Dutch Grammar Rules Flashcards Preview

Dutch > Dutch Grammar Rules > Flashcards

Flashcards in Dutch Grammar Rules Deck (7)
0

Articles

Definite singular - De (M/F) Het (N)
Definite Plural - De (M/F/N)

Indefinite singular - een (M/F/N)

1

Personal Pronouns (Subject)

Ik - I
Jij - you
U - you (formal)
Hij - he
Zij - she
Het - it
Wij - we
Jullie - you (plural)
U - you (plural, formal)
Zij - they

2

Personal Pronouns (Object)

Mij - me
Jou - you
U - you (Formal)
Hem - him
Haar - her
Het - it
Ons - us
Jullie - you (plural)
U - you (plural, formal)
Hun/hen - them
die - them (inanimate objects)

3

Possessive Determiners

Mijn - my
Jouw - your
Uw - your (formal)
Zijn - his
Haar - her
Zijn - it's
Ons - our
Jullie - your
Uw - your (formal)
Hun - their

4

Possessive Determiners (Inflected)

Mijne - mine
Jouwe - yours
Uwe - yours (formal)
Zijne - his
Hare - hers
Zijne - it's
Onze - ours
Jullie - yours
Uwe - yours (formal)
Hunne - theirs

5

Forming Future Tense

Person + Zullen + Infinitive Participle

Ik - Zal
Jij - Zult
U - Zal
Hij - Zal
Zij - Zal
Het - Zal
Wij - Zullen
Jullie - Zullen
Zij - Zullen

6

Forming Conditional Tense

Person + Zouden + Infinitive Participle

Ik - Zou
Jij - Zou
U - Zou
Hij - Zou
Zij - Zou
Het - Zou
Wij - Zouden
Jullie - Zouden
Zij - Zouden