Dutch Vocabulary 6 Flashcards Preview

Dutch > Dutch Vocabulary 6 > Flashcards

Flashcards in Dutch Vocabulary 6 Deck (100)
1

energie

energy

2

hunt

hunt

3

waarschijnlijk

probable

4

bedden

bed

5

broer

brother

6

ei

egg

7

rit

ride

8

cel

cell

9

geloven

believe

10

misschien

perhaps

11

pick

pick

12

plotseling

sudden

13

tellen

count

14

square

square

15

reden

reason

16

lengte

length

17

vertegenwoordigen

represent

18

kunst

art

19

onderwerp

subject

20

regio

region

21

grootte

size

22

variëren

vary

23

vestigen

settle

24

spreken

speak

25

gewicht

weight

26

algemeen

general

27

ijs

ice

28

aangelegenheid

matter

29

cirkel

circle

30

paar

pair

31

omvatten

include

32

kloof

divide

33

lettergreep

syllable

34

vilt

felt

35

grand

grand

36

bal

ball

37

nog

yet

38

wave

wave

39

laten vallen

drop

40

hart

heart

41

ben

am

42

aanwezig

present

43

zwaar

heavy

44

dans

dance

45

motor

engine

46

positie

position

47

arm

arm

48

breed

wide

49

zeil

sail

50

materiaal

material

51

fractie

fraction

52

bos

forest

53

zitten

sit

54

ras

race

55

venster

window

56

winkel

store

57

zomer

summer

58

trein

train

59

slaap

sleep

60

bewijzen

prove

61

eenzame

lone

62

been

leg

63

oefening

exercise

64

muur

wall

65

vangst

catch

66

berg

mount

67

wensen

wish

68

hemel

sky

69

boord

board

70

vreugde

joy

71

de winter

winter

72

zat

sat

73

geschreven

written

74

wild

wild

75

instrument

instrument

76

gehouden

kept

77

glas

glass

78

gras

grass

79

koe

cow

80

werk

job

81

edge

edge

82

teken

sign

83

bezoek

visit

84

verleden

past

85

zachte

soft

86

lol

fun

87

heldere

bright

88

gas

gas

89

weer

weather

90

maand

month

91

miljoen

million

92

dragen

bear

93

afwerking

finish

94

happy

happy

95

hopen

hope

96

bloem

flower

97

kleden

clothe

98

vreemd

strange

99

weg

gone

100

handel

trade