.

495

Hij is een ervaren bestuurder.

He is an expert driver.

496

Hij is een ervaren drijver.

He is an expert driver.

497

Hij zwemt graag.

He is fond of swimming.

498

Hij is arm, maar eerlijk.

He is poor, but honest.

499

Hij klopte op de deur.

He knocked on the door.

500

Hij maakte haar een nieuwe jas.

He made her a new coat.