Dutch Vocabulary 2 Flashcards Preview

Dutch > Dutch Vocabulary 2 > Flashcards

Flashcards in Dutch Vocabulary 2 Deck (100)
1

een

any

2

nieuwe

new

3

werk

work

4

deel

part

5

nemen

take

6

krijgen

get

7

plaats

place

8

gemaakt

made

9

wonen

live

10

waar

where

11

na

after

12

terug

back

13

weinig

little

14

alleen

only

15

ronde

round

16

man

man

17

jaar

year

18

kwam

came

19

Show

show

20

elke

every

21

goed

good

22

mij

me

23

geven

give

24

onze

our

25

onder

under

26

naam

name

27

zeer

very

28

door

through

29

gewoon

just

30

vorm

form

31

zin

sentence

32

grote

great

33

denken

think

34

zeggen

say

35

helpen

help

36

laag

low

37

lijn

line

38

verschillen

differ

39

beurt

turn

40

oorzaak

cause

41

veel

much

42

betekenen

mean

43

voor

before

44

verhuizing

move

45

rechts

right

46

jongen

boy

47

oude

old

48

ook

too

49

hetzelfde

same

50

ze

she

51

alle

all

52

er

there

53

wanneer

when

54

omhoog

up

55

gebruiken

use

56

uw

your

57

manier

way

58

over

about

59

veel

many

60

dan

then

61

hen

them

62

schrijven

write

63

zou

would

64

zoals

like

65

dus

so

66

deze

these

67

haar

her

68

lang

long

69

maken

make

70

ding

thing

71

zien

see

72

hem

him

73

twee

two

74

heeft

has

75

kijken

look

76

meer

more

77

dag

day

78

kon

could

79

gaan

go

80

komen

come

81

deed

did

82

aantal

number

83

klinken

sound

84

geen

no

85

meest

most

86

mensen

people

87

mijn

my

88

meer dan

over

89

weten

know

90

water

water

91

dan

than

92

roep

call

93

eerste

first

94

die

who

95

kan

may

96

naar beneden

down

97

kant

side

98

geweest

been

99

nu

now

100

vinden

find