Dutch Sentences 7 Flashcards Preview

Dutch > Dutch Sentences 7 > Flashcards

Flashcards in Dutch Sentences 7 Deck (500)
1

Wat hebt ge nog meer op zak?

What else do you have in your pocket?

2

Wat zou u doen als u een spook zou zien?

What would you do if you saw a ghost?

3

Toen we met haar lachten, bloosde ze.

When we made fun of her, she blushed.

4

Wilt u nog een stuk gebak?

Would you like another piece of cake?

5

Wil je nog een stuk cake?

Would you like another piece of cake?

6

Zou je even kunnen wachten?

Would you mind waiting a few minutes?

7

Je kan je niet inbeelden hoe blij ze was.

You cannot imagine how happy she was.

8

Je moet het niet meteen doen.

You don't need to do that right away.

9

Je hebt de neiging om te snel te praten.

You have a tendency to talk too fast.

10

Je had het me eerder moeten laten weten.

You should have told it to me sooner.

11

Ik was erg moe, daarom ging ik vroeg naar bed.

Being very tired, I went to bed early.

12

Neem contact op met haar als je vragen hebt.

Contact her if you have any questions.

13

Neem contact op met haar als u vragen hebt.

Contact her if you have any questions.

14

Denk je dat zoiets mogelijk is?

Do you think such a thing is possible?

15

Heb je gewoonlijk thee voor het ontbijt?

Do you usually have tea for breakfast?

16

Iedereen heeft sterke en zwakke punten.

Everyone has strengths and weaknesses.

17

Examens zijn meteen na de zomervakantie.

Exams are right after summer vacation.

18

Vier gezinnen kwamen om in de brand.

Four families were killed in the fire.

19

Is de minister van buitenlandse zaken al aangekomen?

Has the Foreign Secretary arrived yet?

20

Heb je haar ooit horen zingen op het podium?

Have you ever heard her sing on stage?

21

Hij heeft een groot restaurant vlakbij het meer.

He has a big restaurant near the lake.

22

Zijn broek wordt elke dag gestreken.

He has his trousers pressed every day.

23

Hij zei niets, wat haar boos maakte.

He said nothing, which made her angry.

24

Haar moeder is niet zo oud als ze er uitziet.

Her mother is not as old as she looks.

25

Zijn ideeën zijn moeilijk te begrijpen.

His ideas are difficult to understand.

26

Zijn ouders gaan elke zondag naar de kerk.

His parents go to church every Sunday.

27

Hoe gaat het met u? Hebt u een goede reis gehad?

How are you? Did you have a good trip?

28

Hoeveel jongens zijn er in deze klas?

How many boys are there in this class?

29

Ik heb het boek van deze bibliotheek geleend.

I borrowed the book from this library.

30

Ik heb enkele eieren gekocht, en wat melk.

I bought a few eggs and a little milk.

31

Ik kan deze koffer niet zelf dragen.

I can't carry this suitcase by myself.

32

Ik kan Tom niet vinden. Is hij al weg?

I can't find Tom. Has he gone already?

33

Het kan me niet schelen of hij akkoord gaat of niet.

I don't care whether he agrees or not.

34

Ik weet niet wie dit schilderij heeft geschilderd.

I don't know who painted this picture.

35

Ik hou niet van onregelmatige werkwoorden leren.

I don't like learning irregular verbs.

36

Ik begrijp niet helemaal wat hij zegt.

I don't quite understand what he says.

37

Ik maak me niet al te druk over mijn resumé.

I don't worry so much about my resume.

38

Ik maak me niet al te druk over mijn cv.

I don't worry so much about my resume.

39

Ik ben vergeten m'n paraplu mee te nemen.

I forgot to bring my umbrella with me.

40

Ik had niets te maken met het ongeluk.

I had nothing to do with the accident.

41

Ik heb niets met die zaak te maken.

I have nothing to do with this matter.

42

Ik interpreteer je zwijgen als toestemmen.

I interpreted your silence as consent.

43

Ik heb wat medicijnen nodig om de pijn te bestrijden.

I need some medicine to kill the pain.

44

Ooit wilde ik astrofysicus worden.

I once wanted to be an astrophysicist.

45

Ik poetste de vloer en het meubilair op.

I polished up the floor and furniture.

46

Ik reis liever per trein dan per vliegtuig.

I prefer traveling by train to flying.

47

Ik kwam je broer tegen op straat.

I ran into your brother on the street.

48

Ik heb haar herkend van zodra ik haar zag.

I recognized her as soon as I saw her.

49

Ik herinner het mij alsof het gisteren was.

I remember it as if it were yesterday.

50

Ik heb ze gezegd dat ze me nog een ticket moeten opsturen.

I told them to send me another ticket.

51

Ik wou hen mijn waardering tonen.

I wanted to show them my appreciation.

52

Gisteren ging ik in de rivier zwemmen.

I went to swim in the river yesterday.

53

Ik zal je het geld morgen teruggeven.

I'll give you back the money tomorrow.

54

Ik zie je morgenochtend om negen uur.

I'll see you at nine tomorrow morning.

55

Sorry, maar dat is gewoon onmogelijk.

I'm sorry, but it's just not possible.

56

Sorry, maar dat kan gewoon niet.

I'm sorry, but it's just not possible.

57

Ik weet zeker dat ze snel terugkomt.

I'm sure that she will come back soon.

58

Ik wacht op een zeer belangrijk telefoontje.

I'm waiting for a very important call.

59

Als je er op staat drink ik er nog een.

If you insist I'll have another drink.

60

Het werd kouder naarmate de nacht vorderde.

It became colder as the night wore on.

61

Het was aangenaam en warm in huis.

It was nice and warm inside the house.

62

Op deze plek wordt Japanse valuta uitgebreid gebruikt.

Japanese currency is widely used here.

63

Grote delen van de oceaan zijn vervuild.

Large areas of the ocean are polluted.

64

Het geld groeit me niet op de rug, weet je.

Money doesn't grow on trees, you know.

65

Mijn neef is iets ouder dan ik.

My cousin is a little older than I am.

66

Mijn oudere broer runt dat bedrijf.

My older brother manages that company.

67

Mijn oudere zus speelt goed gitaar.

My older sister plays the guitar well.

68

Mijn oom overleed twee jaar geleden aan kanker.

My uncle died of cancer two years ago.

69

Niemand mag vertrekken zonder toestemming.

No one is to leave without permission.

70

Ons vliegtuig vloog boven de wolken.

Our plane was flying above the clouds.

71

Koningin Elizabeth overleed in 1603.

Queen Elizabeth I passed away in 1603.

72

Ze huilde alleen maar de hele tijd.

She did nothing but cry all the while.

73

Ze verdeelde de taart in vijf stukken.

She divided the cake into five pieces.

74

Ze koos drie mooie appels.

She picked out three beautiful apples.

75

Ze zette haar cd's op een rijtje op de plank.

She put her CDs in a row on the shelf.

76

Ze ruimde de tafel af.

She removed the dishes from the table.

77

Ze probeerde zo snel te lopen als ze kon.

She tried to run as fast as she could.

78

Tot dusver gaat alles goed.

So far everything has been going well.

79

Deze kaas is gemaakt van schapenmelk.

That cheese is made from sheep's milk.

80

De jongen die de auto aan het wassen is is mijn broer.

The boy washing the car is my brother.

81

De brug is heel lang en heel hoog.

The bridge is very long and very tall.

82

De doodstraf zou afgeschaft moeten worden.

The death penalty should be abolished.

83

De poort was te smal voor de vrachtwagen.

The gate was too narrow for the truck.

84

Het nieuwe semester begint in april in Japan.

The new term starts in April in Japan.

85

De pijn was voor hem onverdraaglijk.

The pain was more than he could stand.

86

Het houdt juist op met regenen, laat ons dus vertrekken.

The rain just stopped, so let's leave.

87

Het schip voer de Amerikaanse vlag.

The ship was flying the American flag.

88

De trein had vertraging vanwege de sneeuw.

The train was delayed because of snow.

89

Het probleem is dat het te duur is.

The trouble is that it costs too much.

90

De twee bergen zijn even hoog.

The two mountains are of equal height.

91

De gewonde soldaat kon amper lopen.

The wounded soldier could hardly walk.

92

Er zijn veel dieren in het park.

There are lots of animals in the park.

93

Er stond een grote gouden ster op de deur.

There was a big gold star on the door.

94

Er waren geen rozen in de tuin.

There weren't any roses in the garden.

95

Ze kwamen tot de conclusie dat hij gelogen had.

They concluded that he had told a lie.

96

Dit woordenboek is net zo nuttig als het jouwe.

This dictionary is as useful as yours.

97

Tom vroeg Mary hoeveel geld ze had.

Tom asked Mary how much money she had.

98

Tom kon de tweeling niet uit elkaar houden.

Tom couldn't tell the two twins apart.

99

Tom had het er moeilijk mee om Mary's liefde te aanvaarden.

Tom had trouble accepting Mary's love.

100

We slaagden erin enkele buitenlandse postzegels te bemachtigen.

We managed to get some foreign stamps.

101

We kwamen elkaar tegen aan de luchthaven.

We ran into each other at the airport.

102

Wat gaat u vanavond doen?

What are you going to do this evening?

103

Wat gaan jullie vanavond doen?

What are you going to do this evening?

104

Wat ga je vanavond doen?

What are you going to do this evening?

105

Jij bent de man waarnaar ik op zoek ben geweest.

You are the man I've been looking for.

106

Gisteren was u niet op school.

You were absent from school yesterday.

107

Je was niet op school gisteren.

You were absent from school yesterday.

108

Uw broer heeft mij gezegd dat ge naar Parijs geweest zijt.

Your brother said you'd gone to Paris.

109

Geloof het of niet, maar Tom is zeventig jaar oud.

Believe it or not, Tom is 70 years old.

110

Bell woonde vroeger in Londen, of niet?

Bell used to live in London, didn't he?

111

December is de laatste maand van het jaar.

December is the last month of the year.

112

Detroit is voor zijn auto-industrie beroemd.

Detroit is famous for its car industry.

113

Herinner je je de geboortedag van je vader?

Do you remember your father's birthday?

114

Denk je dat hij het werk alleen gedaan heeft?

Do you think he did the job on his own?

115

Druk jezelf zo duidelijk mogelijk uit.

Express yourself as clearly as you can.

116

Hij weet niet wie deze huizen gebouwd heeft.

He doesn't know who built those houses.

117

Hij had niks te zeggen, dus is hij maar gegaan.

He had nothing to say, so he went away.

118

Hij kwam om het leven in een verkeersongeluk.

He lost his life in a traffic accident.

119

Hij ging boodschappen doen in een warenhuis.

He went shopping at a department store.

120

Hij ging naar haar toe en ze schudden elkaar de hand.

He went up to her and they shook hands.

121

Hij is Engelsman, maar woont in India.

He's an Englishman, but lives in India.

122

Ik had bijna mijn paraplu in de trein laten liggen.

I almost left my umbrella in the train.

123

Hiermee ben ik het met hen niet over eens.

I can't agree with them on this matter.

124

Ik kan me de melodie van dat lied niet herinneren.

I can't remember the tune of that song.

125

Ik kan dit geluid niet langer tolereren.

I can't tolerate this noise any longer.

126

s Morgens was ik mijn haar niet met shampoo.

I don't shampoo my hair in the morning.

127

Ik had niks te maken met die gebeurtenis.

I had nothing to do with that incident.

128

Ik heb nu juist veel problemen.

I have a lot of problems at the moment.

129

Ik zweer dat ik daar nooit iemand over verteld heb.

I never told anybody about it, I swear.

130

Ik betaalde mijn zoon vijf dollar om mijn auto te wassen.

I paid my son 5 dollars to wash my car.

131

Ik beloof dat ik hier morgen zal zijn.

I promise that I will be here tomorrow.

132

Ik kwam Mary tegen op het feest afgelopen week.

I ran into Mary at the party last week.

133

Ik herkende Mary bij het eerste zicht.

I recognized Mary the moment I saw her.

134

Ik zal komen wanneer ik mijn huiswerk gedaan heb.

I'll come when I have done my homework.

135

Ik ben bang dat ik je boos zou maken.

I'm afraid that I might make you angry.

136

Ik ben bang dat er geen koffie meer over is.

I'm afraid there isn't any coffee left.

137

Ik ben niet gewoon vroeg op te staan.

I'm not accustomed to getting up early.

138

Zulke aardige mensen als jou kom je maar zelden tegen.

It's rare to meet nice people like you.

139

Januari is de eerste maand van het jaar.

January is the first month of the year.

140

Er speelden veel kinderen in het park.

Many children were playing in the park.

141

Mijn vader gaat niet altijd lopend naar het werk.

My father does not always walk to work.

142

Mijn vader speelt golf, maar niet goed.

My father does play golf, but not well.

143

Mijn moeder spreekt niet zo erg goed Engels.

My mom doesn't speak English very well.

144

Hij speelde voor de eerste keer in een toneelstuk.

She acted in a play for the first time.

145

Zij speelde voor het eerst in een toneelstuk.

She acted in a play for the first time.

146

Ze werd Elizabeth genoemd, naar haar tante.

She was named Elizabeth after her aunt.

147

Enkele kinderen zijn op het gras aan het spelen.

Some children are playing on the grass.

148

Technologie loste veel van de problemen op.

Technology solved many of the problems.

149

Dat is de snelste trein ter wereld.

That is the fastest train in the world.

150

Dat programma is verre van perfect.

That program is still far from perfect.

151

De brug is nog steeds in aanbouw.

The bridge is still under construction.

152

De menigte wordt groter en groter.

The crowd is growing larger and larger.

153

Het effect van het geneesmiddel was bewonderenswaardig.

The effect of the medicine was amazing.

154

De Japanse economie ontwikkelde zich vrij snel.

The Japanese economy developed rapidly.

155

Het lawaai wordt steeds harder en harder.

The noise is getting louder and louder.

156

Het plan vereist een grote som geld.

The plan requires a large sum of money.

157

De rivier komt uit in de Pacifische oceaan.

The river flows into the Pacific Ocean.

158

De rivier stroomt uit in de Pacifische oceaan.

The river flows into the Pacific Ocean.

159

Morgen moet het werk af zijn.

The work must be completed by tomorrow.

160

Er hangt een portret van Bob aan de muur.

There is a portrait of Bob on the wall.

161

Er waren veel mensen in het park.

There were a lot of people in the park.

162

Ze zaten in de schaduw van die grote boom.

They sat in the shade of that big tree.

163

Zij bleven thuis omdat het regende.

They stayed at home, because it rained.

164

Deze roman is vertaald uit het Engels.

This novel was translated from English.

165

We moesten tien minuten op hem wachten.

We had to wait for him for ten minutes.

166

Hoe noem je dit dier in het Japans?

What is this animal called in Japanese?

167

Hoe laat ontbijt je gewoonlijk?

What time do you usually eat breakfast?

168

Je hoeft geen lunch mee te nemen.

You don't need to carry lunch with you.

169

Je hebt je falen aan Jim te danken.

You have Jim to thank for your failure.

170

Zebra's en giraffes vind je in de dierentuin.

Zebras and giraffes are found at a zoo.

171

Afrika is een continent, Groenland niet.

Africa is a continent; Greenland is not.

172

Een onschuldige man was bij vergissing opgepakt.

An innocent man was arrested by mistake.

173

Meng de rode met de blauwe verf.

Blend the red paint with the blue paint.

174

Kan je Engels naar Japans vertalen?

Can you translate English into Japanese?

175

De lessen beginnen elke dag om negen uur.

Classes start at nine o'clock every day.

176

Computers worden steeds verbeterd.

Computers are constantly being improved.

177

Iedereen heeft iets nodig om in te geloven.

Everybody needs something to believe in.

178

Hij kan beter piano spelen dan ik dat kan.

He can play the piano better than I can.

179

Gedetailleerd vertelde hij wat hij gezien had..

He explained in detail what he had seen.

180

Voor hem was het liefde op het eerste gezicht.

He fell in love with her at first sight.

181

Hij bracht me naar het vliegveld Narita.

He gave me a ride to the Narita airport.

182

Hij wilde echt een nieuwe motor kopen.

He really wants to buy a new motorcycle.

183

Het was hem niet gegeven haar ooit nog te ontmoeten.

He was destined never to meet her again.

184

Hij werd veroordeeld tot drie jaar celstraf.

He was sentenced to three years in jail.

185

Haar enige genoegen is naar muziek te luisteren.

Her only pleasure is listening to music.

186

Hoelang moeten we het in de oven laten?

How long should we leave it in the oven?

187

Het was nooit de bedoeling dat mensen eeuwig zouden leven.

Humans were never meant to live forever.

188

Honderden mensen werken in die fabriek.

Hundreds of people work in this factory.

189

Ik weet niet hoe ik zijn woorden moet opvatten.

I don't know how to interpret his words.

190

Ik denk niet dat het zal gaan regenen vanmiddag.

I don't think it'll rain this afternoon.

191

Ik heb mijzelf vermaakt op het feest gisteren.

I enjoyed myself at the party yesterday.

192

Ik heb het idee dat ze vandaag zal komen.

I have a feeling that she'll come today.

193

Ik hoop dat we in contact zullen kunnen blijven.

I hope we will be able to keep in touch.

194

Ik ken een man die goed Russisch spreekt.

I know a man who can speak Russian well.

195

Ik heb gisteren het boek gelezen tot pagina tachtig.

I read the book up to page 80 yesterday.

196

Het spijt mij dat ik de kans gemist heb haar te ontmoeten.

I regret missing the chance to meet her.

197

Ik wou dat ik meer tijd had om met haar te praten.

I wish I had more time to talk with her.

198

Ik wil graag dit pakketje naar Canada sturen.

I'd like to mail this package to Canada.

199

Ik ben niet tevreden met wat je gedaan hebt.

I'm not satisfied with what you've done.

200

Ik ben het beu om naar haar gezaag te luisteren.

I'm sick of listening to her complaints.

201

Het spijt me dat ik je mail per ongeluk opende.

I'm sorry I opened your mail by mistake.

202

Het spijt me dat ik je zo lang heb laten wachten.

I'm sorry I've kept you waiting so long.

203

Het spijt me dat ik je vanavond niet kan ontmoeten.

I'm sorry that I can't meet you tonight.

204

Als ge niets te zeggen hebt, zeg dan niets.

If you have nothing to say, say nothing.

205

In een gelijkaardige situatie zou ik hetzelfde doen.

In a similar situation, I'd do the same.

206

Hoe dan ook, het gaat je niks aan.

In any case, it's none of your business.

207

De bushalte is hier tien minuten lopen vandaan.

It's a ten minutes walk to the bus stop.

208

Joan brak haar linkerarm in het ongeluk.

Joan broke her left arm in the accident.

209

Laat mij u feliciteren met uw succes.

Let me congratulate you on your success.

210

Veel Europeanen kennen het moderne Japan niet.

Many Europeans do not know modern Japan.

211

Mary denkt dat Tom bang is van het engagement.

Mary thinks Tom is afraid of commitment.

212

In Alaska wonen miljoenen wilde dieren.

Millions of wild animals live in Alaska.

213

Mijn tas is te oud. Ik moet een nieuwe kopen.

My bag is too old. I must buy a new one.

214

Het portret van mijn grootvader hangt aan de muur.

My grandfather's picture is on the wall.

215

Mijn moeder bakt ons vaak appeltaarten.

My mother often bakes apple pies for us.

216

Napoleon heeft zijn leger naar Rusland geleid.

Napoleon marched his armies into Russia.

217

Wat hij ook zegt, vertrouw hem niet.

No matter what he says, don't trust him.

218

Niemand kan het boek lezen zonder te huilen.

No one can read the book without crying.

219

Slechts twee mensen overleefden de aardbeving.

Only two people survived the earthquake.

220

Kom alsjeblieft zo snel mogelijk naar huis.

Please come home as quickly as possible.

221

Vergelijk me alsjeblieft niet met m'n broer.

Please don't compare me with my brother.

222

Schrijf alstublieft over uw echte ervaring.

Please write about your real experience.

223

Ze vertrouwde haar man een brief toe.

She entrusted her husband with a letter.

224

Ze is vaak te laat op school op maandag.

She is often late for school on Mondays.

225

Ze speelt elke dag tennis na school.

She plays tennis after school every day.

226

Korte rokken zijn niet meer in de mode.

Short skirts are already out of fashion.

227

De Amerikaanse film was een groot succes.

That American movie was a great success.

228

De piloot beschreef de scène tot in detail.

The pilot described the scene in detail.

229

Hij maakt veel kans om te winnen.

There is a good chance that he will win.

230

Er bestaat een goede kans dat hij zal winnen.

There is a good chance that he will win.

231

Ze moesten driehonderd mannen ontslaan in de fabriek.

They had to fire 300 men at the factory.

232

In Canada spreekt men Engels en Frans.

They speak English and French in Canada.

233

Dit is de kerk waarin we getrouwd zijn.

This is the church where we got married.

234

Deze muziek is populair bij jonge mensen.

This music is popular with young people.

235

We hebben nog niet beslist waar we gaan rusten.

We haven't decided where to take a rest.

236

Wat ben je godsnaam aan het doen?

What on earth do you think you're doing?

237

Je bent vrij om te gaan wanneer je ook wil.

You are free to leave any time you wish.

238

Je houdt m'n hand vast op die foto.

You are holding my hand in that picture.

239

Wat je gezegd hebt, kan je niet terugnemen.

You cannot take back what you have said.

240

Lang geleden was hier een brug.

A long time ago, there was a bridge here.

241

Plotseling ging het brandalarm af.

All of a sudden, the fire alarm went off.

242

Denk je dat het morgen een mooie dag wordt?

Do you think tomorrow will be a nice day?

243

Denk je dat het morgen mooi weer wordt?

Do you think tomorrow will be a nice day?

244

Neem me niet te serieus. Ik schertste zomaar wat.

Don't take me seriously. I'm only joking.

245

Hij heeft een ongeluk gehad en heeft een been gebroken.

He had an accident and fractured his leg.

246

Hij heeft hen lange tijd niet geschreven.

He hasn't written to them in a long time.

247

Hij is een diplomaat bij de Amerikaanse ambassade.

He is a diplomat at the American Embassy.

248

Hij beval hen om de gevangenen vrij te laten.

He ordered them to release the prisoners.

249

Ik zoek een geschenk voor mijn moeder.

I am looking for a present for my mother.

250

Ik vroeg aan mijn leraar wat ik nu moest doen.

I asked my teacher what I should do next.

251

Ik kon het niet helpen te lachen toen ik hem zag.

I could not help laughing when I saw him.

252

Ik wist niet hoe ik zijn vraag moest beantwoorden.

I didn't know how to answer his question.

253

Er is niemand die met mij mee wil.

I don't have anyone who'd travel with me.

254

Ik weet niet of hij dood of levend is.

I don't know whether he is dead or alive.

255

Ik weet niet of je haar leuk vindt.

I don't know whether you like her or not.

256

Ik vind niet dat ze op haar moeder lijkt.

I don't think she takes after her mother.

257

Ik leerde mijn vrouw kennen op een feestje.

I got acquainted with my wife at a party.

258

Ik had moeite dit probleem op te lossen.

I had difficulty in solving this problem.

259

Ik haat het als er veel mensen zijn.

I hate it when there are a lot of people.

260

Ik hou van muziek, in het bijzonder van klassieke muziek.

I like music, especially classical music.

261

Ik respecteer degenen die altijd hun best doen.

I respect those who always do their best.

262

Ik stopte, en wachtte tot de auto voorbij was.

I stopped and waited for the car to pass.

263

Ik was opgelucht te horen dat ze in leven was.

I was relieved to hear that he was alive.

264

Ik bel ze morgen, als ik weer terug ben.

I'll call them tomorrow when I come back.

265

Als hij vloeiend Engels spreekt, neem ik hem aan.

If he's fluent in English, I'll hire him.

266

Jij moet weten of je het koopt of niet.

It is up to you whether to buy it or not.

267

Het was Marie Curie die radium ontdekte.

It was Marie Curie who discovered radium.

268

Het wordt tijd dat je naar de kapper gaat.

It's about time you went to the barber's.

269

Het regent, dus je moet thuis blijven.

It's raining, so you should stay at home.

270

John zal een goede echtgenoot en vader zijn.

John will make a good husband and father.

271

Bel me alsjeblieft morgenochtend om zeven uur.

Please call me at seven tomorrow morning.

272

Ze waarschuwde hem niet tussen maaltijden te eten.

She advised him not to eat between meals.

273

Ze is getrouwd aan 25 jaar.

She got married when she was twenty-five.

274

De jongen ontkende de fiets gestolen te hebben.

The boy denied having stolen the bicycle.

275

De stad was verlaten door haar inwoners.

The city was deserted by its inhabitants.

276

De politie heeft de inbreker op heterdaad opgepakt.

The police caught the burglar red-handed.

277

De stad was verlaten door haar inwoners.

The town was deserted by its inhabitants.

278

De stad was verlaten door z'n inwoners.

The town was deserted by its inhabitants.

279

Er is bijna geen koffie over in de pot.

There's almost no coffee left in the pot.

280

Ze wilden echt weten wat er gebeurd is.

They really wanted to know what happened.

281

Dit boek is te moeilijk te begrijpen.

This book is too difficult to understand.

282

Tom doet er alles aan om geld te kunnen besparen.

Tom does everything he can to save money.

283

We moeten altijd op het slechtste voorbereid zijn.

We must always be prepared for the worst.

284

We moeten op het stoplicht letten.

We must pay attention to traffic signals.

285

We keken een baseball wedstrijd op televisie.

We watched a baseball game on television.

286

Als het op vissen aankomt, is hij een expert.

When it comes to fishing, he's an expert.

287

Wanneer is de aardappel ingevoerd in Japan?

When were potatoes introduced into Japan?

288

Zonder haar advies zou hij gefaald hebben.

Without her advice, he would have failed.

289

Gewonde beren zijn gewoonlijk erg gevaarlijk.

Wounded bears are usually very dangerous.

290

Wanneer je twee jaar oud was kon je al tot tien tellen.

You could count to ten when you were two.

291

Je hebt een klein beetje koorts vandaag, is het niet?

You have a little fever today, don't you?

292

Je hebt weinig te winnen en veel te verliezen.

You have little to gain and much to lose.

293

Ge moet altijd nadenken alvorens te spreken.

You should always think before you speak.

294

Jullie moeten voor jullie zieke moeder zorgen.

You should take care of your sick mother.

295

Je moet de koe bij de horens vatten!

You've got to take the bull by the horns!

296

Je moeder is bezorgd om je gezondheid.

Your mother is anxious about your health.

297

Hevige sneeuw weerhield ons ervan naar school te gaan.

A heavy snow kept us from going to school.

298

Een man genaamd George verbleef in een hotel.

A man named George was staying at a hotel.

299

Kanker kan genezen worden als het bijtijds ontdekt wordt.

Cancer can be cured if discovered in time.

300

Kinderen houden er niet van naar buiten te gaan wanneer het donker is.

Children don't like to go out in the dark.

301

Iedereen wil u ontmoeten, u bent een beroemdheid!

Everyone wants to meet you. You're famous!

302

Iedereen wil je ontmoeten, je bent beroemd!

Everyone wants to meet you. You're famous!

303

Extremisten ontvoerden de vrouw van de president.

Extremists kidnapped the president's wife.

304

Ga naar de dokter om je recept te halen!

Go to the doctor to get your prescription!

305

Hij sprong niet hoog genoeg om een prijs te winnen.

He didn't jump high enough to win a prize.

306

Hij heeft enkele dagen in een hotel gelogeerd.

He stayed at a hotel for a couple of days.

307

Hij was de enige die naar het feestje kwam.

He was the only one who came to the party.

308

Zijn ideeën hebben hem nooit een cent opgeleverd.

His ideas never earned him a single penny.

309

Ik ga bij mijn tante op Hawaï logeren.

I am going to stay with my aunt in Hawaii.

310

Ik hoor een kat aan het venster krabben.

I can hear a cat scratching at the window.

311

Ik kan niet met je meegaan omdat ik het erg druk heb.

I can't go with you because I'm very busy.

312

Ik heb geen zin om uit eten te gaan vanavond.

I don't feel like eating out this evening.

313

Ik weet niet wanneer hij terug is gekomen uit Frankrijk.

I don't know when he returned from France.

314

Ik heb het gevoel dat ze vandaag zal komen.

I have a feeling that she will come today.

315

Ik heb het gevoel dat ze vandaag zal opdagen.

I have a feeling that she will come today.

316

Ik hoop dat we niet al te lang hoeven wachten.

I hope we don't have to wait for too long.

317

Ik hoop dat je naar mijn verjaardagsfeestje zal komen.

I hope you will come to my birthday party.

318

Ik ging vaak naar de film met mijn vader.

I often went to the movies with my father.

319

Ik heb het woord een aantal keer voor haar herhaald.

I repeated the word several times for her.

320

Ik heb het mes teruggegeven dat ik geleend had.

I returned the knife which I had borrowed.

321

Ik dacht dat dat boek moeilijk te lezen was.

I thought that book was difficult to read.

322

Ik ga vanmiddag Engels oefenen.

I'm going to study English this afternoon.

323

Zoiets heb ik nog nooit gezien.

I've never seen anything like this before.

324

Het is niet wat je zegt, maar hoe je het zegt.

It's not what you say, but how you say it.

325

Veel Engelse woorden komen uit het Latijn.

Many English words are derived from Latin.

326

Misschien is het voor hem wel precies zo.

Maybe it will be exactly the same for him.

327

Hou volgende weeg zaterdagmiddag vrij, alsjeblieft.

Please leave next Saturday afternoon free.

328

Vertaal de volgende zinnen in het Japans.

Put the following sentences into Japanese.

329

Aangezien ik verkouden was, ging ik niet naar school.

Since I had a cold, I didn't go to school.

330

Sommige van mijn vrienden kunnen goed Engels spreken.

Some of my friends can speak English well.

331

Taro heeft een sterk verantwoordelijkheidsgevoel.

Taro has a strong sense of responsibility.

332

Dat is iets dat vrij vaak gebeurt.

That's something that happens quite often.

333

De appel valt niet ver van de boom.

The apple does not fall far from the tree.

334

De Katholieke Kerk is tegen echtscheiding.

The Catholic Church is opposed to divorce.

335

De mensen die hier wonen zijn onze vrienden.

The people who live there are our friends.

336

Er is een duidelijk verschil tussen deze twee.

There is a marked difference between them.

337

Er is nauwelijks koffie over in de pot.

There's hardly any coffee left in the pot.

338

We hebben examens, meteen na de zomervakantie.

We have exams right after summer vacation.

339

We waren van plan om daar ongeveer twee weken te blijven.

We intended to stay there about two weeks.

340

We noemden hem Thomas naar zijn grootvader.

We named him Thomas after his grandfather.

341

Wat zoudt ge doen in mijn plaats?

What would you do if you were in my place?

342

Wat zou je in mijn plaats doen?

What would you do if you were in my place?

343

Een voldane blik verscheen op zijn gezicht.

A look of contentment appeared on his face.

344

Tegen de tijd dat je terug bent, zal zij weg zijn.

By the time you get back, she'll have left.

345

Kan je me je naam alsjeblieft nog een keer zeggen?

Can you please tell me your name once more?

346

De kans op promotie is klein in dit bedrijf.

Chances of promotion are slim in this firm.

347

Heeft u niets kleiner dan dit?

Do not you have anything smaller than this?

348

Heb je niets kleiner dan dit?

Do not you have anything smaller than this?

349

Weinig studenten begrepen wat hij zei.

Few students could understand what he said.

350

Geef de drie bladen samen af.

Hand in the three sheets of paper together.

351

Ben je gewend geraakt aan het leven in de slaapzaal?

Have you gotten used to living in the dorm?

352

Hij heeft lange tijd niet naar hen geschreven.

He has not written to them for a long time.

353

Hij gaat op in het lezen van detectives.

He is absorbed in reading detective novels.

354

Hij pakte iets wits op van de straat.

He picked up something white on the street.

355

Hij vertaalde een Japanse roman naar het Frans.

He translated a Japanese novel into French.

356

Hij wilde vroeg wakker gemaakt worden door zijn vrouw.

He wanted to be woken up early by his wife.

357

Hij zou niet zonder verzet opgeven.

He would not give it up without a struggle.

358

Ik verkoos te vertrekken in plaats van achter te blijven.

I chose to leave instead of staying behind.

359

Ik heb een vriend wiens vader goochelaar is.

I have a friend whose father is a magician.

360

Ik hoop dat het me lukt de eindjes aan elkaar te knopen.

I hope I can manage to make both ends meet.

361

Ik hoop dat we elkaar eens zullen terugzien.

I hope we'll see each other again sometime.

362

Ik hoop dat je met een beter plan komt.

I hope you will come up with a better plan.

363

Ik hoop dat je met een beter plan voor de dag komt.

I hope you will come up with a better plan.

364

Ik heb haar gedwongen piano te spelen.

I made her play the piano against her will.

365

Ik weiger door jou als slaaf behandeld te worden.

I refuse to be treated like a slave by you.

366

Ik was verwonderd wanneer ik hoorde wat er gebeurt was.

I was astonished to hear what had happened.

367

Ik werkte de hele dag hard, dus ik was erg moe.

I worked hard all day, so I was very tired.

368

Ik had de hele dag hard gewerkt, en dus was ik heel moe.

I worked hard all day, so I was very tired.

369

Ik zou ongelukkig zijn, maar ik zou geen zelfmoord plegen.

I'd be unhappy, but I wouldn't kill myself.

370

Ik kijk uit naar de zomervakantie.

I'm looking forward to the summer vacation.

371

Ik ben van plan om volgende week naar Europa te vertrekken.

I'm planning to leave for Europe next week.

372

Je hoeft niet te gaan, als je dat niet wil.

If you don't want to go, you don't have to.

373

Laten we eens kijken wat er kan gebeuren in het ergste geval.

Let's consider the worst that could happen.

374

Moeder heeft boterhammen met kaas voor ons klaargemaakt voor het middageten.

Mother made us cheese sandwiches for lunch.

375

Mijn zus heeft twee keer per week pianoles.

My sister takes piano lessons twice a week.

376

Onze school heeft ongeveer duizend studenten.

Our school has about one thousand students.

377

Mensen van je leeftijd hebben vaak dit probleem.

People of your age often have this problem.

378

Ze verzamelde de stukken van het gebroken bord.

She gathered the pieces of the broken dish.

379

Enkele mensen gaan de zondagmorgen naar de kerk.

Some people go to church on Sunday morning.

380

De politie verdenkt hem van bankroof.

The police suspect that he robbed the bank.

381

Er is een probleem dat je niet ziet.

There's a problem there that you don't see.

382

Ze probeerden hout te verzamelen in het bos.

They tried to collect wood from the forest.

383

Tom kon nauwelijks verstaan wat Mary zei.

Tom could hardly understand what Mary said.

384

Tom liet haar de brief van de Kerstman zien.

Tom showed her the letter from Santa Claus.

385

We hebben je brief pas gisteren ontvangen.

We did not get your letter until yesterday.

386

Wat voor soort software gebruikt Tom gewoonlijk?

What kind of software does Tom usually use?

387

Mag ik de smeerkaas alsjeblieft?

Would you pass me the cream cheese, please?

388

Joko is de aanvoerder van de volleybalploeg.

Yoko is the captain of the volleyball team.

389

Op het volgende station moet u overstappen.

You have to change trains at the next stop.

390

Een ezel stoot zich in 't gemeen geen tweemaal aan dezelfde steen.

A fox is not caught twice in the same snare.

391

Een Japanner zou zoiets niet gezegd hebben.

A Japanese would not have said such a thing.

392

Hij vroeg haar ten huwelijk, en ze zei ja.

He asked her to marry him, and she accepted.

393

Hij heeft een belangrijke positie binnen het bedrijf.

He got an important position in the company.

394

Als hij groot is, zal hij dokter worden.

He is going to be a doctor when he grows up.

395

Hij wist van het nieuws, maar hij hield het voor zichzelf.

He knew the news, but he kept it to himself.

396

Hij besloot zijn plan geheim te houden.

He made up his mind to keep his plan secret.

397

Hij redde het kind uit het brandende huis.

He rescued the child from the burning house.

398

Hij dacht dat hij de berg kon beklimmen.

He thought that he could climb the mountain.

399

Ik kan me niet veroorloven om zo'n dure auto te kopen.

I can't afford to buy such an expensive car.

400

Ik heb eindelijk de oplossing voor het probleem gevonden.

I finally found the solution to the problem.

401

Ik heb een balpen, maar ik wil er nog één.

I have a ball-point pen, but I want another.

402

Ik las gisteren een artikel over zure regen.

I read an article about acid rain yesterday.

403

Ik was niet aanwezig op school omdat ik ziek was.

I was absent from school because I was sick.

404

Ik zal je een fiets voor je verjaardag geven.

I will give you a bicycle for your birthday.

405

Voor je verjaardag zal ik je een fiets geven.

I will give you a bicycle for your birthday.

406

Ik neem mijn zoon mee naar de dierentuin vanmiddag.

I'm taking my son to the zoo this afternoon.

407

Iris, wat eet je meestal voor het ontbijt?

Iris, what do you usually eat for breakfast?

408

Jane droeg hetzelfde lint als haar moeder.

Jane wore the same ribbon as her mother did.

409

Vele conservatieve Amerikanen waren het met hem eens.

Many conservative Americans agreed with him.

410

M'n horloge stond stil, dus ik wist niet hoe laat het was.

My watch stopped, so I didn't know the time.

411

Soms moet je falen voordat je kunt slagen.

Sometimes, you must fail before you succeed.

412

Dat bedrijf wordt gerund door mijn oudere broer.

That company is managed by my older brother.

413

Er waren veel rotte appels in de mand.

There were many rotten apples in the basket.

414

Ze hebben getracht de president te vermoorden.

They attempted to assassinate the president.

415

Morgen op dit uur zouden we in Parijs moeten zijn.

We should be in Paris by this time tomorrow.

416

Wat ben je hemelsnaam aan het doen?

What in the world do you think you're doing?

417

Als ik alleen thuis ben, is het te stil in huis.

When I'm home alone, the house is too quiet.

418

Waarom ga je voor de verandering niet eens met mij uit eten?

Why don't you dine out with me for a change?

419

Zonder water zouden de soldaten gestorven zijn.

Without water, the soldiers would have died.

420

Jij kent veel interessante plaatsen, of niet?

You know many interesting places, don't you?

421

Je zou beter moeten weten nu je achttien bent.

You should know better now you are eighteen.

422

Na de orkaan was hun huis een wrak.

After the hurricane, their house was a wreck.

423

Voor zover ik weet is dit de nieuwste editie.

As far as I know, this is the latest edition.

424

Voeg geen zinnen toe uit bronnen waar auteursrecht op rust.

Don't add sentences from copyrighted sources.

425

Laat me niet in de steek zoals de vorige keer.

Don't let me down like you did the other day.

426

Hij is mijn buur, maar ik ken hem niet al te goed.

He is my neighbor, but I don't know him well.

427

Hij schrijft zijn mislukkingen vaak toe aan pech.

He often attributes his failures to bad luck.

428

Hij speelde een belangrijke rol in het comité.

He played an important role on the committee.

429

Hij weigert om zich te mengen in de problemen.

He refuses to become involved in the trouble.

430

Hij zei dat hij hen een handje zou helpen.

He said he would give a helping hand to them.

431

Hij heeft niet alleen een motorfiets, maar ook een auto.

He's got not only a motorbike but also a car.

432

Hoeveel eieren kon je gisteren krijgen?

How many eggs were you able to get yesterday?

433

Ik kan je niet volgen als je zo snel wandelt.

I can't keep up with you if you walk so fast.

434

Afgelopen maand heb ik mijn rijbewijs verlengd.

I had my driver's license renewed last month.

435

Ik heb te veel dingen aan mijn hoofd op het moment.

I have too many things on my mind these days.

436

Ik moet sneller rijden om de verloren tijd te compenseren.

I must make up for lost time by driving fast.

437

Ik kon harder zwemmen toen ik jonger was.

I was able to swim faster when I was younger.

438

Ik ontmoet je zondag om drie uur.

I'll come and see you at 3:00 p.m. on Sunday.

439

Ik maak mijn huiswerk, nadat ik televisie heb gekeken.

I'll do my homework after I watch television.

440

Ik bel om te zeggen dat ik mijn kredietkaart verloren heb.

I'm calling because I've lost my credit card.

441

Ik ga werken tijdens de krokusvakantie.

I'm going to work during the spring vacation.

442

Vertaal deze zin in het Japans alstublieft.

Please translate this sentence into Japanese.

443

Ze heeft op alles en iedereen iets aan te merken.

She finds fault with everything and everyone.

444

Ze groette hem opgelaten, zoals ze altijd deed.

She greeted him cheerfully as she always did.

445

Ze zei dat ze goede vrienden van haar waren.

She said that they were good friends of hers.

446

Ze verdween langzaam in het nevelige bos.

She slowly disappeared into the foggy forest.

447

Dat is één reden waarom ik het nooit meer opnieuw zal doen.

That's one reason why I'll never do it again.

448

De administratie neemt belangrijke beslissingen.

The administration makes important decisions.

449

Het meisje maakte een pop van een stukje stof.

The girl made a doll out of a piece of cloth.

450

Het huis zakte in onder het gewicht van de sneeuw.

The house collapsed under the weight of snow.

451

De reiziger bereikte uiteindelijk zijn bestemming.

The traveler reached his destination at last.

452

De wasmachine is een geweldige uitvinding.

The washing machine is a wonderful invention.

453

Er staat een vreemde man voor het huis.

There is a strange man in front of the house.

454

Er bestaat een kleine kans op herhaling.

There's a slight possibility of a recurrence.

455

Ze beschouwde hem als de beste dokter in de stad.

They regarded him as the best doctor in town.

456

Dit is niet mijn paraplu, het is die van iemand anders.

This isn't my umbrella; it's somebody else's.

457

Deze roman is geschreven door een bekende Amerikaanse schrijver.

This novel was written by an American writer.

458

Tom besloot om zonder kussen proberen te slapen.

Tom decided to try sleeping without a pillow.

459

Tom weet niet wat Mary voor de kost doet.

Tom doesn't know what Mary does for a living.

460

Tom keek ernaar uit om Mary weer te zien.

Tom was looking forward to seeing Mary again.

461

Zet de televisie uit. Ik kan me niet concentreren.

Turn off the television. I can't concentrate.

462

We moeten leren in harmonie leven met de natuur.

We must learn to live in harmony with nature.

463

We krijgen waarschijnlijk niet veel sneeuw deze winter.

We probably won't have much snow this winter.

464

We verrasten mijn neef met een verjaardagsfeestje.

We surprised my cousin with a birthday party.

465

We verraste mijn nicht met een verjaardagsfeestje.

We surprised my cousin with a birthday party.

466

Wat vind je ervan om een wandeling te maken in het park?

What do you say to taking a walk in the park?

467

Je dient je correct te kleden voor deze winkel.

You are expected to dress well for this shop.

468

Je zou hem beter persoonlijk aanspreken.

You had better go and speak to him in person.

469

Je moet altijd een appeltje voor de dorst sparen.

You should always save money for a rainy day.

470

Hij werd zanger tegen de wil in van zijn ouders.

He became a singer against his parents wishes.

471

Hij beval mij de kamer onmiddelijk te verlaten.

He commanded me to leave the room immediately.

472

Hij deed per ongeluk zout in zijn kopje koffie.

He put salt into his cup of coffee by mistake.

473

Hij zei dat hij hier morgen terug zou komen.

He said that he would come back here tomorrow.

474

Ik heb haar gevraagd vier kopieën van de brief te maken.

I asked her to make four copies of the letter.

475

Ik kan over alles praten met mijn beste vriend.

I can talk about anything with my best friend.

476

Ik deed het zonder iemand om advies te vragen.

I did that without asking for anyone's advice.

477

Ik ontmoette hem juist toen hij uit school kwam.

I met him just as he was coming out of school.

478

Ik denk dat hij de grootste kunstenaar van de periode is.

I think he is the greatest artist of the time.

479

Als ik een jongen was zou ik op basketbal kunnen gaan.

If I were a boy, I could join a baseball team.

480

Als de telefoon opnieuw gaat, wil ik hem negeren.

If the phone rings again, I plan to ignore it.

481

Op een zonnige dag in april ging ik wandelen.

One sunny day in April, I went out for a walk.

482

Stuur me alsjeblieft een kaartje zodra je aankomt.

Please send me a letter as soon as you arrive.

483

Mooie bloemen ruiken niet noodzakelijk zoet.

Pretty flowers do not necessarily smell sweet.

484

Ze kwam niet opdagen totdat de vergadering was afgelopen.

She didn't show up until the meeting was over.

485

Aangezien mijn moeder ziek was, kon ik er niet heen.

Since my mother was sick, I couldn't go there.

486

Sommige mensen houden van honkbal, anderen van voetbal.

Some people like baseball, others like soccer.

487

De jongen groef een graf voor zijn hond die gestorven was.

The boy dug a grave for his dog that had died.

488

Het land heeft de oorlog verklaard aan zijn buurland.

The country declared war against its neighbor.

489

De tentoonstelling blijft nog een maand geopend.

The exhibition will be open for another month.

490

De eerste uitgave verscheen tien jaar geleden.

The first edition was published ten years ago.

491

Het gras aan de andere kant van de heuvel is altijd groener.

The grass is always greener on the other side.

492

Ze zagen het jongetje weggedragen worden naar het ziekenhuis.

They saw the boy carried away to the hospital.

493

Dit is het huis waarin ik leefde toen ik klein was.

This is the house I lived in when I was young.

494

Tom pleegde zelfmoord door van een brug af te springen.

Tom committed suicide by jumping off a bridge.

495

We hebben het zo druk dat we alle hulp kunnen gebruiken.

We are so busy we'll take any help we can get.

496

We waren zo opgewonden dat we niet stil konden zitten.

We were so excited that we couldn't sit still.

497

Wil je een korte wandeling maken?

What do you say to going out for a short walk?

498

Toen ik thuiskwam, merkte ik dat ik mijn portemonnee verloren had.

When I got home, I found I had lost my wallet.

499

De angst voor het communisme was toen erg sterk.

Fear of communism was very strong at that time.

500

Hij stelde enige vragen over het wiskundeproefwerk.

He asked me some questions about the math test.