Dutch Vocabulary 4 Flashcards Preview

Dutch > Dutch Vocabulary 4 > Flashcards

Flashcards in Dutch Vocabulary 4 Deck (100)
1

genoeg

enough

2

vlakte

plain

3

meisje

girl

4

gebruikelijke

usual

5

jonge

young

6

klaar

ready

7

boven

above

8

ooit

ever

9

rood

red

10

lijst

list

11

hoewel

though

12

voelen

feel

13

Overleg

talk

14

vogel

bird

15

spoedig

soon

16

lichaam

body

17

hond

dog

18

familie

family

19

rechtstreeks

direct

20

pose

pose

21

vertrekken

leave

22

lied

song

23

meten

measure

24

deur

door

25

artikel

product

26

zwart

black

27

korte

short

28

cijfer

numeral

29

klasse

class

30

wind

wind

31

vraag

question

32

gebeuren

happen

33

compleet

complete

34

schip

ship

35

gebied

area

36

helft

half

37

rots

rock

38

orde

order

39

brand

fire

40

zuiden

south

41

probleem

problem

42

stuk

piece

43

vertelde

told

44

wist

knew

45

passeren

pass

46

sinds

since

47

boven

top

48

geheel

whole

49

king

king

50

straat

street

51

inch

inch

52

vermenigvuldigen

multiply

53

niets

nothing

54

cursus

course

55

blijven

stay

56

wiel

wheel

57

volledige

full

58

kracht

force

59

blauw

blue

60

object

object

61

beslissen

decide

62

oppervlak

surface

63

diepe

deep

64

maan

moon

65

eiland

island

66

voet

foot

67

systeem

system

68

drukke

busy

69

toets

test

70

opnemen

record

71

boot

boat

72

gemeenschappelijke

common

73

goud

gold

74

mogelijk

possible

75

vliegtuig

plane

76

plaats

stead

77

droge

dry

78

afvragen

wonder

79

lachen

laugh

80

duizend

thousand

81

geleden

ago

82

ran

ran

83

controleren

check

84

spel

game

85

vorm

shape

86

gelijk

equate

87

heet

hot

88

miss

miss

89

bracht

brought

90

warmte

heat

91

sneeuw

snow

92

band

tire

93

brengen

bring

94

ja

yes

95

verre

distant

96

vullen

fill

97

oosten

east

98

schilderen

paint

99

taal

language

100

onder

among