AD Woordenlijst 1 Flashcards Preview

Frans WL cursus + boek > AD Woordenlijst 1 > Flashcards

Flashcards in AD Woordenlijst 1 Deck (200):
1

aan beide kanten

à cheval

2

met tegenzin

à contrecœur

3

wel iets anders te doen

a d’autres chats à fouetter

4

ten opzichte van

à l’endroit de

5

buiten mijn weten

à mon insu

6

behalve

à part

7

nauwelijks

à peine

8

met moeite

à peine

9

herhaaldelijke

à plusieurs reprises

10

naar aanleiding van

à propos de

11

als, bij wijze van

à titre d’

12

laten zakken

abaisser

13

verbijsteren

abasourdir

14

abnormaal

aberrante

15

kloof, afgrond

abîme (m)

16

slagen, uitkomen op

aboutir

17

onder een dak brengen

abritait abriter

18

verpletterend, overstelpend

accablante

19

aanval

accès (m)

20

ontvangen

acceuillir

21

verslaafd

accro

22

ophangen, vastmaken

accrocher

23

gastvrij

accueillant

24

instemmen, toestemmen

acquiescer

25

verwerven

acquir

26

aanhanger

adepte

27

samenhang

adhérence (v)

28

medewerker

adjoint (m)

29

verzachten

adoucir

30

behendig, handig

adroite

31

verzwakken

affaiblir

32

uitgehongerd

affamé

33

verdriet doen, lijden

affliger

34

belachelijk kleden

affubler

35

geslepen

affûtée

36

irritante

agaçante

37

geërgerd, geïrriteerd

agacé

38

ergeren, irriteren

agacer

39

lam

agneau (m)

40

scherp

aigu m, aiguë (v)

41

vleugel

aile (v)

42

magneet

aimant (m)

43

(even)als, in hoedanigheid van

ainsi que

44

dus

ainsi

45

schouder

aisselle (v)

46

toevoegen

ajouter

47

onzekerheid, toeval

aléa (m)

48

rondom

alentour

49

omgeving

alentours

50

uitstrekken

allonger

51

terwijl

alors que

52

inrichten, aanleggen

aménager

53

bitterheid, verbittering

amertume (m)

54

peertje (lamp)

ampoule (v)

55

vernietigen

anéantir

56

goedaardig, onschuldig

anodin

57

tot rust brengen

apaiser

58

gewichtloosheid

apesanteur

59

bang maken

apeurer

60

zelfvertrouwen

aplomb (m)

61

verschijnen, zichtbaar worden

apparaître

62

aanbrengen

apposer

63

goedkeurend

approbatif

64

naderbij brengen

approcher

65

drukken

appuyer

66

dragen , tonen

arboraient

67

boog

arc

68

regenboog?

arc-en-ciel

69

vurig

ardente

70

ijver

ardeur (m)

71

grijs, zilver

argentées

72

ijsberen

arpenter

73

losrukken

arracher

74

achter

arrière

75

vervelende nasmaak

arrière-goût (m)

76

uitspreken

articuler

77

overwicht, invloed

ascendant (m)

78

doodslaan

assommer

79

slaap

assoupi

80

oppoetsen

astiquer

81

geslepen, handig

astucieux

82

krachteloos, futloos

atone

83

troef

atout (m)

84

gruwelijk

atroce

85

landen

atterir

86

verbijsteren

atterrer

87

landing

atterrissage (m)

88

toerusting

attirail (m)

89

oploop, samenscholing

attroupement m

90

aan andere kant / eind

au bout de

91

brandstapel

au bûcher

92

op de hoek

au coin

93

overigens, trouwens

au demeurant

94

in de verte

au loin

95

in het midden van

au milieu de

96

in kader van, binnen

au sein du

97

aan de top

au sommet

98

dageraad

aube (v)

99

voorstad

aubourgs (m)

100

durf

audace (m)

101

dapper

audacieux

102

andere kant, voorbij

au-delà

103

voorteken

augure (m)

104

tevoren, eerder

auparavant

105

bij, naast

auprès de

106

dadelijk, direct

aussitôt

107

voor zover

autant que

108

altaar

autel (m)

109

verbranding

autodafé

110

vroeger

autrefois

111

in de omtrek

aux abords

112

inslikken

avaler

113

stortbui

averse (v)

114

bekentenis

aveu (m)

115

gretig

avide

116

te doen hebben met

avoir affaire à

117

moeite hebben

avoir peine

118

bekennen

avouer

119

nieuwsgierigen

badauds

120

ring

bague (v)

121

gaap

bâillement (m)

122

vertrek rondkijken

balayer la pièce du regard

123

stotteren, stamelen

balbutia balbutir

124

markeren, uitzetten

baliser

125

noemen, dopen

baptiser

126

staaf, sport (ladder)

barreau (m)

127

omslaan , omkiepen

basculer

128

gebouw

bâtiment (m)

129

wijd open

béant

130

vee

bétail (m)

131

hinde

biche yeux de biche

132

dingetje, iets, prulletje

bidule m

133

liefdadigheid

bienfaisance (v)

134

welwillend-/ vriendelijkheid

bienveillance

135

roodbruin

bistre

136

vaal, bleek

blafard

137

witheid, blankheid

blancheur

138

wapenschild

blason (m)

139

doodsbleek worden

blêmir

140

wond, blessure

blessure

141

blauwachtig

bleuâtre

142

pantser(wagen)

blindé

143

papieren bloes

blouse de papier

144

houtwerk, lambrizering

boiseries

145

opspringen

bondir

146

bosje

bosquets (m)

147

bult

bosse (v)

148

met open mond

bouche bée

149

toegespen

boucler

150

worstvormig

boudiné

151

bewegen

bouger

152

kaars

bougie (v)

153

schokkend, onroerend

bouleversant

154

dikkerdje

boulot (m)

155

(oud boek)

bouquin (m)

156

beul

bourreau

157

vetplooi

bourrelet (m)

158

beurs

bourse (v)

159

verwoesten

bousiller

160

knop

bouton (m)

161

mijnschacht

boyau (m)

162

zwaaien met

brandir

163

wankel

branlant

164

stamelen

bredouiller

165

rijtje

brochette (v)

166

tegensputteren

broncher

167

geroezemoes

brouhaha (m)

168

troebel worden

brouiller

169

motregen

bruine (v)

170

geruis

bruissement (m)

171

mist

brume (v)

172

naakt onbewerkt

brut

173

luidruchtig, rumoerig

bruyante

174

mond

buccales

175

wasem, damp

buée (v)

176

doel

but (m)

177

steunen

buter

178

buit

butin (m)

179

zo is het dus dat

c’est ainsi qu’était

180

schuurtje

cabanons

181

verbergen

cacher

182

met een hangslot

cadenasser

183

wijzerplaat

cadran (m)

184

het beeld instellen op

cadrer

185

cameraman

cadreur (m)

186

hok

cagibi (m)

187

ruim van een schip

cale (v)

188

steunen, vastzetten

caler

189

miskelk

calice (m)

190

met penneveer geschreven

calligraphiée à la plume

191

kanon

canon m

192

grap, verzinsel

canular (m)

193

gril, bevlieging

caprice (m)

194

opvangen

capter

195

schild

carapace (v)

196

motorbrandstof

carburant m

197

aantekenboekje

carnet (m)

198

bak

casier (m)

199

dokken

casquer

200

nachtmerrie

cauchemar m