Dutch Sentences 1 Flashcards Preview

Dutch > Dutch Sentences 1 > Flashcards

Flashcards in Dutch Sentences 1 Deck (500)
1

Bedankt!

Cheers!

2

Waarom ik?

Why me?

3

Waarom niet?

Why not?

4

Kop op!

Cheer up!

5

Schiet op!

Hurry up!

6

Ik betaal.

I'll pay.

7

Het is nieuw.

It's new.

8

Vertrouw op mij.

Trust me!

9

Pardon.

Excuse me.

10

Volg me.

Follow me.

11

Hij is oud.

He is old.

12

Hij is een DJ.

He's a DJ.

13

Ik weet het zeker.

I am sure.

14

Ik ben moe.

I'm tired.

15

Het is nieuw.

It is new.

16

Het is koud.

It's cold.

17

Het is laat.

It's late.

18

Laat me gaan!

Let me go!

19

Zie hierboven.

See above.

20

Wat is er gaande?

What's up?

21

Wie is hij?

Who is he?

22

Wie weet?

Who knows?

23

Kom binnen!

Come on in.

24

Komt u binnen!

Come on in.

25

Kom snel!

Come quick!

26

God bestaat.

God exists.

27

Hij is ziek.

He is sick.

28

Hallo, Tom.

Hello, Tom.

29

Ik ben een jongen.

I am a boy.

30

Ik ben moe.

I am tired.

31

Ik eet hier.

I eat here.

32

Ik ken haar.

I know her.

33

Ge valt in mijn smaak.

I like you.

34

Ik hou van je.

I love you.

35

Ik zie u graag.

I love you.

36

Ik mis je.

I miss you.

37

Ik heb u nodig.

I need you.

38

Ik kom.

I'm coming.

39

Ik heb honger.

I'm hungry.

40

Ik ben zo dik.

I'm so fat.

41

Is het waar?

Is it true?

42

Kijk me aan.

Look at me.

43

Dat is alles.

That's all.

44

De tijd vliegt.

Time flies.

45

Hout brandt.

Wood burns.

46

Kunnen we praten?

Can we talk?

47

Maak je geen zorgen.

Don't worry.

48

Ga slapen.

Go to sleep.

49

Hij is acht.

He is eight.

50

Hij is vies.

He is nasty.

51

Hij is slim.

He is smart.

52

Hij is niet binnen.

He's not in.

53

Hier zijn we dan.

Here we are.

54

Ik kan het.

I can do it.

55

Ik ken hen.

I know them.

56

Ik hou van gebak.

I like cake.

57

Ik hou van vis.

I like fish.

58

Ik woon hier.

I live here.

59

Ik dank u.

I thank you.

60

Ik werd ontslagen.

I was fired.

61

Ik ben een bakker.

I'm a baker.

62

Ik ben gezond.

I'm healthy.

63

Ik stap op.

I'm leaving.

64

Ik zit vol!

I'm stuffed!

65

Ik heb dorst.

I'm thirsty.

66

Dat kan niet waar zijn!

It can't be!

67

Misschien gaat het sneeuwen.

It may snow.

68

Het is maandag.

It's Monday.

69

Zet het af.

Turn it off.

70

We zijn beschikbaar!

We are free!

71

We zijn vrij!

We are free!

72

We kennen hem.

We know him.

73

Wat jammer!

What a pity!

74

Bent u verdwaald?

Are you lost?

75

Weet je het zeker?

Are you sure?

76

Weet u dat zeker?

Are you sure?

77

Breng hem naar binnen.

Bring him in.

78

Kan je komen?

Can you come?

79

Rook je?

Do you smoke?

80

Doe je best.

Do your best.

81

Ga naar school.

Go to school.

82

Hij werd kwaad.

He got angry.

83

Hij heeft een auto.

He has a car.

84

Hij houdt van haar.

He loves her.

85

Hij was dapper.

He was brave.

86

Ik ben nieuwsgierig.

I am curious.

87

Ik at kaviaar.

I ate caviar.

88

Ik weet het niet.

I don't know.

89

Ik heb een auto.

I have a car.

90

Ik zie een leeuw.

I see a lion.

91

Ik ben verward.

I'm confused.

92

Ik ga dood van de honger!

I'm starving!

93

Is dat wel goed?

Is that okay?

94

Het is te groot.

It's too big.

95

Het is te heet.

It's too hot.

96

Laat me met rust.

Let me alone.

97

Ik heb pijn aan mijn ogen.

My eyes hurt.

98

Tot ziens!

See you soon!

99

Zij is acht.

She is eight.

100

Zo is het wel genoeg.

That will do.

101

Zo is het genoeg.

That will do.

102

Wij zijn Arabieren.

We are Arabs.

103

We zijn gelukkig.

We are happy.

104

Waar zijn wij?

Where are we?

105

Ga je dan niet?

Won't you go?

106

Je hebt gelijk.

You're right.

107

Zijt ge alleen?

Are you alone?

108

Ben je alleen?

Are you alone?

109

Ben je gek?

Are you crazy?

110

Ben je blij?

Are you happy?

111

Ben je gelukkig?

Are you happy?

112

Ben je moe?

Are you tired?

113

Kom op, Bill.

Come on, Bill.

114

Hij groef een gat.

He dug a hole.

115

Hij is een dief.

He is a thief.

116

Hij is niet gek.

He is no fool.

117

Hij loog tegen ons.

He lied to us.

118

Hij liegt nooit.

He never lies.

119

Hij was aan het huilen.

He was crying.

120

Bedien u.

Help yourself.

121

Ik geloof je.

I believe you.

122

Ik denk van wel.

I do think so.

123

Ik rook niet.

I don't smoke.

124

Ik voel me schuldig.

I feel guilty.

125

Ik ben mijn sleutel kwijtgeraakt.

I lost my key.

126

Ik hou van de natuur.

I love nature.

127

Ik ben bij Dan op bezoek geweest.

I visited Dan.

128

Ik was thuis.

I was at home.

129

Ik zal hier eten.

I'll eat here.

130

Ik ben op dieet.

I'm on a diet.

131

Ik ben moe nu.

I'm tired now.

132

Het regent.

It is raining.

133

Het zal niet werken.

It won't work.

134

t Is een geheim.

It's a secret.

135

Een ogenblikje.

Just a minute.

136

Ik heb hoofdpijn.

My head aches.

137

Nee, bedankt.

No, thank you.

138

Nee, dank u.

No, thank you.

139

Lees het hardop.

Read it aloud.

140

Rust in vrede.

Rest in peace.

141

Tot ziens!

See you again.

142

Zij werd kwaad.

She got angry.

143

Ze houdt van Tom.

She loves Tom.

144

Ze was dapper.

She was brave.

145

Dat is genoeg.

That's enough.

146

Dat volstaat.

That's enough.

147

Dit is een kaart.

This is a map.

148

Dat is een woordspeling.

This is a pun.

149

Dit is Japan.

This is Japan.

150

Tijd is geld.

Time is money.

151

We hebben honger.

We are hungry.

152

We vragen ons af waarom.

We wonder why.

153

Wat is er gebeurd?

What happened?

154

Waar ben je?

Where are you?

155

Je bent gek.

You are crazy.

156

Je ziet er bleek uit.

You look pale.

157

Je werkt hard.

You work hard.

158

Een cola, alsjeblieft.

A coke, please.

159

Een cola, alstublieft.

A coke, please.

160

Kan ik dit eten?

Can I eat this?

161

Kan ik u helpen?

Can I help you?

162

Kom snel terug.

Come back soon.

163

Snij het doormidden.

Cut it in half.

164

Snij het door de helft.

Cut it in half.

165

Hou je van mij?

Do you love me?

166

Zeg dat niet.

Don't say that.

167

Niet aanraken.

Don't touch it.

168

Gelukkig Nieuwjaar!

Happy New Year!

169

Gelukkig nieuwjaar!

Happy New Year!

170

Hij is rijk geworden.

He became rich.

171

Hij kan niet tellen.

He can't count.

172

Hij heeft een baard.

He has a beard.

173

Hij haatte liegen.

He hated lying.

174

Hij zong een lied.

He sang a song.

175

De tijd vliegt.

How time flies.

176

Ik ben een verlegen jongen.

I am a shy boy.

177

Ik heb niet graag eieren.

I dislike eggs.

178

Ik heb met je te doen.

I feel for you.

179

Ik loop graag.

I like to walk.

180

Ik hou van lasagne.

I love lasagna.

181

Ik heb hem een keer ontmoet.

I met him once.

182

Ik moet het vinden.

I must find it.

183

Ik studeer in het buitenland.

I study abroad.

184

Ik kom terug.

I'll come back.

185

Ik ben doodmoe.

I'm dead tired.

186

Mij gaat het goed.

I'm doing fine.

187

Ik ben niet slaperig.

I'm not sleepy.

188

Wat heb ik een pech!

I'm so unlucky!

189

Is hij Japans?

Is he Japanese?

190

Slaapt hij?

Is he sleeping?

191

Is dit Frans?

Is this French?

192

Het is zaterdag.

It is Saturday.

193

Het is al zeven uur.

It's already 7.

194

Het is dit boek.

It's this book.

195

Laat me met rust!

Leave me alone!

196

Laat het er allemaal uit.

Let it all out.

197

Leef en leer.

Live and learn.

198

Kan ik u helpen?

May I help you?

199

Mag ik dit gebruiken?

May I use this?

200

Nu weet ik het weer.

Now I remember.

201

Kom binnen alstublieft.

Please come in.

202

Ze houdt van katten.

She loves cats.

203

Volg mijn advies!

Take my advice!

204

Dat is vreemd.

That's strange.

205

Ze waren bezig.

They were busy.

206

Ze waren druk.

They were busy.

207

Denk er eens over na.

Think about it.

208

Wat een grote hond!

What a big dog!

209

Wat doe je?

What do you do?

210

Wat ben je aan het doen?

What do you do?

211

Wie heeft dit gebroken?

Who broke this?

212

Waarom vraag je dat?

Why do you ask?

213

Waarom vraagt u dat?

Why do you ask?

214

Waarom is hij hier?

Why is he here?

215

Ge ziet er verveeld uit.

You look bored.

216

Graag gedaan.

You're welcome.

217

Tot uw dienst.

You're welcome.

218

Je hebt het gedaan!

You've done it!

219

Het is je gelukt!

You've done it!

220

Meen je dat echt?

Are you serious?

221

Kan je het vinden?

Can you find it?

222

Kun je me horen?

Can you hear me?

223

Kunt u me helpen?

Can you help me?

224

Doe je boek dicht.

Close your book.

225

Kom als ge kunt.

Come if you can.

226

Gefeliciteerd.

Congratulations!

227

Weet je nog?

Do you remember?

228

Word niet boos.

Don't get angry.

229

Kijk niet terug.

Don't look back.

230

Vertrouw hem niet.

Don't trust him.

231

Eet smakelijk!

Enjoy your meal!

232

Hij begon te huilen.

He began to cry.

233

Hij kan niet ziek zijn.

He can't be ill.

234

Hij heeft een hoed op.

He has a hat on.

235

Hij is depressief.

He is depressed.

236

Hij is erg aardig.

He is very kind.

237

Hoe gaat het met iedereen?

How is everyone?

238

Ik voelde me buitengesloten.

I felt left out.

239

Ik haat politiek

I hate politics.

240

Ik ben teruggekomen.

I have returned.

241

Ik heb tien pennen.

I have ten pens.

242

Ik heb haast!

I have to hurry!

243

Ik heb twee auto's.

I have two cars.

244

Ik mis hem simpelweg.

I just miss him.

245

Ik woon in Japan.

I live in Japan.

246

Ik hou van komedies.

I love comedies.

247

Ik heb zijn hulp nodig.

I need his help.

248

Ik wil een vriend.

I want a friend.

249

Ik wil slapen.

I want to sleep.

250

Ik kan lopen.

I'm able to run.

251

Ik kan skiën.

I'm able to ski.

252

Ik ga.

I'm going to go.

253

Ik ben linkshandig.

I'm left-handed.

254

Is ze Japans?

Is she Japanese?

255

Is dit een rivier?

Is this a river?

256

Het doet geen pijn.

It doesn't hurt.

257

Het is een verrassing.

It's a surprise.

258

Het is fris vandaag.

It's cool today.

259

Het is niet zo ver.

It's not so far.

260

Kate is verkouden.

Kate has a cold.

261

Hou het wisselgeld!

Keep the change!

262

Citroenen zijn zuur.

Lemons are sour.

263

Laten we teruggaan.

Let's turn back.

264

Ik heet Jack.

My name is Jack.

265

Mijn pak is grijs.

My suit is grey.

266

Doe je mond open.

Open your mouth!

267

Haast je alsjeblieft!

Please hurry up!

268

Doe je muts op.

Put on your cap.

269

Ze is laat opgestaan.

She got up late.

270

Ze is een knappe vrouw.

She is a beauty.

271

Ze heeft hem verleid.

She tempted him.

272

Ze werkte hard.

She worked hard.

273

Sorry, ik heb het vergeten.

Sorry, I forgot.

274

Het vuur is uitgegaan.

The fire is out.

275

Ze zullen me doden.

They'll kill me.

276

Dit is mijn boek.

This is my book.

277

Dit is de jongen.

This is the boy.

278

Dit is het einde.

This is the end.

279

Dit is te groot.

This is too big.

280

Ieder zijn ding.

To each his own.

281

We zijn studenten.

We are students.

282

We zijn leerlingen.

We are students.

283

We gingen naar Gifu.

We went to Gifu.

284

Wat een verrassing!

What a surprise!

285

Wat heeft hij gezegd?

What did he say?

286

Wat ontbreekt er?

What is missing?

287

Jij zingt altijd.

You always sing.

288

Het is beter als je weggaat.

You'd better go.

289

Je zult verdwalen.

You'll get lost.

290

Zijn ze vrienden?

Are they friends?

291

Studeer je?

Are you studying?

292

Ben je aan het studeren?

Are you studying?

293

Bob is mijn vriend.

Bob is my friend.

294

Kunt u dat bewijzen?

Can you prove it?

295

Kersen zijn rood.

Cherries are red.

296

Kom en help ons.

Come and help us.

297

Kom ons helpen.

Come and help us.

298

Doe wat je wil.

Do what you like.

299

Doe wat je wil.

Do what you want.

300

Woon je hier?

Do you live here?

301

Hou me niet voor de gek.

Don't deceive me.

302

Schreeuw niet tegen me.

Don't yell at me.

303

Dromen komen uit.

Dreams come true.

304

Geef mij het boek.

Give me the book.

305

Hij kan snel zwemmen.

He can swim fast.

306

Hij repareerde het net.

He fixed the net.

307

Hij houdt van appelsienen.

He likes oranges.

308

Hij zwemt graag.

He likes to swim.

309

Hij houdt van zwemmen.

He likes to swim.

310

Hij sliep een uur.

He slept an hour.

311

Wat dacht je van een pint?

How about a beer?

312

Ik ben professor.

I am a professor.

313

Ik kan Tim niet vinden.

I can't find Tim.

314

Ik kon niet slapen.

I couldn't sleep.

315

Ik vond het niet leuk.

I didn't like it.

316

Ik ken haar niet.

I don't know her.

317

Ik weet het nog niet.

I don't know yet.

318

Ik ken u niet.

I don't know you.

319

Ik haat scheikunde.

I hate chemistry.

320

Ik heb hooikoorts.

I have hay fever.

321

Ik ben twintig geworden.

I have turned 20.

322

Ik hoor dat hij ziek is.

I hear he is ill.

323

Ik hoor iets.

I hear something.

324

Ik weet alleen dit.

I know only this.

325

Ik hou van chocolade.

I like chocolate.

326

Ik heb een fout gemaakt.

I made a mistake.

327

Ik heb het zelf gemaakt.

I made it myself.

328

Ik mis je verschrikkelijk.

I miss you badly.

329

Ik mis je enorm.

I miss you badly.

330

Ik mis je ontzettend.

I miss you badly.

331

Ik speel in een groep.

I play in a band.

332

Ik ga lopend naar school.

I walk to school.

333

Ik ga te voet naar school.

I walk to school.

334

Ik wuifde terug naar hem.

I waved him back.

335

Ik ga hem neerschieten.

I will shoot him.

336

Ik kan zwemmen.

I'm able to swim.

337

Ik ben doodmoe.

I'm really tired.

338

Ik ben doodop.

I'm really tired.

339

Ik ben uitgeput.

I'm really tired.

340

Het kan niet waar zijn.

It can't be true.

341

Het is het proberen waard.

It's worth a try.

342

Het is een poging waard.

It's worth a try.

343

Laten we sushi eten.

Let's have sushi.

344

Laten we kaart spelen.

Let's play cards.

345

Mijn hartslag is hoog.

My pulse is fast.

346

Mijn hartslag is laag.

My pulse is slow.

347

Aangenaam kennis te maken.

Nice to meet you.

348

Niemand komt er achter.

No one will know.

349

Niet huilen alsjeblieft.

Please don't cry.

350

Ze werd gelukkig.

She became happy.

351

Sta recht, alsjeblieft.

Stand up, please.

352

De zomer is voorbij.

Summer has ended.

353

Vertel me erover!

Tell me about it!

354

Spreek mij daarover.

Tell me about it.

355

De jongen liep weg.

The boy ran away.

356

De auto is klaar.

The car is ready.

357

De hond is aan het sterven.

The dog is dying.

358

Zij zijn zangers.

They are singers.

359

Ze hadden geen eten.

They had no food.

360

Ze respecteren hem.

They respect him.

361

Dit boek is nieuw.

This book is new.

362

Ĉi tiu libro estas nova.

This book is new.

363

Dit is haar boek.

This is her book.

364

Dit is het geval.

This is the case.

365

Dit smaakt goed.

This tastes good.

366

Loop eens wat langzamer.

Walk more slowly.

367

We hebben geen suiker.

We have no sugar.

368

Welkom in Japan.

Welcome to Japan.

369

Wat een goed schot!

What a good shot!

370

Wat een goede schutter!

What a good shot!

371

Wat heb je gezegd?

What did you say?

372

Wat heb je nodig?

What do you need?

373

Wat is hij aan het doen?

What is he doing?

374

Wat is hij van plan?

What is he up to?

375

Hoe heet je?

What's your name?

376

Wie is deze kerel?

Who is this guy?

377

Wie is deze vent?

Who is this guy?

378

Waarom studeer je?

Why do you study?

379

Waarom is het zo heet?

Why is it so hot?

380

Je zou moeten slapen.

You should sleep.

381

Jij bent alles wat ik wil.

All I want is you.

382

Elke soort papier is geschikt.

Any paper will do.

383

Zijt ge student?

Are you a student?

384

Pas op de hond!

Beware of the dog!

385

Bill is in Japan geweest.

Bill was in Japan.

386

Gelooft gij mij?

Do you believe me?

387

Hou je van muziek?

Do you like music?

388

Hou je van muziek?

Do you love music?

389

Groen staat Alice goed.

Green suits Alice.

390

Hij werd erg dronken.

He got very drunk.

391

Hij had hoofdpijn.

He had a headache.

392

Hij hielp me verhuizen.

He helped me move.

393

Hij is bioloog.

He is a biologist.

394

Hij wordt oud.

He is getting old.

395

Hij is introvert.

He is introverted.

396

Hij heeft helemaal gelijk.

He is quite right.

397

Hij kijkt TV.

He is watching TV.

398

Hij houdt zijn woord.

He keeps his word.

399

Hij houdt zich aan zijn woord.

He keeps his word.

400

Hij studeerde in het buitenland.

He studied abroad.

401

Hij komt snel.

He will come soon.

402

Hij is een grote lafaard.

He's a big coward.

403

Hij is al weg.

He's already left.

404

Hoe moet ik dat weten?

How should I know?

405

Weet ik veel!

How should I know?

406

Hoe is het weer?

How's the weather?

407

Ik ben dol op auto's.

I am fond of cars.

408

Ik ben thuis.

I am in the house.

409

Ik ben rechtshandig.

I am right-handed.

410

Ik kan amper wandelen.

I can hardly walk.

411

Ik voel me niet goed.

I don't feel well.

412

Ik voel me niet lekker.

I don't feel well.

413

Ik heb een computer.

I have a computer.

414

Ik heb hoofdpijn.

I have a headache.

415

Ik heb een vraag.

I have a question.

416

Ik heb slechte adem.

I have bad breath.

417

Ik heb geen commentaar.

I have no comment.

418

Ik moet het vinden.

I have to find it.

419

Ik moet naar huis gaan.

I have to go home.

420

Ik heb twee nichtjes.

I have two nieces.

421

Kort haar vind ik leuk.

I like short hair.

422

Ik luister naar muziek.

I listen to music.

423

Ik meen wat ik zeg.

I mean what I say.

424

Ik reed tegen een boom.

I ran into a tree.

425

Ik heb hem zien rennen.

I saw him running.

426

Ik heb haar een pop verstuurd.

I sent her a doll.

427

Ik wil een computer.

I want a computer.

428

Ik wil een stuk papier.

I want some paper.

429

Ik wil water.

I want some water.

430

Ik had veel honger.

I was very hungry.

431

Ik wou dat ik meekon.

I wish I could go.

432

Ik won de lotto.

I won the lottery.

433

Leeft hij nog?

Is he still alive?

434

Is daar iemand?

Is somebody there?

435

Is dit jouw boek?

Is this your book?

436

Is dit uw boek?

Is this your book?

437

Het regende zonder ophouden.

It rained nonstop.

438

Het is een oude piano.

It's an old piano.

439

Het is van mijn broer.

It's my brother's.

440

Het is niet mijn schuld!

It's not my fault!

441

Het is ons een genoegen.

It's our pleasure.

442

Het is bedtijd.

It's time for bed.

443

John heeft twee zonen.

John has two sons.

444

Rechts houden.

Keep to the right.

445

Laten we handen schudden.

Let's shake hands.

446

Het leven is mooi.

Life is beautiful.

447

Lang niet gezien.

Long time, no see.

448

Mag ik het hier neerzetten?

May I put it here?

449

Muiriel is nu 20 jaar oud.

Muiriel is 20 now.

450

Mijn naam is Yamada.

My name is Yamada.

451

Geen probleem!

No problem at all!

452

Vergeef me alsjeblieft.

Please forgive me.

453

Zet het alsjeblieft aan.

Please turn it on.

454

Handen omhoog!

Put your hands up!

455

Lees het nog een keer.

Read it once more.

456

Zeg het in het Engels.

Say it in English.

457

Ze heeft graag sinaasappelen.

She likes oranges.

458

Ze zag er eenzaam uit.

She looked lonely.

459

Ze is bewusteloos.

She's unconscious.

460

Slaap zacht, Sean.

Sleep tight, Sean.

461

Blijf hier bij ons.

Stay here with us.

462

Alvast bedankt.

Thanks in advance.

463

Dat huis is groot.

That house is big.

464

Dat zal niet gebeuren.

That won't happen.

465

De hond ging weg.

The dog went away.

466

Dit boek is van mij.

This book is mine.

467

Dit is goed vlees.

This is good meat.

468

Dit is mijn neef.

This is my cousin.

469

Dit is mijn nicht.

This is my cousin.

470

Dit is mijn vriend.

This is my friend.

471

Dit klinkt verdacht.

This sounds fishy.

472

Dit smaakt beschimmeld.

This tastes moldy.

473

Tom is van Mary gescheiden.

Tom divorced Mary.

474

Tom houdt een dagboek bij.

Tom keeps a diary.

475

Probeer het nog eens.

Try it once again.

476

We missen je heel erg.

We miss you a lot.

477

We hebben het geld nodig.

We need the money.

478

Wij hebben uw hulp nodig.

We need your help.

479

Wat zit er in de doos?

What's in the box?

480

Waar woon je?

Where do you live?

481

Waar is hij geboren?

Where was he born?

482

Waarom was je laat?

Why were you late?

483

Wil je met me trouwen?

Will you marry me?

484

Wow! Dat is goedkoop!

Wow! That's cheap!

485

Je hebt geen koorts.

You have no fever.

486

Jij maakt me gelukkig.

You make me happy.

487

Je praat teveel.

You talk too much.

488

Je werkt te hard.

You work too hard.

489

Abbott heeft Mary gedood.

Abbott killed Mary.

490

Bananen zijn geel.

Bananas are yellow.

491

Het ontbijt is klaar.

Breakfast is ready.

492

Doe wat hij je zegt.

Do as he tells you.

493

Vind je appels lekker?

Do you like apples?

494

Herinner je je mij nog?

Do you remember me?

495

Zo gewonnen, zo geronnen.

Easy come, easy go.

496

Alles is in orde.

Everything is fine.

497

Alles is prima.

Everything is fine.

498

Is het om hier te eten, of om mee te nemen?

For here, or to go?

499

Hij kan geen auto kopen.

He can't buy a car.

500

Hij kan niet lang blijven.

He can't stay long.