L12 : Voorlopige hechtenis Flashcards Preview

Formeel Strafrecht > L12 : Voorlopige hechtenis > Flashcards

Flashcards in L12 : Voorlopige hechtenis Deck (33):
1

Omschrijf Smirnova (EHRM)?

mirnova EHRM: Yelena en Irina Smirnova, een tweeling uit Moskou, worden verdacht van het oplichten van een bank. Hangende het proces worden zij beiden meerdere keren in hechtenis genomen. Yelena wordt vier keer in hechtenis genomen met een totale periode van 4 jaar 3 maanden en 29 dagen. Irina wordt ook vier keer in hechtenis genomen met een totale periode van 1 jaar 6 maanden en 16 dagen.
Was de totale tijd van de hechtenis gerechtvaardigd/redelijk gezien art. lid 3 EVRM en was de herhaling van het steeds weer in hechtenis nemen gerechtvaardigd gezien datzelfde artikel?
Het EHRM oordeelt dat de lengte van de procedure en daarmee ook de hechtenis van de zussen niet als redelijke termijn is aan te merken zoals dat in art. 5 lid 3 EVRM staat. Het Hof stelt dat de redelijkheid van de termijn wordt bepaald aan de hand van alle concrete omstandigheden van het geval. Het Hof beoordeelt alleen de termijn van de procedures die valt binnen de datum vanaf wanneer het EVRM in het desbetreffende land van kracht is geworden. En daarbij wordt in
overweging genomen de complexiteit van de zaak, het gedrag/de houding van de verdachten en het gedrag/de houding van de autoriteiten.
Het Hof oordeelt hier dat de aanklacht in de zaak niet bijzonder complex was en dat het onderzoek hierin dus niet jaren had hoeven duren. Ook zegt het Hof dat de verdachten in het proces geen geheel bereidvaardige houding hebben aangenomen, dit volgt vooral uit het feit dat zij meerdere keren niet zijn komen opdagen.
En de houding van de autoriteiten beoordelend zegt het Hof dat er duidelijke periodes zijn aan te wijzen van inactiviteit die niet te rechtvaardigen zijn. En het onvoldoende toelichten van het in hechtenis nemen en het weer vrijlaten van de verdachten heeft ertoe geleid dat er bij de verdachten een gevoel van onduidelijkheid en wantrouw is ontstaan bij de verdachten wat er indirect voor gezorgd heeft dat de verdachten niet meer kwamen opdagen.
Ook geeft het EHRM een duidelijk overzicht van de redenen om een verdachte niet op borgtocht vrij te laten. Hiervoor zijn 4 redenen aan te wijzen zegt het Hof:
1. Het risico dat de verdachte niet komt opdagen bij de rechtszaak
2. Het risico dat de verdachte , als hij op borgtocht vrij gaat, het OM probeert te beïnvloeden 3. Het risico dat hij andere strafbare feiten pleegt
4. Het risico dat hij de maatschappelijke orde in gevaar brengt
Het volstaat hierbij niet om alleen feiten die de voorlopige hechtenis rechtvaardigen aan te stippen. Er moet juist worden beargumenteerd welke feitelijke en persoonlijke omstandigheden zich concreet verzetten tegen een borgtocht.
In deze uitspraak worden op een overzichtelijke manier de gronden duidelijk gemaakt waarop de redelijke termijn van een proces wordt beoordeelt. En daarnaast staan nog eens de redenen voor een weigering van borgtocht op een heldere manier beschreven. Het is van belang omdat het gezien kan worden als samenvatting van een aantal belangrijke arresten die de voorlopige hechtenis bespreken.

2

Wat is de regel van het EHRM?

Invrijheidsstelling regel en detentie uitzondering.

Herhaalde vrijheidsbeneming kan een schending opleveren van art 5 lid 1 & 3 EVRM.

3

Hoe worden de voorwaarden voor voorlopige hechtenis onderscheiden?

De voorwaarden voor voorlopige hechtenis worden onderscheiden ingevallen en gronden. 

Gevallen; art 67 lid 1&2 Sv

Gronden: art 67a lid 1&2 Sv

De rechter dient bij de oplegging van de voorlopige hechtenis te anticiperen op de verwachte straf (art 67a lid 3 Sv)

4

Noem gevallen van voorlopige hechtenis?

Gevallen worden genoemd in 67 Sv 1e en 2e lid:
• -  Misdrijven waarop een gevangenisstraf van minstens vier jaar is gesteld (1e lid)
• -  Personen zonder vaste woon- en verblijfplaats (2e lid), om te voorkomen dat de verdachte zich aan de
berechting en de tenuitvoerlegging van een eventuele vrijheidsstraf onttrekt; denk bijv. aan
buitenlanders, toeristen.

5

Noem gronden van voorlopige hechtenis?

De gronden voor voorlopige hechtenis staan vermeld in 67a Sv:
o -  Ernstig gevaar voor vlucht (1e lid)
o -  Gewichtige reden van maatschappelijke veiligheid (2e lid). 

6

Wat is de status van ' ernstige bezwaren"?

Ernstige bezwaren
‘Ernstige bezwaren’ (67 3e lid) is noch een geval noch een grond voor voorlopige hechtenis
maar een extra voorwaarde naast het vereiste geval en de vereiste grond; voorlopige hechtenis is alleen mogelijk bij een vrij sterke verdenking dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan een in lid 1 of lid 2 vermeld strafbaar feit. Overigens zijn ernstige bezwaren niet vereist voor een bevel tot bewaring bij verdenking van een terroristisch misdrijf (art. 67, vierde lid, Sv). 

7

Omschrijf de eis mbt inverzekeringstelling ex art 58 lid 1 Sv?

Voor inverzekeringstelling (58 Sv) geldt daarentegen dat ernstige bezwaren niet zijn vereist, aangezien in dat artikel slechts sprake is van “een strafbaar feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten” en niet van ernstige bezwaren!

8

Zijn ernsitge bezwaren veriest vooreen bevel tot bewaring bij verdenking van een terroristisch misdrijf, art 67 lid 4 Sv?

Nee

9

Omschrijf het verschil tussen voorlopige hechtenis en inverzkeringstelling vanuit het vereiste van ernstige bezwaren?

In vele gevallen is er geen verschil tussen inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis. De gronden voor voorlopige hechtenis zijn echter in sommige gevallen:
• Enger: onder belang van onderzoek (57 lid 1 Sv) is mede begrepen het onderzoek naar eventuele gronden voor toepassing van voorlopige hechtenis
• Ruimer: gewichtige redenen van maatschappelijke veiligheid spelen een rol (67a Sv) 

10

Invoegen opgave 12.1 p213

11

Invoegen opgave 12.2 p 213

12

Kan de inverzekeringstelling nog voortduren nadat de R-C een vordering tot inbewaringstelling heeft afgewezen? 

De wet heeft dit niet expliciet geregeld.
Hert volgende geldt:
• De inverzekeringstelling kan niet voortduren als de vordering is afgewezen omdat er geen sprake is
van een strafbaar feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, of de R-C het gevaar voor collusie
niet aanwezig acht
• De inverzekeringstelling kan mogelijk worden verlengd, afhankelijk van de gevallen en de gronden
voor die aan de orde zijn. Bijvoorbeeld: indien wel aan alle voorwaarden voor een bevel tot voorlopige hechtenis is voldaan, maar de rechter-commissaris op grond van de omstandigheden van het geval meent dat een bevel tot inbewaringstelling niet wenselijk is, lijkt dit niet aan het voortduren van de inverzekeringstelling in de weg te staan. 

13

Kan de rechtbank op enig ander moment dan bij de beslissing omtrent gevangenhouding de rechtmatigheid van de bewaring komen te beoordelen?

De rechtbank kan over de rechtmatigheid van de bewaring oordelen in het kader van de beslissing over een verzoek van de verdachte tot opheffing van de bewaring.

14

Wat is de procedure omtrent voorlopige hechtenis en verdere vervolging?

Als de officier van justitie een vordering tot inbewaringstelling doet, heeft hij vervolging geïndiceerd geacht (vgl. art. 167 Sv). De vervolging kan dus beginnen met de inbewaringstelling. De verdachte tegen wie een vervolging is aangevangen moet tijdig worden ingelicht of de OvJ de zaak wil doorzetten.
Binnen twee maanden (244 Sv) nadat de beschikking tot sluiting van het GVO onherroepelijk is geworden – het GVO is dus helemaal afgerond – moet de OvJ aan de verdachte laten weten wat hij doet:
• niet verder vervolgen
• dagvaarden
• mededelen verdere vervolging 

15

Wat zijn de middelen van een verdachte tegen kennisgeving van verder vervolging en tegen de dagvaarding?

Hij kan een bezwaarschrift indienen

16

Wat zijn de gevolgen van kennisgeving van niet verdere vervolging?

Door een kennisgeving van niet verdere vervolging eindigt de zaak; de voorlopige hechtenis wordt van rechtswege beëindigd (70 Sv), tenzij er sprake is van relatieve onbevoegdheid van de rechtbank (70 lid 2 Sv). Alleen bij nieuwe bezwaren kan er opnieuw worden vervolgd (255 Sv). 

17

Wat zijn de gevolgen van verzuim termijn door de OvJ?

Zijn er mogelijkheden voor herstel?

Als geen GVO heeft plaatsgehad maar alleen voorlopige hechtenis is toegepast, dan zal de OvJ niet vaak in verzuim zijn. ‘Zodra de zaak tot klaarheid is gebracht’ is een erg rekbaar begrip. Maar in veel gevallen waarin voorlopige hechtenis is gevorderd vindt ook een GVO plaats. De twee maanden termijn (244 lid 1 Sv) wordt in zo’n geval wel eens overschreden. De OvJ moet dan niet-ontvankelijk worden verklaard (349 Sv). Dit kan wel worden hersteld: op grond van 255 lid 4 Sv kan de OvJ de rechtbank vorderen een nieuwe termijn te stellen (‘omdat het algemeen belang dit dringendeist (HR)’); het verzuim leidt dan niet tot buitenvervolgingstelling van verdachte. 

18

Wat is de duur van de voorlopige hechtenis?

Maximale termijn van de voorlopige hechtenis, tot aan de zitting, bedraagt 104 dagen ( 14 dagen bewaring + 90 dagen gevenagenhouding).

Een uitzondering is als de rechtbank o.g.v. de bezwaarschriftprocedure van 250 of 262 Sv, de aanvang van het onderzoek op de terechtzitting heeft uitgesteld (68 lid 2 Sv). 

19

Wat zijn de consequenties van de 104 dagen termijn voor op tijd dagvaarden?

De 104 dagen termijn heeft als consequentie dat dagvaarding voor de meervoudige kamer (dagvaardingstermijn 10 dagen) uiterlijk op de 94ste dag aan de verdachte moet worden betekend (zie art. 586 en art. 588, eerste lid, aanhef, en onder a, Sv).

20

Wat als de OvJ te laat is mbt de 104 dagen termijn?

Wat als de OvJ te laat is en op dag 100 wil dagvaarden? Drie dagen zouden genoeg zijn voor een zaak voor de politierechter. De OvJ mag echter de zaak niet voor de politierechter aanhangig maken om vervolgens tijdens die terechtzitting verwijzing naar de meervoudige kamer vorderen (arrest Misbruik dagvaardingstermijn, HR 1982). Dit zou een schending inhouden van het beginsel van zuiverheid van oogmerk.
Aan de voorlopige hechtenis komt dan na 104 dagen een einde door expiratie van het bevel tot verlenging van de gevangenhouding. 

21

Wat als de OvJ binnend de termijn van 104 dagen onvoldoende inzicht heeft om een tll op te leggen die voldoet aan de eisen?

Als de OvJ binnen de termijn van 104 dagen onvoldoende inzicht heeft om een tenlastelegging op te stellen, die voldoet aan de strenge eisen van 261 1e en 2e lid Sv kan hij volstaan met een summiere tenlastelegging, nl. met de feitenomschrijving in het laatste bevel tot verlenging van de gevangenhouding (261 lid 3 Sv). Uiteindelijk moet deze summiere tenlastelegging (o.g.v. 314a Sv) wel in overeenstemming worden gebracht met de eisen van 261 Sv (feit, tijd, plaats, wettelijke voorschriften en omstandigheden). Voor deze aanpassing van de tenlastelegging geldt niet de beperking dat zij hetzelfde feit (in de zin van 68 Sr) moet betreffen. 

22

Wat is de procedure mbt het in overeenstemming brengen van de tll met de vereisten van art 261 lid 1 & 2?

- wettelijk via requisitoir OvJ

- maar ligt voor de handdat dit geschiedt bij het begin van de zaak zelf

- Om verdachte de gelegenheid te geven om zijn verdediging op de ' nieuwe' situatie af te stemmen moet, behoudens toestemming van de verdachte, het onderzoek ter terechtzitting worden geschorst.

Voor aanpassing van de tll geldt niet de beperking dat zij hetzelfde feit in de zin van art 68 Sr moet betreffen. Die beperking geldt wel voor een 'gewone' wijziging van de tll ogv art 313 Sv.

23

Wat is de consequentie als de summiere tll niet overeenstemt met de feitenomschrijving in het bevel tot gevangenhouding?

HR: Als de summiere tenlastelegging niet overeenstemt met de feitenomschrijving in het bevel tot gevangenhouding, dan is 314a Sv niet van toepassing en is wijziging van de tenlastelegging alleen mogelijk volgens 313 en 314 Sv.

Bij een ruime feitenomschrijving zal dat niet veel problemen geven, maar bv een verschillend jaartal wel.

24

Wat zijn de beperkingen tav de aanpassing van de tll ogv art 314a Sv?

De vordering van de OvJ is alleen toelaatbaar als zij min of meer logisch voortvloeit uit het onderzoek na het uitbrengen van de summiere tenlastelegging.
Tot aan de einduitspraak in eerste aanleg

(Wetsgeschiedenis) 

25

Denkt U dat toepassing van art 282 lid 4 Sv altijd vergezeld zal gaan van een summiere dagvaarding? Waarom (niet)?

Art 282 lid 4 Sv kan ook om andere redenen worden toegepast dan omdat het voorbereidend onderzoek nog niet is voltooid, bv een psychiatrisch onderzoek of verhindering van een getuige om op de (eerste) zittingsdag te verschijnen. In dergelijke gevallen kan de OvJ een tll opstellen, die voldoet aan de eisen van art 261 lid 1&2 Sv

26

Zijn er beperkingen gesteld aan de mogelijkheid van aanhouding van de zaak, als de verdachte zich in vorlopige hechtenis bevindt?

Het onderzoek ter terechtzitting kan voor bepaalde en onbepaalde tijd worden geschorst. De redenen dienen te worden vermeld in het PV. De wet stelt geen beperkingen aan het aantal malen dat het onderzoek kan worden geschorst. Wel zijn er voorschriften wanneer de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt (282 Sv):
Dit om rechterlijk toezicht mogelijk te houden.

In principe mag het onderzoek voor niet meer dan een maand worden geschorst.

Hiervan kan de Rb afwijken, maar:

- klemmende reden, die vermeld wordt in pv

- in geen geval langer dan 3 maanden

 

Verzuimen van deze voorschriften leidt NIET tot nietigheid van het onderzoek op de terechtzitting, maar hebben tot gevolg dat de verdachte na ommekomst van 30 dagen na de schorsing in vrijheid moet worden gesteld.

 

27

Wat is de situatie mbt voorlopige hechtenis na het instellen van een rechtsmiddel tegen de einduitspraak?

Artikel 66, tweede lid, Sv bepaalt dat het bevel tot voorlopige hechtenis van kracht blijft tot zestig dagen na einduitspraak. Indien de verdachte tegen een einduitspraak waarbij een vrijheidsbenemende straf is opgelegd, in beroep gaat, zal de raadkamer van het gerechtshof uiterlijk op de zestigste dag op vordering van het OM het bevel dienen te verlengen indien noodzakelijk wordt geacht dat de verdachte in voorlopige hechtenis blijft. De geldigheid mag twee mal worden verlengd, maar mag de duur van 90 dagen niet te boven gaan.
• Het Hof moet het bevel tot voorlopige hechtenis opheffen m.i.v. het tijdstip waarop de duur hiervan gelijk wordt aan de duur van de opgelegde straf (75 lid 6 Sv).
• De verdachte kan een verzoek doen tot opheffing van de voorlopige hechtenis.
schorsing langer dan een maand is dan in de regel niet toegestaan.

28

Moeten gebreken die aan de inverzekeringstelling kleven leiden tot afwijzing van de vordering tot inbewaringstelling?

Nee, de wet/jurisprudentie dwingt daar iet toe; er mag wel rekening mee gehouden worden 

Keulen/Knigge: gebreken in de inverzkeringstelling vormen geen zelfstandige grond om de vordering tot bewaring af te wijzen.

29

Is een bevel tot gevangenneming alleen mogelijk tijdens het onderzoek op de terechtzitting?

Nee, zie bv art 75 Sv

30

Welke uitzondering bestaat op de regel adt de duur van de voorlopige hechtenis voor de aanvang van het onderzoek op de terechtzitting niet langer mag zijn dan 104 dagen?

In het geval van terroristische misdrijven (art 66 lid 3 Sv)

31

Welk rechtsgevolg heeft het ontbreken in het proces verbaal van de vermelding van klemmende redenen als bedoeld in art 282 Sv?

Gevolg is dat de verdachte na ommekomst van 30 dagen in vrijheid moet worden gesteld

32

Waarom heeft het Smirnova arrest gevolgen voor de nederlandse praktijk van toepassing van voorlopige hechtenis, dwz waar zal de rechter zich bij beslissingen over voorlopige hechtenis op moeten focussen?

Omdat zoveel mogelijk naar alternatieven van voorlopige hechtenis moet worden gekeken, zal de rechter serieuzer dan tot dan toe moeten reageren op verzoeken om schorsing dan wel opheffing van de voorlopige hechtenis, indien concrete alternatieven worden aangedragen (d.w.z. de beschikking beter moet formuleren)

Meer in het algemeen zal meer moeten worden gefocust op de vraag welke grond zich tegen vrijlating verzet: niet langer voldoende is, zoals voorheen, het zich richten op de vraag welke grond de vrijheidsbeneming rechtvaardigt.

33

Smirnova: wat betekent dit voor gevallen waarin voorlopige hechtenis wordt gevorderd op de in art 67a lid 1 sub b jo lid 2, sub 1 vermelde grond?

Betreffende grond van de geschokte rechtsorde en de in het tweede lid , sub 1 van art 67a Sv genoemde twaalfjaartermijn geldt at niet meer kan worden volstaan met het verwijzen naar de 12-jaarsgrond, doch zullen concrete feiten moeten worden aangegeven waaruit de geschokte rechtsorde blijkt.