Dutch Sentences 6 Flashcards Preview

Dutch > Dutch Sentences 6 > Flashcards

Flashcards in Dutch Sentences 6 Deck (500)
1

Breng mij een stukje papier a.u.b.

Please fetch me a piece of paper.

2

Help me alsjeblieft met dit deksel eraf te krijgen.

Please help me take this lid off.

3

Zeg alsjeblieft gedag tegen je ouders.

Please say hello to your parents.

4

Zeg mij wat ge op dat ogenblik gezien hebt.

Please tell me what you saw then.

5

Ze maakt kip klaar op de manier die ik lekker vind.

She cooks chicken the way I like.

6

Ze is getrouwd aan 25 jaar.

She got married at the age of 25.

7

Zij gaat volgende week naar Frankrijk.

She is going to France next week.

8

Ze is te jong om naar school te gaan.

She is too young to go to school.

9

Ze bleef heel haar leven vrijgezel.

She remained single all her life.

10

Ze vertelde me een interessant verhaal.

She told me an interesting story.

11

Ze is ongeveer even oud als ik.

She's about the same age as I am.

12

Ze vraagt hoe dat kan.

She's asking how that's possible.

13

Beter een half ei dan een lege dop.

Something is better than nothing.

14

Japans spreken is makkelijk voor mij.

Speaking Japanese is easy for me.

15

Het is bijna lente.

Spring is just around the corner.

16

Zwitserland is een neutraal land.

Switzerland is a neutral country.

17

Zeg me waarom je daarheen wilt gaan.

Tell me why you want to go there.

18

Bedankt voor het wonderbaarlijke eten.

Thank you for the wonderful meal.

19

Dat is zeker een mogelijkheid.

That's certainly one possibility.

20

De rekening bedroeg 100 dollar.

The bill amounted to 100 dollars.

21

De stoel is niet dichtbij het raam.

The chair is not near the window.

22

De storm veroorzaakte veel schade.

The storm caused a lot of damage.

23

De telefoon ging een paar keer over.

The telephone rang several times.

24

De Verenigde Staten grenzen aan Canada.

The United States borders Canada.

25

Deze bomen zijn door hen geplant.

These trees were planted by them.

26

Ze verkozen haar tot burgemeester.

They elected her to be the mayor.

27

Deze jurk is goedkoper dan die van jou.

This dress is cheaper than yours.

28

Dit ziekenhuis wordt door de stad gerund.

This hospital is run by the city.

29

Dit is alles wat ik weet tot dusver.

This is all that is known so far.

30

Deze kamer is aangenaam om in te werken.

This room is pleasant to work in.

31

Deze zin slaat nergens op.

This sentence doesn't make sense.

32

Deze wijn is erg lekker.

This wine is extremely delicious.

33

Tom is een vrij goede snowboarder.

Tom is a pretty good snowboarder.

34

Tom woont nu bij zijn oom.

Tom is living with his uncle now.

35

Twee kaartjes naar San Diego, alsjeblieft.

Two tickets to San Diego, please.

36

We hebben dezelfde problemen als jij.

We have the same problems as you.

37

We stonden aan de rand van een klif.

We stood on the brink of a cliff.

38

We zouden het leuk vinden als je wat liedjes zong.

We'd like you to sing some songs.

39

Wat doe je in je vrije tijd?

What do you do in your free time?

40

Wat doen jullie in je vrije tijd?

What do you do in your free time?

41

Als ik ze bel, neemt er niemand op.

When I phone them nobody answers.

42

IJs wordt water wanneer het smelt.

When ice melts, it becomes water.

43

Wanneer ben je klaar om te vertrekken?

When will you get ready to leave?

44

Waar in Oostenrijk ben je opgegroeid?

Where in Austria did you grow up?

45

Waar zou je als eerste heen willen?

Where would you like to go first?

46

Welke landen heb je bezocht?

Which countries have you visited?

47

Wie neem je mee naar het toneelstuk?

Who are you bringing to the play?

48

Wil je nog een kopje thee?

Will you have another cup of tea?

49

Wilt u nog een kopje thee?

Will you have another cup of tea?

50

Kun je mij je woordenboek lenen?

Will you lend me your dictionary?

51

Mogen we bij jou overnachten?

Will you put us up for one night?

52

Wilt u iets drinken?

Would you like to drink anything?

53

Willen jullie iets drinken?

Would you like to drink anything?

54

Wil je iets drinken?

Would you like to drink anything?

55

Wil je graag witte of rode wijn?

Would you like white wine or red?

56

Wilt ge zo goed zijn het venster open te doen?

Would you please open the window?

57

Je hoeft je geen zorgen daarover te maken.

You don't need to worry about it.

58

Je hebt het recht om boos te zijn.

You have good reason to be angry.

59

Je mag altijd mijn woordenboek gebruiken.

You may always use my dictionary.

60

Ge zoudt altijd de waarheid moeten zeggen.

You should always tell the truth.

61

Je tuin heeft wat aandacht nodig.

Your garden needs some attention.

62

Een regenboog is een natuurlijk fenomeen.

A rainbow is a natural phenomenon.

63

Goed. Ik aanvaard je aanbod.

All right. I'll accept your offer.

64

Appels werden als nagerecht geserveerd.

Apples were served as the dessert.

65

Ga je het opnieuw doen?

Are you going to do it over again?

66

Kunt ge met de trein naar kantoor gaan?

Can you go to the office by train?

67

Kun je iets beters bedenken?

Can you think of something better?

68

Carol staat elke ochtend vroeg op.

Carol gets up early every morning.

69

Zou je misschien later kunnen terugbellen?

Could you call again later please?

70

Kunt u alstublieft plaats voor mij maken?

Could you please make room for me?

71

Heb je de Tower of London bezocht?

Did you visit the Tower of London?

72

Verstaat ge wat ik zeg?

Do you understand what I'm saying?

73

Elke jongen heeft zijn diploma gekregen.

Each boy has received his diploma.

74

Edison heeft de elektrische lamp uitgevonden.

Edison invented the electric lamp.

75

Veel plezier op het feestje, John.

Enjoy yourself at the party, John.

76

Iedereen in het dorp kende hem.

Everybody in the village knew him.

77

George is onze team aanvoerder.

George is the captain of our team.

78

Hij vergat zijn belofte daarnaartoe te gaan.

He forgot his promise to go there.

79

Hij laat zijn haar eens per maand knippen.

He gets his hair cut once a month.

80

Hij is rijk genoeg om twee auto's te kopen.

He is rich enough to buy two cars.

81

Iedereen spreekt goed over hem.

He is well spoken of by everybody.

82

Je had het nu wel af moeten hebben.

He should have finished it by now.

83

Hij liet me zijn fotoalbum zien.

He showed me his photograph album.

84

Hij was bang dat je op hem ging schieten.

He was scared you would shoot him.

85

Hij was erg vriendelijk tegen iedereen.

He was very friendly to everybody.

86

Hij zal volgende maand naar New York gaan.

He will go to New York next month.

87

Zijn broer gaat met de bus naar school.

His brother goes to school by bus.

88

En als we deze avond eens buiten gingen eten?

How about eating out this evening?

89

Ik ben beschaamd over de luiheid van mijn zoon.

I am ashamed of my son's laziness.

90

Ik ben niet de persoon die ik tien jaar geleden was.

I am not what I was ten years ago.

91

Ik kwam hier aan rond vijf uur.

I arrived here about five o'clock.

92

Ik weet niet op welke knop ik moet drukken.

I don't know which button to push.

93

Ik denk niet dat dat een goed idee is.

I don't think this is a good idea.

94

Ik begrijp niet wat zijn echte doel is.

I fail to understand his true aim.

95

Gisteren heb ik een brief van haar gekregen.

I had a letter from her yesterday.

96

Ik heb dit boek al uit.

I have already finished this book.

97

Ik ben net terug uit school.

I have just come back from school.

98

Ik heb geen geld meer in m'n portemonnee.

I have no more money in my wallet.

99

Ik heb de trein gemist op twee minuten na.

I missed the train by two minutes.

100

Ik weiger om nog langer genegeerd te worden.

I refuse to be ignored any longer.

101

Volgens mij is mijn Duits niet erg goed.

I think my German isn't very good.

102

Ik wil rond de wereld reizen.

I want to travel around the world.

103

Ik wou dat ik met haar had kunnen meegaan.

I wish I could have gone with her.

104

Ik zou heel graag een koud glas bier willen hebben.

I would love a cold glass of beer.

105

Ik nodig iedereen uit die wil komen.

I'll invite whoever wants to come.

106

Ik zal hier wachten tot hij terugkomt.

I'll wait here till he comes back.

107

Ik zoek een jas in mijn maat.

I'm looking for a coat in my size.

108

Ik neem morgenmiddag vrij.

I'm taking tomorrow afternoon off.

109

Ik ben te moe om nog verder te stappen.

I'm too tired to walk any further.

110

Ik heb alles wat ge wilt.

I've got everything that you want.

111

In mijn droom kwam ik een wolf tegen.

In my dream, I encountered a wolf.

112

Is uw school ver van uw huis?

Is your school far from your home?

113

Het gebeurde tussen acht en tien uur.

It happened between eight and ten.

114

Het is aan het regenen sinds dinsdag.

It has been raining since Tuesday.

115

Het heeft geen zin me voor de gek te houden.

It is no use trying to deceive me.

116

Het was erg leuk je weer eens gezien te hebben.

It was very nice seeing you again.

117

Jim is smoorverliefd op zijn vriendin.

Jim is crazy about his girlfriend.

118

John weet niet wat hij verder moet doen.

John doesn't know what to do next.

119

Ik zal je aan mijn moeder voorstellen.

Let me introduce my mother to you.

120

Laat ons wachten tot het ophoudt met regenen.

Let's wait until it stops raining.

121

Mike heeft een aantal vrienden in Florida.

Mike has a few friends in Florida.

122

Mijn vader eet niet veel fruit.

My father does not eat much fruit.

123

Mijn vader zal om zeven uur thuis komen.

My father will come home at seven.

124

Mijn moeder heeft me gemaakt tot wat ik vandaag ben.

My mother made me what I am today.

125

Misschien zal hij wel nooit beroemd worden.

Perhaps he'll never become famous.

126

Kom me alsjeblieft even helpen in mijn kamer.

Please come to my room to help me.

127

Ze besloot met Tom te trouwen.

She decided to get married to Tom.

128

Ze hing de kalender aan de muur.

She hung the calendar on the wall.

129

Ze is zo mooi als Sneeuwwitje.

She is as beautiful as Snow White.

130

Zij heeft haar zoon alleen in de auto achtergelaten.

She left her son alone in the car.

131

Ze heeft het ziekenhuis een uur geleden verlaten.

She left the hospital an hour ago.

132

Ze raakte gewond in een auto-ongeluk.

She was injured in a car accident.

133

Zij is een vrouw met een sterke persoonlijkheid.

She's a woman of strong character.

134

Enkele personen zijn bang voor spinnen.

Some people are afraid of spiders.

135

In deze winkel worden geen postzegels verkocht.

Stamps are not sold in this store.

136

De zomerdagen kunnen heel, heel heet zijn.

Summer days can be very, very hot.

137

Heel erg bedankt voor de uitnodiging.

Thank you so much for inviting me.

138

Die vos moet de hen gedood hebben.

That fox must have killed the hen.

139

De jongen spreekt alsof hij een man is.

The boy talks as if he were a man.

140

De stad wil de weg verlengen.

The city wants to extend the road.

141

De berg is bedekt met sneeuw.

The mountain is covered with snow.

142

Het probleem is zo goed als afgehandeld.

The problem is as good as settled.

143

De regen bleef de ganse nacht door aanhouden.

The rain lasted through the night.

144

De weg loopt parallel aan de rivier.

The road is parallel to the river.

145

Bijna elke dag is de hemel helderblauw.

The sky is clear almost every day.

146

Ze waren jong toen ze trouwden.

They married when they were young.

147

Gisteravond heeft Tom geen avondeten gegeten.

Tom didn't have dinner last night.

148

Tom was getuige van het ongeluk.

Tom was a witness to the accident.

149

Twee criminelen ontsnapten uit de gevangenis.

Two criminals escaped from prison.

150

Helaas is het gerucht waar.

Unfortunately, that rumor is true.

151

Pas op voor dieven in deze omgeving.

Watch out for thieves around here.

152

We hebben weinig zonnige dagen gehad deze zomer.

We had few sunny days this summer.

153

We zijn vijf jaar getrouwd.

We've been married for five years.

154

Wat denk je dat ik aan het doen was?

What do you think I've been doing?

155

Wat zal je doen wanneer je volwassen bent?

What will you do when you grow up?

156

Wanneer zal je terugkomen naar school?

When will you come back to school?

157

Wanneer kom je terug naar school?

When will you come back to school?

158

Waarom belde je me niet afgelopen nacht?

Why didn't you call me last night?

159

Waarom ben je altijd te laat?

Why is it that you're always late?

160

Wil je wat drinken?

Would you like something to drink?

161

Al mijn vrienden en familie zijn dood.

All my friends and family are dead.

162

Amerikanen zijn erg vriendelijk.

Americans are very friendly people.

163

Ben je klaar om het slechte nieuws te horen?

Are you ready to hear the bad news?

164

In het begin wist ik niet wat te doen.

At first, I didn't know what to do.

165

Aanval is de beste verdediging.

Attack is the best form of defense.

166

Bern is de hoofdstad van Zwitserland.

Bern is the capital of Switzerland.

167

China is rijk aan natuurlijke grondstoffen.

China is rich in natural resources.

168

Kom je uit een muzikaal gezin?

Did you come from a musical family?

169

Zit je op de baseballclub?

Do you belong to the baseball club?

170

Weet ge hoe oud juffrouw Nakano is?

Do you know how old Miss Nakano is?

171

Kent u de hoofdstad van België?

Do you know the capital of Belgium?

172

Kennen jullie de hoofdstad van België?

Do you know the capital of Belgium?

173

Vergeet niet dat we huiswerk hebben.

Don't forget that we have homework.

174

Nederlands is nauw verwant aan Duits.

Dutch is closely related to German.

175

Duitsland was ooit een bondgenoot van Italië.

Germany was once allied with Italy.

176

Hebt ge uw contactlenzen gevonden?

Have you found your contact lenses?

177

Hij handelde achter de rug van de directeur.

He acted behind the manager's back.

178

Hij komt bijna elk weekend thuis.

He comes home almost every weekend.

179

Hij stierf op de dag dat zijn zoon arriveerde.

He died on the day his son arrived.

180

Hij stierf zonder een testament opgesteld te hebben.

He died without having made a will.

181

Hij moest het dagenlang zonder eten doen.

He had to go without food for days.

182

Hij moest het dagenlang zonder voedsel stellen.

He had to go without food for days.

183

Hij staat erop nog een spel te spelen.

He insists on playing another game.

184

Soms is hij van school afwezig.

He is sometimes absent from school.

185

Hij verstaat de kunst om vrienden te maken.

He knows the art of making friends.

186

Drie uur later keerde hij naar huis terug.

He returned home three hours later.

187

Hij zei dat hij snel terug zou zijn.

He said that he would be back soon.

188

Hij gaat de stad nooit meer bezoeken.

He will never visit the town again.

189

Hij zal het werk niet aankunnen.

He will not be able to do the work.

190

Hij is ongeveer even oud als jij.

He's about the same age as you are.

191

Hij is niet goed in het onthouden van namen.

He's not good at remembering names.

192

Zijn argument was verre van rationeel.

His argument was far from rational.

193

Zijn broer is afgelopen maand overleden.

His brother passed away last month.

194

Hoeveel boeken lees je per maand?

How many books do you read a month?

195

Haast je, of je haalt de trein niet.

Hurry up, or you'll miss the train.

196

Ik ben ervan overtuigd dat hij onschuldig is.

I am convinced that he is innocent.

197

Ik ben niet zeker wanneer hij terug zal zijn.

I am not sure when he will be back.

198

Ik heb deze jurk voor een lage prijs gekocht.

I bought this dress at a low price.

199

Ik kan amper verstaan wat hij zegt.

I can hardly make out what he says.

200

Ik kan even niet op zijn naam komen.

I can't think of his name just now.

201

Ik twijfel er niet aan dat hij me zal helpen.

I don't doubt that he will help me.

202

Ik liet mijn broer mijn fiets repareren.

I had my brother repair my bicycle.

203

Ik heb hier dertig jaar gewoond.

I have lived here for thirty years.

204

Ik weet dat geld niet alles is.

I know that money isn't everything.

205

Ik ken het huis waar hij geboren is.

I know the house where he was born.

206

Ik lachte zoveel tot ik buikpijn kreeg.

I laughed so much my stomach hurts.

207

Ik heb Frans geleerd in plaats van Duits.

I learned French instead of German.

208

Ik heb haar ontmoet tijdens mijn verblijf in Mexico.

I met her during my stay in Mexico.

209

Ik heb een koffer nodig. Leen je mij er een?

I need a bag. Will you lend me one?

210

Ik moet je een domme vraag stellen.

I need to ask you a silly question.

211

Ik heb het boek teruggebracht naar de bibliotheek.

I returned the book to the library.

212

Ik bleef binnen omdat het regende.

I stayed indoors because it rained.

213

Ik denk dat ge haar wat uitleg zult moeten geven.

I think you owe her an explanation.

214

Ik wil nu iets kouds drinken.

I want something cold to drink now.

215

Ik was gisteren niet aanwezig op school.

I was absent from school yesterday.

216

Ik werk alle dagen van negen tot vijf.

I work from nine to five every day.

217

Ik zou beter niet uitgaan vanavond.

I'd rather not go out this evening.

218

Ik ben niet goed in het classificeren van dingen.

I'm not good at classifying things.

219

Ik ben niet gewoon voor een publiek te spreken.

I'm not used to speaking in public.

220

Ik ben erg druk, dus reken niet op mij.

I'm very busy so don't count on me.

221

Het was heel koud gisterochtend.

It was very cold yesterday morning.

222

Dat is niet echt een verrassing toch?

It's not much of a surprise, is it?

223

Het is mogelijk dat Tom tegen je loog.

It's possible that Tom lied to you.

224

Laten we doen alsof we soldaten zijn.

Let's pretend that we are soldiers.

225

Lucy heeft me drie dagen geleden bezocht.

Lucy came to see me three days ago.

226

Mary's rugpijn martelde haar.

Mary's back pain was torturing her.

227

Wiskunde is mijn lievelingsvak.

Mathematics is my favorite subject.

228

Mijn vader woont en werkt in Tokio.

My father lives and works in Tokyo.

229

Mijn vader ging op 65 jarige leeftijd met pensioen.

My father retired at the age of 65.

230

Mijn grootmoeder maakte me een nieuwe jurk.

My grandmother made me a new dress.

231

Mijn zus liet me een nieuw horloge zien.

My sister showed a new watch to me.

232

Bijt nooit de hand die je voedt.

Never bite the hand that feeds you.

233

Niemand luisterde naar de toespraak.

Nobody was listening to the speech.

234

Niemand luisterde naar de speech.

Nobody was listening to the speech.

235

Niet één van de telefoons werkt.

None of the telephones are working.

236

Stort het geld in een bank a.u.b.

Please deposit the money in a bank.

237

Eet nu het nog warm is, alsjeblieft.

Please eat it while it's still hot.

238

Vul alsjeblieft deze emmer met water.

Please fill this bucket with water.

239

Vul alstublieft deze emmer met water.

Please fill this bucket with water.

240

Leg dat boek boven op de andere.

Put this book on top of the others.

241

Russisch is erg moeilijk te leren.

Russian is very difficult to learn.

242

Zaterdag is mijn vader vrij.

Saturday is when my father is free.

243

Ze deelde het geheim niet met me.

She didn't let me in on her secret.

244

Ze heeft haar gebreken maar ik mag haar graag.

She has her faults, but I like her.

245

Ze gaat graag alleen wandelen.

She likes to go walking by herself.

246

Er is iets mis met de motor.

Something is wrong with the engine.

247

Misschien is er iets met hem gebeurd.

Something may have happened to him.

248

Zwitserland is een mooi land.

Switzerland is a beautiful country.

249

Neem dit medicijn na elke maaltijd.

Take this medicine after each meal.

250

Het is gevaarlijk om in die rivier te zwemmen.

That river is dangerous to swim in.

251

Het gebouw is op het moment in aanbouw.

The building is under construction.

252

De ceremonie begon met zijn toespraak.

The ceremony began with his speech.

253

Het ijs is dik genoeg om er op te stappen.

The ice is thick enough to walk on.

254

Het ijs is dik genoeg om er op te lopen.

The ice is thick enough to walk on.

255

Het mysterie blijft onopgelost.

The mystery still remains unsolved.

256

Nederland is een klein land.

The Netherlands is a small country.

257

De geur van rozen vulde de kamer.

The smell of roses filled the room.

258

De trein kwam op tijd aan in Kyoto.

The train arrived in Kyoto on time.

259

De wind komt uit het noorden.

The wind is blowing from the north.

260

In het mandje zitten een paar appels.

There are few apples in the basket.

261

Er is een televisie in deze kamer.

There is a television in this room.

262

Er is weinig water in het glas.

There is little water in the glass.

263

Er moet iets zijn dat je kan doen.

There must be something you can do.

264

Ze zochten allen naar het vermiste kind.

They all looked for the lost child.

265

Ze hadden niet veel om te eten.

They did not have much food to eat.

266

Deze gebroken vaas kan niet gerepareerd worden.

This broken vase can't be repaired.

267

Dit is een heel tijdrovende taak.

This is a very time-consuming task.

268

Dat is altijd zo geweest.

This is always the way it has been.

269

Dit is de jurk die ik vorige week heb gemaakt.

This is the dress I made last week.

270

Deze machine produceert elektriciteit.

This machine generates electricity.

271

Totoro maakt met iedereen vrienden.

Totoro makes friends with everyone.

272

We zijn het gewend om schoenen te dragen.

We are accustomed to wearing shoes.

273

We zijn in het tijdperk van de atoomenergie.

We are in the era of atomic energy.

274

We plannen een trip naar New York.

We are planning a trip to New York.

275

Wij vinden Venetië een fascinerende stad.

We think Venice a fascinating city.

276

Wat hij zei, bleek waar te zijn.

What he said turned out to be true.

277

Wat is de betekenis van deze zin?

What is the meaning of this phrase?

278

Wat je ook doet, vergeet dit niet.

Whatever you do, don't forget this.

279

Wanneer zijt ge begonnen met Duits te leren?

When did you begin learning German?

280

Waar kan ik bus nummer 7 nemen?

Where can I catch the number 7 bus?

281

Waar heb je Italiaans geleerd?

Where did you pick up your Italian?

282

Waar er leven is, is er hoop.

Where there is life, there is hope.

283

Zolang er leven is, is er hoop.

While there is life, there is hope.

284

Normaal gesproken vallen wolven geen mensen aan.

Wolves won't usually attack people.

285

Vrouwen leven over het algemeen langer dan mannen.

Women tend to live longer than men.

286

Gisteren heb I Mary op de straat ontmoet.

Yesterday I met Mary on the street.

287

Je mag dit boek gratis hebben.

You can have this book for nothing.

288

Je mag mijn auto gebruiken, als je wil.

You can use my car, if you want to.

289

Je bent een goede leermeester voor me geweest.

You have been a great mentor to me.

290

Ge moet u enkele dagen stil houden.

You must keep quiet for a few days.

291

Je moet rekening houden met zijn leeftijd.

You must take his age into account.

292

Jij moet je hoofd laten nakijken.

You should have your head examined.

293

Je vrienden zullen je missen.

You will be missed by your friends.

294

Je ideeën verschillen van de mijne.

Your ideas are different from mine.

295

Uw ouders zijn niet gekomen zeker?

Your parents didn't come, did they?

296

Een vriend van mij studeert in het buitenland.

A friend of mine is studying abroad.

297

Een aap beklimt een hoge boom.

A monkey is climbing up a tall tree.

298

We keken allemaal uit het raam.

All of us looked through the window.

299

Ben je een leerkracht of een leerling hier?

Are you a teacher here or a student?

300

Komt u naar de bijeenkomst?

Are you going to attend the meeting?

301

Zeg je dat mijn leven in gevaar is?

Are you saying my life is in danger?

302

Het is bijna kerst.

Christmas is just around the corner.

303

Kan iemand de deur opendoen alsjeblieft?

Could somebody please open the door?

304

Hebt ge ontbeten deze morgen?

Did you have breakfast this morning?

305

Moet ik hier mijn schoenen uitdoen?

Do I have to take off my shoes here?

306

Ga niet naar buiten, het regent hard.

Don't go outside. It's raining hard.

307

Men moet het paard niet achter de wagen spannen.

Don't put the cart before the horse.

308

Aardbevingen kunnen zich op elk moment voordoen.

Earthquakes may occur at any moment.

309

Iedereen lacht in de foto.

Everybody in the picture is smiling.

310

Fred schreef aan zijn moeder een lange brief.

Fred wrote his mother a long letter.

311

Duitsland grenst aan Frankrijk.

Germany shares a border with France.

312

Goede tradities moeten behouden worden.

Good traditions should be preserved.

313

Heb je ooit een ernstige ziekte gehad?

Have you ever had a serious illness?

314

Hij en ik zijn bijna even groot.

He and I are almost the same height.

315

Hij kan het Russisch zowel spreken als schrijven.

He can both speak and write Russian.

316

Hij droeg zijn bagage naar de trein.

He carried her luggage to the train.

317

Hij ontkende er iets van af te weten.

He denied knowing anything about it.

318

Hij creëert een storm in een glas water.

He makes mountains out of molehills.

319

Hij zei dat hij van plan was een risico te nemen.

He said he was going to take a risk.

320

Hij heeft een kleine jongen van de verdrinkingsdood gered.

He saved a little boy from drowning.

321

Hij spreekt zowel Spaans als Frans.

He speaks Spanish as well as French.

322

Hij stond daar met gesloten ogen.

He stood there with his eyes closed.

323

Hij slaagde erin het probleem op te lossen.

He succeeded in solving the problem.

324

Hij heeft me verteld om het raam open te houden.

He told me to leave the window open.

325

Haar moeder heeft haar gemaakt tot wat ze is.

Her mother has made her what she is.

326

Ik ben moe en ik wil naar bed gaan.

I am tired, and I want to go to bed.

327

Ik heb 1000 yen geleend van mijn kozijn.

I borrowed 1,000 yen from my cousin.

328

Ik heb mijn hond begraven op het huisdierenkerkhof.

I buried my dog at the pet cemetery.

329

Ik heb besloten haar te zeggen dat ik van haar hou.

I decided on telling her of my love.

330

Ik ken geen van deze vijf dames.

I don't know any of the five ladies.

331

Ik weet niet wat ik van nu af aan moet doen.

I don't know what to do from now on.

332

Ik weet niet wanneer Bob naar Japan gekomen is.

I don't know when Bob came to Japan.

333

Ik weet niet wanneer hij hier zal komen.

I don't know when he will come here.

334

Ik lees dit soort boek niet vaak.

I don't read this kind of book much.

335

Ik kwam dat restaurant toevallig tegen.

I found that restaurant by accident.

336

Ik heb keelpijn en een loopneus.

I have a sore throat and runny nose.

337

Ik heb geen enkel idee waarom zij zo kwaad geworden is.

I have no idea why she got so angry.

338

Ik heb dat verhaal in een of ander boek gelezen.

I have read that story in some book.

339

Morgenochtend vertrek ik naar Londen.

I leave for London tomorrow morning.

340

Ik hou van het trage ritme van dat liedje.

I like the slow rhythm of that song.

341

Ik heb mijn portemonnee verloren op weg naar school.

I lost my purse on my way to school.

342

Ik had nooit gedacht dat het zo gemakkelijk zou zijn.

I never thought it would be so easy.

343

Ik had nooit gedacht dat het zo gemakkelijk ging zijn.

I never thought it would be so easy.

344

Ik bleef thuis omdat ik ziek was.

I stayed at home because I was sick.

345

Ik wil een pak gemaakt van dit materiaal.

I want a suit made of this material.

346

Ik zal je nooit dwingen om met hem te trouwen.

I will never force you to marry him.

347

Ik blijf hier niet lang.

I will stay here for a short period.

348

Ik zal jullie vandaag verder niets vragen.

I won't ask you anything else today.

349

Ik zal je vandaag verder niets vragen.

I won't ask you anything else today.

350

Ik heb het liever dat je niet zo veel rookt.

I'd rather you didn't smoke so much.

351

Ik ben ontgoocheld dat hij hier niet is.

I'm disappointed that he's not here.

352

Het spijt me dat ik vandaag niet met je mee kan gaan.

I'm sorry I can't go with you today.

353

Ik heb je nog nooit zo horen praten.

I've never heard you talk like that.

354

Gedane zaken nemen geen keer.

It is no use crying over spilt milk.

355

Het is niet zo moeilijk als je denkt.

It is not so difficult as you think.

356

Jack werd uitgelachen door al de jongens.

Jack was laughed at by all the boys.

357

Jane en ik spelen goed piano.

Jane and I play the piano very well.

358

Kate drinkt elke dag een heleboel melk.

Kate drinks a lot of milk every day.

359

Laten we het probleem met hen overleggen.

Let's discuss the problem with them.

360

Laten we hier een keer per week vergaderen.

Let's get together here once a week.

361

Laat ons vertrekken van zodra hij terug is.

Let's leave as soon as he gets back.

362

Doe het raam op slot voor je naar bed gaat.

Lock the window before going to bed.

363

Het wordt erger en erger.

Matters are getting worse and worse.

364

Minirokjes zijn uit de mode geraakt.

Miniskirts have gone out of fashion.

365

Moderne schepen hebben maar een kleine bemanning nodig.

Modern ships only need a small crew.

366

Mijn tante was blij met mijn succes.

My aunt was pleased with my success.

367

Mijn vader maakte me een heerlijk middagmaal.

My father made me a delicious lunch.

368

Mijn grootvader heeft sneeuwwit haar.

My grandfather has snowy white hair.

369

Mijn moeder bakt elke morgen brood.

My mother bakes bread every morning.

370

Niet alle boeken zijn het waard om te lezen.

Not all the books are worth reading.

371

Niet iedereen die hier woont is rijk.

Not everyone who lives here is rich.

372

Kunt u de benodigde papieren inleveren?

Please hand in the necessary papers.

373

Spreek alsjeblieft zo duidelijk mogelijk.

Please speak as clearly as possible.

374

Wees alsjeblieft meer voorzichtig in de toekomst.

Please take more care in the future.

375

Uiteindelijk is ze met hem getrouwd.

She ended up getting married to him.

376

Ze gaf hem wat warms te drinken.

She gave him something hot to drink.

377

Ze heeft een dochter die pianiste is.

She has a daughter who is a pianist.

378

Iemand riep mijn naam in het duister.

Somebody called my name in the dark.

379

Een vreemde taal leren is moeilijk.

Studying a foreign language is hard.

380

Het is jouw schuld dat ik mijn eetlust kwijt ben.

Thanks to you I've lost my appetite.

381

Dat kind wierp een steen naar de hond.

That child threw a stone at the dog.

382

Deze kopie verschilt met het origineel.

That copy differs from the original.

383

Dat huis is veel beter dan dit.

That house is much better than this.

384

De draak is een fantasiebeest.

The dragon is an imaginary creature.

385

Het huis wordt verwarmd door middel van zonne-energie.

The house is heated by solar energy.

386

De apen vlooien elkaar.

The monkeys are grooming each other.

387

De oude man viel op de grond.

The old man fell down on the ground.

388

De zon kwam te voorschijn en het ijs smolt.

The sun came out and the ice melted.

389

Deze dozen zijn gemaakt van plastiek.

These boxes are made out of plastic.

390

Ze vochten voor godsdienstvrijheid.

They fought for freedom of religion.

391

Op zondagmorgen gaan ze naar de kerk.

They go to church on Sunday morning.

392

Zij gaan naar de kerk op zondagochtend.

They go to church on Sunday morning.

393

Dat boek is geschikt voor beginners.

This book is suitable for beginners.

394

Dit gesprek wordt geregistreerd.

This conversation is being recorded.

395

Dit document is alleen voor jou bestemd.

This document is for your eyes only.

396

Deze trein bestaat uit zeven rijtuigen.

This train is made up of seven cars.

397

Tom vergat bijna de bijeenkomst.

Tom almost forgot about the meeting.

398

Tom spreekt vloeiend Japans.

Tom is a fluent speaker of Japanese.

399

We hebben de datum van de vergadering uitgesteld.

We advanced the date of the meeting.

400

Wij eten altijd om zes uur 's avonds.

We have supper at six every evening.

401

We overnachtten in een goedkoop hotel.

We spent the night in a cheap hotel.

402

Hoe heet deze vis in het Engels?

What is this fish called in English?

403

Als ik later groot ben, wil ik koning worden.

When I grow up, I want to be a king.

404

Waar wil je van de zomer heen gaan?

Where do you want to go this summer?

405

Waar een wil is, is een weg.

Where there's a will, there's a way.

406

Waar is de dichtstbijzijnde telefooncel?

Where's the nearest telephone booth?

407

Waarom woonde je in Kyoto vorig jaar?

Why did you live in Kyoto last year?

408

Ge houdt van klassieke muziek, nietwaar?

You like classical music, don't you?

409

Je moet meer informatie verzamelen.

You must gather further information.

410

Na het eten vroeg ik om de rekening.

After the meal, I asked for the bill.

411

Al hun geheimen werden onthuld.

All their secrets have been revealed.

412

Zijn er genoeg stoelen voor iedereen?

Are there enough chairs to go around?

413

Kun je deze sterren in Australië zien?

Can these stars be seen in Australia?

414

China is het grootste land in Azië.

China is the largest country in Asia.

415

Heeft uw oom u zijn auto laten besturen?

Did your uncle let you drive his car?

416

Verkopen ze schriften in die winkel?

Do they sell notebooks at that store?

417

Probeer niet twee dingen tegelijk te doen.

Don't try to do two things at a time.

418

Hij hecht altijd waarde aan de mening van zijn vrouw.

He always values his wife's opinions.

419

Hij deed wat hij beloofd heeft voor mij.

He did what he promised to do for me.

420

Hij ging de kamer in met zijn hoed af.

He entered the room with his hat off.

421

Hij werd een heel betrouwbare man.

He grew up to be a very reliable man.

422

Hij heeft een ongeluk gehad en zijn been gebroken.

He had an accident and broke his leg.

423

Hij is al drie jaar in Japan.

He has been in Japan for three years.

424

Hij is onlangs teruggekomen uit Frankrijk.

He has recently returned from France.

425

Hij baande zijn weg doorheen de problemen.

He made his way through difficulties.

426

Teder legde hij zijn hand op haar schouder.

He put a hand gently on her shoulder.

427

Hij rende opdat hij op tijd zou zijn.

He ran so he would get there on time.

428

Hij raadde me dit woordenboek aan.

He recommended this dictionary to me.

429

Hij liet me zijn fotoalbum zien.

He showed his photograph album to me.

430

Hij heeft geprobeerd de verschillende groepen te verenigen.

He tried to unify the various groups.

431

Hij was een week lang niet aanwezig op school.

He was absent from school for a week.

432

Zijn poging tot ontsnappen was geslaagd.

His attempt to escape was successful.

433

Ik heb een geschenk aanvaard van zijn zuster.

I accepted a present from his sister.

434

Ik ben lid van het basketbalteam.

I am a member of the basketball team.

435

Ik werd wakker en zag een inbreker in mijn kamer.

I awoke to find a burglar in my room.

436

Ik kocht het voor ongeveer twaalf dollar.

I bought it for about twelve dollars.

437

Ik kan het me niet veroorloven om ook maar één yen te verspillen.

I can't afford to waste a single yen.

438

Ik had een blaasontsteking vorige maand

I had a bladder infection last month.

439

Ik liet mijn haar knippen bij de kapper.

I had my hair cut at a barber's shop.

440

Ik heb een vriend die in Sapporo woont.

I have a friend who lives in Sapporo.

441

Ik heb niets met de zaak te maken.

I have nothing to do with the affair.

442

Ik ken een meisje van wie de vader advocaat is.

I know a girl whose father is lawyer.

443

Ik weet of hij wel of niet een vijand is.

I know whether or not he is an enemy.

444

Ik weet of hij een vijand is of niet.

I know whether or not he is an enemy.

445

Ik moet ergens een fout gemaakt hebben.

I must have made a mistake somewhere.

446

Ik liep vorige week op een feestje Mary tegen het lijf.

I ran into Mary at a party last week.

447

Ik denk dat het vanmiddag niet gaat regenen.

I think it won't rain this afternoon.

448

Ik heb Jane verteld hoe ze naar onze school kon komen.

I told Jane how to get to our school.

449

Ik wil dat ge gitaar speelt voor mij.

I want you to play the guitar for me.

450

Ik kwam in een regenbui terecht en ben nat geworden.

I was caught in the rain and got wet.

451

Ik vraag mij af of er iets met hem gebeurd is.

I wonder if anything happened to him.

452

Ik zal je een goed advies geven.

I'll give you a piece of good advice.

453

Ik heb één broer en twee zussen.

I've got one brother and two sisters.

454

Ik heb het gehad voor vandaag. Ik ben te moe.

I've had it for today. I'm too tired.

455

Als ik een vogel was, zou ik naar jou toe vliegen.

If I were a bird, I would fly to you.

456

Indien mogelijk, zou ik nu naar huis willen gaan.

If possible, I'd like to go home now.

457

Als je een pen nodig hebt, zal ik je er een uitlenen.

If you need a pen, I'll lend you one.

458

Is ze zo dom, dat ze dat gelooft?

Is she so foolish as to believe that?

459

Is er veel vraag naar deze goederen?

Is there much demand for these goods?

460

Het is onze plicht om de wet altijd te gehoorzamen.

It's our duty to always obey the law.

461

Het is mogelijk groene bonen rauw te eten.

It's possible to eat green beans raw.

462

Het is erg moeilijk jezelf te leren kennen.

It's very difficult to know yourself.

463

Latijn is een taal met sterke flexie.

Latin is a highly inflected language.

464

Mijn horloge is preciezer dan het jouwe.

My watch is more accurate than yours.

465

De wens is de vader van de gedachte.

Necessity is the mother of invention.

466

Niet één van mijn klasgenoten woont hier in de buurt.

None of my classmates live near here.

467

Eén, drie en vijf zijn oneven getallen.

One, three, and five are odd numbers.

468

Van ver bekeken is ze een schoonheid.

Seen from a distance, she's a beauty.

469

Ze viel naar beneden en brak haar linkerbeen.

She fell down and broke her left leg.

470

Ze wilde echt het verhaal vertellen.

She really wanted to tell the secret.

471

Die school ziet eruit als een gevangenis.

That school looks just like a prison.

472

Dat is een ongelofelijke afstand, nietwaar?

That's an amazing distance, isn't it?

473

Het koude klimaat had zijn weerslag op zijn gezondheid.

The cold climate affected his health.

474

De tentoonstelling is het bezoeken meer dan waard.

The exhibition is well worth a visit.

475

De hoofdpersoon stierf aan het eind van het boek.

The hero died at the end of the book.

476

Het magazine komt twee keer per maand uit.

The magazine is issued twice a month.

477

Het medicament had een onmiddellijk effect.

The medicine had an immediate effect.

478

De politie vermoedt dat hij loog.

The police suspect that he was lying.

479

De temperatuur daalde met enkele graden.

The temperature fell several degrees.

480

De temperatuur daalde plotseling.

The temperature has suddenly dropped.

481

Er zijn veel rivieren op dat eiland.

There are many rivers on that island.

482

Er zijn geruchten dat hij ontslag zal nemen.

There are rumors that he will resign.

483

Er zijn geruchten dat hij zal aftreden.

There are rumors that he will resign.

484

Deze morgen was er een aardbeving.

There was an earthquake this morning.

485

Er is een zwart schaap in elke kudde.

There's a black sheep in every flock.

486

Ze zochten allemaal naar het vermiste kind.

They all searched for the lost child.

487

Ze verkozen hem tot president van de VSA.

They elected him President of the USA

488

Ze hadden het naar hun zin op het feest.

They enjoyed themselves at the party.

489

Ze zijn tien jaar getrouwd geweest.

They have been married for ten years.

490

Dit is de jongen die je horloge heeft gevonden.

This is the boy who found your watch.

491

Dit soort katten hebben geen staart.

This kind of cat doesn't have a tail.

492

Deze soep heeft een vleugje zout nodig.

This soup needs just a touch of salt.

493

Tom moest een moeilijke keuze maken.

Tom had to make a difficult decision.

494

Tom ligt op de sofa TV te kijken.

Tom is lying on the sofa watching TV.

495

We hebben een reservering om half zeven.

We have a reservation for six-thirty.

496

We hebben Russisch geleerd in plaats van Frans.

We learned Russian instead of French.

497

We wandelden langs de oevers van de Thames.

We walked on the banks of the Thames.

498

We gaan uit eten op vrijdag.

We're going out for a meal on Friday.

499

Wat is de oorsprong van de Olympische Spelen?

What are the origins of the Olympics?

500

Wat denk je, wat zou ze gaan doen?

What do you think she is going to do?