Woordenlijst Jusqu au dernier 1 - Sheet1 Flashcards Preview

Frans WL cursus + boek > Woordenlijst Jusqu au dernier 1 - Sheet1 > Flashcards

Flashcards in Woordenlijst Jusqu au dernier 1 - Sheet1 Deck (199):
1

á l’écart

terzijde, apart, afgelegen

2

a la hâte

inderhaast

3

à tâtons

op de tast

4

abeille v

honingbij

5

abîmer

beschadigen

6

aboyer

blaffen

7

abrutir

afstompen

8

achever

afmaken, afwerken

9

acompte m

voorschot, aanbetaling

10

adoucir

zachter maken

11

affaler

neervallen

12

affluber

belachelijk kleden

13

affolé

radeloos

14

affoler

radeloos maken

15

agacement m

ergernis

16

agacer

ergeren, irriteren

17

agneau m

lam

18

aiselle v

oksel

19

ajouter

toevoegen

20

alentour

rondom

21

alerte v

signaal, alarm

22

allumette v

lucifer

23

allusion v

toespeling

24

amadouer

paaien, iemand voor zich winnen

25

améliorer

verbeteren

26

amocher

toetakelen

27

ample

wijd

28

anéantir

vernietigen, hevig ontstellen

29

angoisse v

angst

30

anneau m

ring

31

anodin

onbeduidend, goedaardig

32

anodine

goedaardig, onbeduidend

33

apparition v

verschijning

34

apprener

leren

35

ardent v

hitte, gloed, ijver

36

arnaque v

oplichterij

37

arpenter

ijsberen in

38

arracher

uittrekken

39

arrossoir m

gieter

40

asiance v

welstand

41

asperger

besprenkelen

42

aspirateur m

stofzuiger

43

assaillir

aanvallen, lastig vallen

44

assommer

doodslaan

45

astuce v

grap

46

attabler

aan tafel zitten

47

attarder

blijven hangen

48

atterrir

landen op

49

attiser

ophitsen

50

attraper

vangen

51

attroupement m

oploop, samenscholing

52

au moins

tenminste, minstens

53

au travers

er doorheen

54

aube v

dageraad

55

au-delà

verder

56

au-dessus

erboven

57

auprès de

bij, naast

58

aussie bien

bovendien

59

aussitôt que

zodra

60

aussitôt

dadelijk

61

avaler

inslikken, opeten

62

avantage m

voordeel

63

avant-bras

onderarm

64

aveler de travers

zich verslkikken

65

avenir m

toekomst

66

aveuglante

verblindend

67

aveugle

blind

68

avide de

belust op

69

avis m

mening

70

avouer

bekennen

71

badaud m

nieuwsgierige

72

bafouiller

hakkelen, stamelen

73

bagarre v

opstootje, rel

74

bagnole m

auto

75

bague v

ring

76

baie v

venster- , deuropening

77

baigner

gedompeld zijn in

78

baiser m

kusje

79

baissé

verminderd, verlaagd

80

baladeur m

walkman

81

balafrer

een houw toebrengen

82

balai m

bezem

83

bande v

groep

84

barbouiller

bekladden

85

barrer

doorkruisen

86

bavarder

kletsen

87

bêche v

spa, schep

88

bégayer

stamelen, stotteren

89

bercer

wiegelen, schommlen

90

bêtise v

stommiteit, domheid

91

blafard

bleek

92

blague v

grap

93

blouson m

jack

94

boiter

hinken

95

bond m

sprong

96

bondé

propvol

97

botte v

laars

98

bouche v

mond

99

boucher

afsluiten

100

boucle v

oorbel

101

boudeur

stuurs

102

boueux

modderig

103

bouger

bewegen

104

bougie v

kaars

105

boule v

bol

106

bouleversé

geschokt, ondersteboven

107

bourdonner

gonzen, brommen

108

branlant

waggelend

109

braquer

een overval plegen op

110

brédouiller

stamelen

111

bricoler

knutselen

112

brin m

halmpje

113

briser

breken (raam)

114

broncher

zich roeren

115

brûler

in brand staan

116

brume v

mist

117

buisson m

bosje

118

but m

doel

119

cacahuete v

pinda

120

cambriolage m

inbraak

121

camomille

kamille

122

canif m

zakmes

123

cannette v

beugelfles

124

carrure v

kaliber

125

casque m

helm

126

cauchemar m

nachtmerrie

127

céder

toegeven, overgeven

128

cendrier m

asbakje

129

censé

geacht

130

cependant

echter

131

cependant

echter, evenwel

132

cerf-volant m

vlieger

133

cert m

hert

134

cervelle v

hersensubstantie

135

chair v

vlees

136

chaleur v

warmte

137

champ de vision m

gezichtsveld

138

chandail m

trui

139

chantier m

werkplaats

140

chauve

kaal

141

cheville v

enkel

142

chiant

stomvervelend

143

choc m

schok

144

choper

gappen, pakken, oplopen

145

chuchotter

fluisteren

146

chute v

val

147

cicatrice v

litteken

148

cil m

ooghaar

149

ciller

knipperen

150

cinglé

getikt

151

cinoche m

bioscoop

152

ciré

geboend

153

cire

was

154

cligner

knipperen , knipogen

155

clin d’oeil m

oogwenk

156

cloison v

tussenschot

157

clos

gesloten

158

clôture v

omheining

159

cocher

aankruisen

160

cogner

slaan, bonzen

161

coincer

grijpen

162

collant m

panty

163

coller

vastplakken, kleven

164

colline v

heuvel

165

colocataire

medehuurder

166

colporter

rondvertellen

167

combiné m

telefoonhoorn

168

commettre

begaan, plegen

169

comportement m

gedrag

170

comporter

gedragen

171

comptoir m

toonbank

172

concerter

overleggen

173

concordance v

overeenstemming

174

connerie v

stommiteit, onzin

175

contempler

beschouwen

176

contenu m

inhoud

177

conteur m

verteller

178

contourner

omzeilen

179

contrit

berouwvol

180

convernir

schikken, passen

181

convoquer

oproepen

182

corser

aanzetten, sterker maken

183

costaud

potig (van man)

184

cotiser

bijdragen aan

185

côtoyer

in aanraking komen, dichtbij komen

186

cou m

hals, nek

187

coude m

elleboog

188

couette v

dekbed

189

couler

verdrinken

190

couloir m

gang

191

coupable

schuldig

192

couper

snijden

193

courbe v

kromming

194

coursier m

loopjongen, koerier

195

coussin m

kussen

196

couteau m

mes

197

coûteaux

kostbaar

198

couvercle m

deksel, klep

199

couverture v

deken