Dutch Sentences 5 Flashcards Preview

Dutch > Dutch Sentences 5 > Flashcards

Flashcards in Dutch Sentences 5 Deck (500)
1

Hij woont in deze wijk.

He lives in this neighborhood.

2

Hij lijkt wel een skelet.

He looks just like a skeleton.

3

Hij kwam in mijn buurt wonen.

He moved into my neighborhood.

4

Hij was helemaal alleen in het huis.

He was all alone in the house.

5

Hij wast de fiets elke week.

He washes the bike every week.

6

Hallo. Hier spreekt Ogawa.

Hello. This is Ogawa speaking.

7

Hoe lang was je in het buitenland?

How long have you been abroad?

8

Hoeveel kost deze zakdoek?

How much is this handkerchief?

9

Ik ben bezorgd om haar veiligheid.

I am concerned for her safety.

10

Ik vroeg hem naar zijn naam.

I asked him what his name was.

11

Ik vroeg Tom om de deur dicht te doen.

I asked Tom to close the door.

12

Ik heb dit boek van hem geleend.

I borrowed this book from him.

13

Ik hoop wel dat je nog een keer komt.

I do hope you will come again.

14

Ik weet niet of hij een dokter is.

I don't know if he's a doctor.

15

Ik eet elke ochtend ontbijt.

I eat breakfast every morning.

16

Ik verwacht dat hij ons zal helpen.

I expect that he will help us.

17

Dokter, ik heb buikpijn.

I have a stomach-ache, doctor.

18

Ik heb hier lange tijd gewoond.

I have lived here a long time.

19

Ik weet gewoon niet wat ik moet zeggen...

I just don't know what to say.

20

Ik weet dat je een leerkracht bent.

I know that you are a teacher.

21

Ik heb geleerd te leven zonder haar.

I learned to live without her.

22

Ik slaap graag in een zacht bed.

I like to sleep on a soft bed.

23

Ik heb haar laat in de avond ontmoet.

I met her late in the evening.

24

Ik genoot echt van je gezelschap.

I really enjoyed your company.

25

Ik zag een huis in de verte.

I saw a house in the distance.

26

Ik zag hen arm in arm lopen.

I saw them walking arm in arm.

27

Ik heb het twee dagen geleden naar je toegestuurd.

I sent it to you two days ago.

28

Ik nam een foto van mijn familie.

I took a picture of my family.

29

Ik wandelde zo traag als ik kon.

I walked as slowly as I could.

30

Ik stond vast in de file.

I was caught in a traffic jam.

31

Ik zal je wat foto's laten zien.

I will show you some pictures.

32

Ik zal jullie wat foto's laten zien.

I will show you some pictures.

33

Ik wou dat je met ons mee kon komen.

I wish you could come with us.

34

Ik heb zijn telefoonnummer genoteerd.

I wrote down his phone number.

35

Ik vertel je beter de waarheid.

I'd better tell you the truth.

36

Ik kom thuis tegen zes uur.

I'll come home by six o'clock.

37

Ik breng je wel naar het vliegveld.

I'll drive you to the airport.

38

Ik breng u wel naar het vliegveld.

I'll drive you to the airport.

39

Ik zal je dit woordenboek lenen.

I'll lend you this dictionary.

40

Ik vrees dat het zal gaan regenen.

I'm afraid it's going to rain.

41

Ik ben bang dat het gaat regenen.

I'm afraid it's going to rain.

42

Ik zal hem morgen zien.

I'm going to see him tomorrow.

43

Ik ga met u naar Hannover.

I'm going with you to Hanover.

44

Sorry, de vlucht is vol.

I'm sorry, the flight is full.

45

Ik ben er zeker van dat ik hem al eerder gezien heb.

I'm sure I've seen him before.

46

Ik ben verbaasd om jou hier te zien.

I'm surprised to see you here.

47

Ik heb mijn werk al af.

I've already finished my work.

48

Is dat wat je in gedachten hebt?

Is that what you have in mind?

49

Is er leven op andere werelden?

Is there life on other worlds?

50

Het is nooit te laat om te leren.

It is never too late to learn.

51

Het is tien voor half elf.

It is twenty minutes past ten.

52

Het regende uren aan één stuk door.

It rained for hours and hours.

53

Het was niet erg heet gisterennacht.

It wasn't very hot last night.

54

Het zal warmer en warmer worden.

It will get warmer and warmer.

55

Kate spreekt heel snel Engels.

Kate speaks English very fast.

56

Kate blijft tijdens weekeindes in Izu.

Kate stays in Izu on weekends.

57

Kom, we verstoppen ons achter het gordijn.

Let's hide behind the curtain.

58

Mary houdt van Japan, of niet?

Mary likes Japan, doesn't she?

59

Mike speelt graag basketbal.

Mike likes to play basketball.

60

Geld is de wortel van alle kwaad.

Money is the root of all evil.

61

Geef me alstublieft nog een kans.

Please give me another chance.

62

Doof uw sigaret a.u.b.

Please put your cigarette out.

63

De school begint om half negen.

School begins at eight-thirty.

64

Ze kocht een boek in de winkel.

She bought a book at the shop.

65

Ze vertelde me haar geheim niet.

She didn't tell me her secret.

66

Ze vergat de brief te posten.

She forgot to mail the letter.

67

Ze heeft absoluut geen vijanden.

She has absolutely no enemies.

68

Ze is dol op tennissen.

She is fond of playing tennis.

69

Zij is nergens bang voor.

She is not afraid of anything.

70

Ze is langer dan haar zus.

She is taller than her sister.

71

Ze is inderdaad een lief meisje.

She is, indeed, a lovely girl.

72

Misschien wist zij het antwoord.

She may have known the answer.

73

Ze klopte me op de schouder.

She patted me on the shoulder.

74

Ze speelt elke zondag tennis.

She plays tennis every Sunday.

75

Ze weigerde het geld te nemen.

She refused to take the money.

76

Ze zei dat hij er knap uitzag.

She said that he was handsome.

77

Zij sloeg een bladzij om van haar boek.

She turned a page of her book.

78

Ze voelde zich nogal moe.

She was feeling kind of tired.

79

Ze neemt graag foto's.

She's fond of taking pictures.

80

Engels spreken is moeilijk.

Speaking English is difficult.

81

Het is het niet waard om deze auto te repareren.

The car isn't worth repairing.

82

Het huis bij het meer is van mij.

The house by the lake is mine.

83

Het oordeel van de rechter is definitief.

The judge's decision is final.

84

Het museum opent om 9 uur 's ochtends.

The museum is open from 9 a.m.

85

Het oude uurwerk is nog in gebruik.

The old clock is still in use.

86

De oude vrouw ging de bus uit.

The old woman got off the bus.

87

De plank vroor aan de grond vast.

The plank froze to the ground.

88

De schoenen zijn van leer.

The shoes are made of leather.

89

Er zitten knopen op het jasje.

There are buttons on the coat.

90

Er zit een barst in het glas.

There is a crack in the glass.

91

Op de tafel ligt een meloen.

There is a melon on the table.

92

Er ligt een appel op de bank.

There is an apple on the desk.

93

Deze koekjes hebben de vorm van sterren.

These cookies are star-shaped.

94

Deze schoenen passen niet.

These shoes don't fit my feet.

95

Ze leefden nog lang en gelukkig.

They lived happily ever after.

96

Ze verhuisden twee jaar geleden naar hier.

They moved here two years ago.

97

Zij spijbelen de hele tijd.

They skip school all the time.

98

Ze zijn aan elkaar verwant.

They're related to each other.

99

Dit bier bevat 5% alcohol.

This beer contains 5% alcohol.

100

Deze auto wordt gebruikt door mijn vader.

This car is used by my father.

101

Dit fruit smaakt niet goed.

This fruit doesn't taste good.

102

Tom is zelden laat voor school.

Tom is seldom late for school.

103

Tom is groter dan zijn moeder.

Tom is taller than his mother.

104

Twee vanille-ijsjes alstublieft.

Two vanilla ice creams please.

105

Was je handen voor het eten.

Wash your hands before eating.

106

Water is belangrijk voor mensen.

Water is important for people.

107

We zwemmen graag in de oceaan.

We like swimming in the ocean.

108

Volgende week gaat het misschien vriezen.

We might have frost next week.

109

We zaten op een bank in het park.

We sat on a bench in the park.

110

We zagen nog een schip in de verte.

We saw another ship far ahead.

111

We hadden thuis moeten blijven.

We should have stayed at home.

112

We bleven tijdens de nacht in Hakone.

We stayed overnight in Hakone.

113

We overnachtten in Hakone.

We stayed overnight in Hakone.

114

We brachtten de nacht door in Hakone.

We stayed overnight in Hakone.

115

Wat heb je met mijn handtas gedaan?

What did you do with my purse?

116

Hoe diep is het meer?

What is the depth of the lake?

117

Waar is het treinstation?

Where is the railroad station?

118

Wie heeft hen tafelmanieren geleerd?

Who taught them table manners?

119

Waarom komt ge niet met ons mee?

Why aren't you coming with us?

120

Blijft ge thuis vanavond?

Will you stay at home tonight?

121

Wil je nog wat taart?

Would you like some more cake?

122

Yamamoto is een van mijn vrienden.

Yamamoto is one of my friends.

123

Ge hebt uw zakdoek laten vallen.

You dropped your handkerchief.

124

U mag op de stoel gaan zitten.

You may sit down on the chair.

125

Er zat een kat op de stoel.

A cat was sitting on the chair.

126

Een mooie kelnerin bediende ons.

A pretty waitress waited on us.

127

Een belofte is gauw vergeten.

A promise is quickly forgotten.

128

Alle jongens spelen graag honkbal.

All boys like to play baseball.

129

Al de studenten studeren Engels.

All the students study English.

130

Al hun inspanningen waren tevergeefs.

All their efforts were in vain.

131

Let op dat ge niet verkouden wordt.

Be careful not to catch a cold.

132

Bill zit in de redactie.

Bill is on the editorial staff.

133

Bill was door een inbreker vermoord.

Bill was killed by an intruder.

134

De vogels zingen in de bomen.

Birds are singing in the trees.

135

Goedkoop is duurkoop.

Buy cheap and waste your money.

136

Kan ik nu de sleutel hebben?

Can I have the key now, please?

137

Kunt ge zondagavond komen?

Can you come on Sunday evening?

138

Kraanvogels zijn grote mooie vogels.

Cranes are big beautiful birds.

139

Vader is zich aan het scheren in de badkamer.

Dad is shaving in the bathroom.

140

Heeft hij toegegeven dat hij fout zat?

Did he admit that he was wrong?

141

Is hij met de bus of met de trein gekomen?

Did he come by bus or by train?

142

Weet je, wanneer ze komt?

Do you know when she will come?

143

Weet jij waarom ze zo boos is?

Do you know why she's so angry?

144

Weet hij dat je van hem houdt?

Does he know that you love him?

145

Gaat deze bus naar het museum?

Does this bus go to the museum?

146

Gooi dit tijdschrift niet weg.

Don't throw away this magazine.

147

Ieder van hen kreeg een prijs.

Each of them was given a prize.

148

Engels is moeilijk hè?

English is difficult, isn't it?

149

Het Engels wordt door veel mensen gebruikt.

English is used by many people.

150

Met uitzondering van mij was iedereen uitgenodigd.

Everyone except me was invited.

151

Ervaring is de beste leermeester.

Experience is the best teacher.

152

Vader is bezig brieven te schrijven.

Father is busy writing letters.

153

Een vlieger oplaten kan gevaarlijk zijn.

Flying a kite can be dangerous.

154

Hebt ge de Toren van Tokio al gezien?

Have you ever seen Tokyo Tower?

155

Heb je de Toren van Tokio wel eens gezien?

Have you ever seen Tokyo Tower?

156

Hij kwam drie uur later thuis.

He came home three hours later.

157

Hij kwam naar Berlijn als een leraar.

He came to Berlin as a teacher.

158

Hij sneed het touw met zijn tanden.

He cut the rope with his teeth.

159

Hij is met de noorderzon vertrokken.

He disappeared without a trace.

160

Hij geeft niet om ijs.

He does not care for ice cream.

161

Hij knipt zijn haar eens per maand.

He gets a haircut once a month.

162

Hij is een hoofd groter dan ik.

He is taller than me by a head.

163

Hij is de grootste van de drie.

He is the tallest of the three.

164

Hij heeft mij een uur laten wachten.

He kept me waiting for an hour.

165

Hij leeft in een droomwereld.

He lives in a world of fantasy.

166

Hij drukte op de alarmknop.

He pushed the emergency button.

167

Hij schrijft zelden naar zijn vader.

He seldom writes to his father.

168

Hij probeerde zijn woede in te houden.

He tried to restrain his anger.

169

Hij was niet aanwezig op de bijeenkomst.

He was absent from the meeting.

170

Hij heeft de hele dag lang gewerkt.

He's been working all day long.

171

Hij is geen dokter, maar een verpleger.

He's not a doctor, but a nurse.

172

Hij is drie jaar ouder dan ik.

He's three years older than me.

173

Haar geloof in God is erg sterk.

Her belief in God is very firm.

174

Zijn voorspellingen zijn uitgekomen.

His predictions have come true.

175

Wel wel! Hoe hebt ge dat gedaan?

How in the world did you do it?

176

Hoeveel kost die mountainbike?

How much is that mountain bike?

177

Hoe gauw kunnen ze worden geleverd?

How soon can they be delivered?

178

Ik vroeg hem waar hij heen ging.

I asked him where he was going.

179

Ik maakte een versterker gisteren.

I built an amplifier yesterday.

180

Ik kan niet langer tegen die kou.

I can no longer stand the cold.

181

Ik hou die kou niet langer uit.

I can no longer stand the cold.

182

Ik kan dit hete weer niet uitstaan.

I can't stand this hot weather.

183

Ik kon tussen de regels lezen.

I could read between the lines.

184

Ik begreep zijn grap niet.

I couldn't understand his joke.

185

Ik heb geen zin in sushi.

I don't feel like eating sushi.

186

Ik vind het niet erg om om zes uur op te staan.

I don't mind getting up at six.

187

Ik wil niet zo lang wachten.

I don't want to wait that long.

188

Ik twijfel aan de waarheid van dit verhaal.

I doubt the truth of his story.

189

Ik kijk graag naar spelende kinderen.

I enjoy watching children play.

190

Ik heb haar haar woordenboek teruggegeven.

I gave her her dictionary back.

191

Ik gaf mijn broer een woordenboek.

I gave my brother a dictionary.

192

Zijn lang gepraat verveelde mij.

I got bored with his long talk.

193

Mijn auto is gisteravond gestolen.

I had my car stolen last night.

194

Ik heb een foto van een luchthaven.

I have a picture of an airport.

195

Ik heb me altijd aan mijn beloften gehouden.

I have always kept my promises.

196

Ik heb nog een vriend in China.

I have another friend in China.

197

Ik ben hier al twee uur.

I have been here for two hours.

198

Ik ondersteun twee kinderen.

I have two children to support.

199

Ik hoorde een geluid in de slaapkamer.

I heard a noise in the bedroom.

200

Ik wou gewoon dat je me aanvaardde.

I just wanted you to accept me.

201

Ik heb veel geleerd uit zijn boeken.

I learned a lot from his books.

202

Ik hou van de smaak van watermeloen.

I love the taste of watermelon.

203

Ik heb persoonlijk nooit een UFO gezien.

I myself have never seen a UFO.

204

Ik merkte op dat ik geobserveerd werd.

I noticed I was being observed.

205

Ik heb telefonisch een pizza besteld.

I ordered a pizza on the phone.

206

Ik vind het jammer dat ik je niet kan helpen.

I regret that I can't help you.

207

Ik neem bijna elke dag een bad.

I take a bath almost every day.

208

Ik dacht dat hij onschuldig was.

I thought that he was innocent.

209

Ik wil iets koud om te drinken.

I want something cold to drink.

210

Ik wil iets kouds om te drinken.

I want something cold to drink.

211

Ik was moe van zijn oude grappen.

I was bored with his old jokes.

212

Ik heb een tenniswedstrijd gekeken op televisie.

I watched a tennis match on TV.

213

Ik wou dat ik die gitaar kon kopen.

I wish I could buy that guitar.

214

Ik hoop ooit Egypte te kunnen bezoeken.

I wish to visit Egypt some day.

215

Ik vraag me af of hij vannacht zal komen?

I wonder if he'll come tonight?

216

Ik vraag me af wat ze echt bedoeld.

I wonder what she really means.

217

Ik zou je graag om een gunst vragen.

I'd like to ask a favor of you.

218

Ik zou graag in deze rivier zwemmen.

I'd like to swim in this river.

219

Ik zal je zoveel als ik kan helpen.

I'll help you as much as I can.

220

Ik ga een horrorfilm kijken.

I'm going to see a horror film.

221

Ik ben Japanner, antwoordde de jongen.

I'm Japanese, the boy answered.

222

Ik ben tegen ieder soort oorlog.

I'm opposed to any type of war.

223

Het spijt me, ik heb geen wisselgeld.

I'm sorry, I don't have change.

224

Ik ben gewoon om voor mezelf te koken.

I'm used to cooking for myself.

225

Als het nodig is, kom ik snel.

If necessary, I will come soon.

226

Onschuld is een schone zaak.

Innocence is a beautiful thing.

227

Is dit je eerste reis in het buitenland?

Is this your first trip abroad?

228

Het lijkt op sneeuw, is het niet?

It looks like snow, doesn't it?

229

Het regende de ganse dag zonder ophouden.

It rained continuously all day.

230

Een uur geleden stopte het met sneeuwen.

It stopped snowing an hour ago.

231

Het kostte minder dan vijftig dollar.

It was less than fifty dollars.

232

Het is verschrikkelijk koud deze avond.

It's awfully cold this evening.

233

Kate was gedwongen het boek te lezen.

Kate was made to read the book.

234

Ken vouwde het laken in twee.

Ken folded the blanket in half.

235

Laten we dit gedicht uit ons hoofd leren.

Let's learn this poem by heart.

236

Lincoln was tegen de slavernij.

Lincoln was opposed to slavery.

237

Mary is geïnteresseerd in politiek.

Mary is interested in politics.

238

Mary is gisteravond laat opgebleven.

Mary stayed up late last night.

239

Mijn broer is klein maar sterk.

My brother is small but strong.

240

Mijn vader gaat met de fiets naar zijn werk.

My father goes to work by bike.

241

Mijn favoriete muziek is popmuziek.

My favorite music is pop music.

242

Mijn hobby is gitaar spelen.

My hobby is playing the guitar.

243

Mijn linkervoet slaapt.

My left foot has gone to sleep.

244

Mijn moedertaal is Japans.

My native language is Japanese.

245

Parijs is de hoofdstad van Frankrijk.

Paris is the capital of France.

246

Wacht alsjeblieft tot hij terugkomt.

Please wait till he comes back.

247

Uiteindelijk heeft ze niet gebeld.

She didn't telephone after all.

248

Zij is gewend laat op te blijven.

She is used to staying up late.

249

Zij is wat men een genie noemt.

She is what is called a genius.

250

Ze bedacht een goede oplossing.

She thought of a good solution.

251

Zwavel brandt met een blauwe vlam.

Sulfur burns with a blue flame.

252

Neem een bad en ga dan naar bed.

Take a bath and then go to bed.

253

Tranen biggelden over haar wangen.

Tears trickled down her cheeks.

254

Ondank is 's werelds loon.

That's all the thanks one gets.

255

De auto botste met de vrachtwagen.

The car crashed into the truck.

256

Deze traditie is ontstaan in China.

The custom originated in China.

257

De burgemeester is nu niet beschikbaar.

The mayor is not available now.

258

De nagel ging door de muur.

The nail went through the wall.

259

Het probleem is nog niet opgelost.

The problem is not settled yet.

260

De soldaten konden hem nu zien.

The soldiers could see him now.

261

Het probleem is dat hij geen geld heeft.

The trouble is he has no money.

262

De twee mannen beschuldigden elkaar.

The two men accused each other.

263

Er zijn veel hotels in de binnenstad.

There are many hotels downtown.

264

Er is een bloemenwinkel in de buurt.

There is a flower shop near by.

265

Waar rook is, is vuur.

There is no smoke without fire.

266

Er ligt één appel op de tafel.

There is one apple on the desk.

267

Er was niemand in de tuin.

There was nobody in the garden.

268

Er is geen enkele wolk aan de hemel.

There's not a cloud in the sky.

269

Ze gaan trouwen in juni.

They are to be married in June.

270

Er ontbreken twee bladzijdes uit dit boek.

This book is missing two pages.

271

Deze doos is gevuld met appels.

This box is filled with apples.

272

Dit feit bewijst haar onschuld.

This fact proves her innocence.

273

Dit heeft niets met mij te maken.

This has nothing to do with me.

274

Dit hotel is vorig jaar gebouwd.

This hotel was built last year.

275

Dit is wat ik gekocht heb in Spanje.

This is what I bought in Spain.

276

Dit geldbedrag is niet voldoende.

This sum of money won't go far.

277

Deze telefoon doet het niet.

This telephone is out of order.

278

Er waren duizenden mensen aanwezig.

Thousands of people were there.

279

Tom en Frank zijn goede vrienden.

Tom and Frank are good friends.

280

Tom hield zijn adem in en wachtte.

Tom held his breath and waited.

281

Was deze brief geschreven door Ken?

Was this letter written by Ken?

282

Water en olie zijn allebei vloeistoffen.

Water and oil are both liquids.

283

We raadden hen aan om vroeg te beginnen.

We advised them to start early.

284

We denken dat het ergste voorbij is.

We think we are over the worst.

285

We hebben goed weer gehad de afgelopen tijd.

We've been having good weather.

286

Wat kocht ze in die winkel?

What did she buy at that store?

287

Waarvoor hebt ge dat geld nodig?

What do you need the money for?

288

Wat hij zegt, is heel belangrijk.

What he says is very important.

289

Wat is de naam van deze rivier?

What is the name of this river?

290

Van welke club wil je lid worden?

Which club do you want to join?

291

Wat is zwaarder, lood of goud?

Which is heavier, lead or gold?

292

Jij kan zwemmen, maar ik niet.

You can swim, but I can't swim.

293

Je hoeft je niet te schamen.

You have no need to be ashamed.

294

Je mag uitnodigen wie je wilt.

You may invite anyone you like.

295

Ge zult morgen moeten komen.

You will have to come tomorrow.

296

Een computer is een ingewikkelde machine.

A computer is a complex machine.

297

Enkele studenten waren achter gelaten.

A few students were left behind.

298

Daden spreken luider dan woorden.

Actions speak louder than words.

299

Zijt ge bezet morgennamiddag?

Are you busy tomorrow afternoon?

300

Auto's vervingen de fietsen.

Cars took the place of bicycles.

301

China is veel groter dan Japan.

China is much larger than Japan.

302

Kan jij dit doen in plaats van mij?

Could you do this instead of me?

303

Heb je gister baseball gespeeld?

Did you play baseball yesterday?

304

Heb je zin om te gaan zwemmen?

Do you feel like going swimming?

305

Heb je veel geld bij je?

Do you have much money with you?

306

Kent zij uw telefoonnummer?

Does she know your phone number?

307

Beoordeel iemand niet op zijn uiterlijk.

Don't judge a book by its cover.

308

Faber schreef boeken over insecten.

Faber wrote books about insects.

309

Beter een half ei dan een lege dop.

Half a loaf is better than none.

310

Hebt ge het boek al gelezen?

Have you already read this book?

311

Heb je besloten om naar Japan te gaan?

Have you decided to go to Japan?

312

Heb je hem ooit zien zwemmen?

Have you ever seen him swimming?

313

Hebben jullie de krant van vandaag al gelezen?

Have you read today's paper yet?

314

Heeft u de krant van vandaag al gelezen?

Have you read today's paper yet?

315

Heb je de krant van vandaag al gelezen?

Have you read today's paper yet?

316

Hij onderbrak ons gesprek.

He broke in on our conversation.

317

Hij kwam, ondanks het slechte weer.

He came in spite of bad weather.

318

Hij keert vandaag terug uit Sydney.

He comes back from Sydney today.

319

Hij is bang fouten te maken.

He is afraid of making mistakes.

320

Hij is fier, muzikant te zijn.

He is proud of being a musician.

321

Hij kookt graag voor zijn gezin.

He likes to cook for his family.

322

Hij woont ver van mijn huis.

He lives far away from my house.

323

Hij bemerkte een brief op de schrijftafel.

He noticed a letter on the desk.

324

Hij heeft, geloof ik, in Spanje gewoond.

He seems to have lived in Spain.

325

Hij zocht beschutting tegen de regen.

He sought shelter from the rain.

326

Hij was ongeduldig om zijn zoon te zien.

He was impatient to see his son.

327

Haar zoon betekende alles voor haar.

Her son meant everything to her.

328

Proost op een lang en gelukkig leven!

Here's to a long and happy life!

329

Zijn moeder en zus waren ziek.

His mother and sister were sick.

330

Zijn moeder maakt zich zorgen over hem.

His mother is worried about him.

331

Zijn record zal nooit verbroken worden.

His record will never be broken.

332

Hoe lang speel je al voetbal?

How long have you played soccer?

333

Ik ben opgelucht dat je in veiligheid bent.

I am relieved that you are safe.

334

Ik kan niet meer tegen deze pijn.

I cannot bear the pain any more.

335

Ik betrapte hem op het stelen van geld.

I caught him stealing the money.

336

Ik ben gisteren niet naar school gegaan.

I didn't go to school yesterday.

337

Ik weet niet wanneer zij kan komen.

I do not know when she can come.

338

Ik weet niet of ik tijd heb.

I don't know if I have the time.

339

Ik weet niet of ik het nog heb.

I don't know if I still have it.

340

Ik weet niet meer wat ik moet doen.

I don't know what to do anymore.

341

Ik hou niet van de manier waarop ze lacht.

I don't like the way she laughs.

342

Ik spreek niet graag in het openbaar.

I don't like to speak in public.

343

Ik vond dat het plan onverstandig was.

I felt that the plan was unwise.

344

Ik liet mijn zoon de deur repareren.

I got my son to repair the door.

345

Ik liet mijn broer de kamer schoonmaken.

I had my brother clean the room.

346

Ik heb niets meer te doen vandaag.

I have nothing more to do today.

347

Ik wilde gewoon mijn e-mail checken.

I just wanted to check my email.

348

Ik wilde net mijn e-mail gaan controleren.

I just wanted to check my email.

349

Ik moet mijn fiets laten repareren.

I must have my bicycle repaired.

350

Ik heb je brief voorgelezen aan mijn familie.

I read your letter to my family.

351

Ik heb je brief aan mijn familie voorgelezen.

I read your letter to my family.

352

Ik heb haar brief gisteren ontvangen.

I received her letter yesterday.

353

Ik weet nog dat ik hem in Parijs ontmoet heb.

I remember meeting him in Paris.

354

Ik ging zitten en opende mijn laptop.

I sat down and opened my laptop.

355

Ik zag een vogel door de lucht vliegen.

I saw a bird fly across the sky.

356

Ik denk dat hij nooit meer zal terugkomen.

I think he will never come back.

357

Ik begrijp wat je zegt.

I understand what you're saying.

358

Ik werd uit de middelbare school getrapt.

I was kicked out of high school.

359

Ondanks de regen ben ik naar buiten gegaan.

I went out in spite of the rain.

360

Ik zal dit werk op een of andere manier afmaken.

I will finish this work somehow.

361

Ik zal u helpen zoveel ik kan.

I will give you what help I can.

362

Ik zal je de stad laten zien.

I will show you around the city.

363

Ik zal voor de bloemen zorgen.

I will take care of the flowers.

364

Ik ga nog liever dood, dan dat ik opgeef.

I would sooner die than give up.

365

Ik zal zo snel ik kan terugbellen.

I'll call back as soon as I can.

366

Ik zal je missen wanneer je weg bent.

I'll miss you when you are gone.

367

Ik verwacht een brief van haar.

I'm expecting a letter from her.

368

Ik vertrek voor een aantal dagen.

I'm leaving town for a few days.

369

Ik ben geen dokter, maar een leraar.

I'm not a doctor, but a teacher.

370

Ik ben al zijn klachten moe.

I'm tired of all his complaints.

371

Ik ben erg dankbaar voor je hulp.

I'm very grateful for your help.

372

Ik ben erg dankbaar voor uw hulp.

I'm very grateful for your help.

373

Als je er een boeltje van maakt, ruim het op.

If you make a mess, clean it up.

374

Is er hier een McDonald's in de buurt?

Is there a McDonald's near here?

375

Het wordt hoog tijd dat je naar bed gaat.

It is high time you were in bed.

376

Het ziet er veel erger uit dan het is.

It looks a lot worse than it is.

377

Het heeft geen zin om me om geld te vragen.

It's no use asking me for money.

378

Vorige zomer gingen we naar Hokkaido.

Last summer we went to Hokkaido.

379

In oktober beginnen de bladeren te vallen.

Leaves begin to fall in October.

380

Mag ik een paar vragen stellen?

May I ask a couple of questions?

381

Mayuko ontwierp haar eigen kleding.

Mayuko designed her own clothes.

382

Mayuko eet brood voor het ontbijt.

Mayuko eats bread for breakfast.

383

Mama kocht een mooie pop voor mij.

Mom bought a pretty doll for me.

384

Mijn vader is dol op pizza.

My father likes pizza very much.

385

Mijn vader gaat soms naar het buitenland.

My father sometimes goes abroad.

386

Mijn gedacht is niet hetzelfde als dat van u.

My idea is different from yours.

387

Mijn moeder heeft mijn haar te kort geknipt.

My mother cut my hair too short.

388

Mijn natte kleren plakten tegen mijn lichaam.

My wet clothes clung to my body.

389

Ons nieuw hoofdkwartier is in Tokio.

Our new head office is in Tokyo.

390

Straks is onze zus bij ons.

Our sister will be with us soon.

391

Geen foto's nemen alsjeblieft.

Please don't take pictures here.

392

Mag ik alstublieft een glas water?

Please give me a glass of water.

393

Kun je me alsjeblieft een stuk brood geven?

Please give me a piece of bread.

394

Lopen is goed voor je gezondheid.

Running is good for your health.

395

Tot morgen in de bibliotheek.

See you tomorrow at the library.

396

Ze maakte weer dezelfde fout.

She made the same mistake again.

397

Zij moet het gisteren gedaan hebben.

She must have done it yesterday.

398

Ze zong naar hartelust.

She sang to her heart's content.

399

Ze was druk bezig met haar huiswerk.

She was busy doing her homework.

400

Zij zal voor altijd van haar echtgenoot houden.

She'll love her husband forever.

401

Reukzin is een van de vijf zintuigen.

Smell is one of the five senses.

402

Iemand klopt op de deur.

Someone is knocking on the door.

403

Dat jongetje lijkt op zijn vader.

That boy takes after his father.

404

Dat is het jongetje, dat ik gisteren heb gezien.

That is the boy I saw yesterday.

405

Dat klinkt te mooi om waar te zijn.

That sounds too good to be true.

406

De hond viel het jongetje aan.

The dog attacked the little boy.

407

Morgenstond heeft goud in de mond.

The early bird catches the worm.

408

Het nieuw medicijn heeft zijn leven gered.

The new medicine saved his life.

409

Het regenseizoen begint in Juni.

The rainy season begins in June.

410

De aandelenmarkt is erg actief.

The stock market is very active.

411

De vakantie is bijna om.

The vacation is close to an end.

412

Er zijn veel ratten op het schip.

There are many rats on the ship.

413

Er is niets mis met hem.

There is nothing wrong with him.

414

Ze bewapenden zich met geweren.

They armed themselves with guns.

415

Ze hadden elkaar ooit geholpen.

They had once helped each other.

416

Ik zal ook gaan, tenzij het regent.

Unless it rains, I will go, too.

417

We gaan van tijd tot tijd vissen.

We go fishing from time to time.

418

We hopen dat je van de voorstelling zult genieten.

We hope you will enjoy the show.

419

Wat overkwam je gisteren?

What happened to you last night?

420

Wat is de wisselkoers vandaag?

What is the exchange rate today?

421

Hoeveel kost deze radio?

What is the price of this radio?

422

Witte duiven zijn mooie vogels.

White doves are beautiful birds.

423

Waarom hebben jullie de bank rood geschilderd?

Why did you paint the bench red?

424

Waarom heeft u de bank rood geschilderd?

Why did you paint the bench red?

425

Waarom heb je de bank rood geschilderd?

Why did you paint the bench red?

426

Wil je met me dansen?

Would you like to dance with me?

427

Wil je iets eten?

Would you like to eat something?

428

Je kunt me op dit nummer bereiken.

You can reach me at this number.

429

Je moet je gezin beschermen.

You have to protect your family.

430

Jouw probleem lijkt op dat van mij.

Your problem is similar to mine.

431

Er valt bijna een knoop van je bloes af.

Your shirt button is coming off.

432

Bijna alle honden zijn levend.

Almost all of the dogs are alive.

433

Ann heeft een zwak voor chocolade.

Ann has a weakness for chocolate.

434

Vraag hem eens of hij Japans spreekt.

Ask him if he can speak Japanese.

435

Kan ik wat geld van je lenen?

Can I borrow some money from you?

436

Denk je dat dieren een ziel hebben?

Do you think animals have a soul?

437

Laat je niet door schijn bedriegen.

Don't be deceived by appearances.

438

Vergelijk me niet met een filmster.

Don't compare me to a movie star.

439

Onderbreek ons gesprek niet.

Don't interrupt our conversation.

440

Spreek niet met volle mond.

Don't speak with your mouth full.

441

Vind je Engels bijvoorbeeld mooi?

For example, do you like English?

442

Hij kocht veel bloem en olie.

He bought a lot of flour and oil.

443

Hij kwam laat in de avond thuis.

He came home late in the evening.

444

Hij stierf van ouderdom twee jaar geleden.

He died of old age two years ago.

445

Hij weet niet veel over Japan.

He doesn't know much about Japan.

446

Hij verloor de belangstelling voor politiek.

He has lost interest in politics.

447

Hij heeft moeite om namen te onthouden.

He has trouble remembering names.

448

Hij is twee keer zo zwaar als zijn vrouw.

He is twice as heavy as his wife.

449

Hij weet veel over vlinders.

He knows a lot about butterflies.

450

Hij rijdt vaak met zijn vader's auto.

He often drives his father's car.

451

In juli is hij teruggekomen uit Nederland.

He returned from Holland in June.

452

Hij zei dat het negen uur was.

He said that it was nine o'clock.

453

Hij skiet elke winter in Hokkaido.

He skis in Hokkaido every winter.

454

Hij stak zijn mes in de boom.

He stuck his knife into the tree.

455

Hij vertelde me zijn levensverhaal.

He told me the story of his life.

456

Hij zal morgen klaar zijn met de klus.

He'll finish the job by tomorrow.

457

Haar man is een uitstekend kok.

Her husband is an excellent cook.

458

Ik ben geen dokter, maar leraar.

I am not a doctor, but a teacher.

459

Ik probeerde het probleem op te lossen.

I attempted to solve the problem.

460

Ik kocht een fototoestel voor dertig dollar.

I bought a camera for 30 dollars.

461

Ik kon geen contact krijgen met hem.

I couldn't get in touch with him.

462

Ik heb geen oog dichtgedaan voorbije nacht.

I didn't sleep a wink last night.

463

Ik had zin om te gaan wandelen.

I felt like going out for a walk.

464

Ik heb vreemd gedroomd afgelopen nacht.

I had a strange dream last night.

465

Ik moest hem helpen met het huishoudelijk werk.

I had to help with the housework.

466

Ik heb een verlangen om naar Engeland te gaan.

I have a desire to go to England.

467

Ik moet twee keer overstappen.

I have to change buses two times.

468

Ik weet dat je weet dat ik het weet.

I know that you know that I know.

469

Ik heb liever Engels dan muziek.

I like English better than music.

470

Ik heb er spijt van dat ik dat tegen hem heb gezegd.

I regret having said that to him.

471

Ik heb de indruk dat ik haar al ergens ontmoet heb.

I remember meeting her somewhere.

472

Ik sprak met haar via de telefoon.

I talked to her on the telephone.

473

Ik wil wat frisse lucht opsnuiven.

I want to breathe some fresh air.

474

Ik verwachtte je om 11 uur.

I was expecting you at 11:00 a.m.

475

Ik was gedwongen te stoppen met het plan.

I was forced to abandon the plan.

476

Ik dacht net aan een nieuwe baan.

I was just thinking of a new job.

477

Na het avondeten deed ik de afwas.

I washed the dishes after supper.

478

Ik ging daar omdat ik dat wou.

I went there because I wanted to.

479

Ik zal hem er morgen over vragen.

I will ask him about it tomorrow.

480

Ik zal je meer vertellen over Japan.

I will tell you more about Japan.

481

Dat zou ik niet doen als ik jou was.

I wouldn't do that if I were you.

482

Ik heb een liefdesbrief geschreven gisteravond.

I wrote a love letter last night.

483

Ik zou liever een vogel dan een vis zijn.

I'd rather be a bird than a fish.

484

Ik moet mij scheren voor mijn vertrek.

I've got to shave before leaving.

485

Als het de moeite waard is om te doen, doe het dan goed.

If it is worth doing, do it well.

486

B komt na A in het alfabet.

In the alphabet, B comes after A.

487

Is er een bank in de buurt van het station?

Is there a bank near the station?

488

Mogelijk is het morgen goed.

It may possibly be fine tomorrow.

489

Het zal gauw stoppen te regenen.

It will stop raining before long.

490

Dat is niet iets wat iedereen kan doen.

It's not something anyone can do.

491

Het is aan jou om te besluiten wat te doen.

It's up to you decide what to do.

492

Laten we dat probleem later bespreken.

Let's discuss that problem later.

493

Mag ik nog een stuk taart hebben?

May I have another piece of cake?

494

Lieve hemel, wat een enorme doos!

My heavens, what an enormous box!

495

Mijn echtgenoot verdient honderdduizend dollar per jaar.

My husband earns $100,000 a year.

496

Mijn gewrichten doen pijn wanneer het koud wordt.

My joints ache when it gets cold.

497

Mijn moeder is bezig het avondeten te koken.

My mother is busy cooking supper.

498

Wie niet waagt, wie niet wint.

Nothing ventured, nothing gained.

499

Onze honkbalploeg is erg sterk.

Our baseball team is very strong.

500

Onze trein vertrekt om half negen.

Our train leaves at eight-thirty.