WL Histoire de la guerre froide 05 Flashcards Preview

Frans WL cursus + boek > WL Histoire de la guerre froide 05 > Flashcards

Flashcards in WL Histoire de la guerre froide 05 Deck (216):
1

s’assoupir

indommelen [ sussen, kalmeren | doen insluimeren]

2

s’assouplir

soepel worden [~maken]

3

s’atteler

zich inspannen [ inspannen, koppelen]

4

s’ébranler

in beweging komen [ schudden, doen bewegen]

5

s’effriter

afbrokkelen, verweren

6

s’égailler

zich verspreiden

7

s’emparer

overmeesteren, zich meester maken van

8

s’empêcher

zich ervan weerhouden, nalaten [ verhinderen ]

9

s’enferrer

verstrikt raken [ tegenstander doorboren]

10

s’engluer

vastlopen [lijmen]

11

s’enhardir

lef hebben [aanmoedigen]

12

s’entendre

gehoord worden | het met elkaar kunnen vinden [ horen, opvatten, begrijpen]

13

s’entredéchirer

elkaar verscheuren

14

s’envenimer

verslechteren [infecteren, verergeren]

15

s’ériger

zich opwerpen tot, zich voordoen als [ oprichten]

16

s’esquisser

zich aftekenen [ schetsen | in hoofdlijnen aangeven | even doen/maken

17

s’étirer

zich uitrekken [uitrekken]

18

s’évertuer

zich uitsloven

19

s’illustrer

zich onderscheiden [ illustreren | toelichten ]

20

s’infléchir

(door)buigen, van richting veranderen, afwijken [ buigen ]

21

saborder

in de grond boren, opheffen (figuurlijk)

22

saisissant

verassend, boeiend, aangrijpend

23

sans ambages

zonder omwegen

24

saper

ondergraven, ~mijnen

25

saugrenu

ongerijmd, buitenissig

26

sceller

bezegelen, bevestigen

27

scission f

splitsing

28

se borner

zich beperken

29

se cantonner à

zich beperken tot [ beperken | legeren, inkwartieren ]

30

se concerter

overleggen [ met elkaar afspreken, overleggen]

31

se confier

iemand in vertrouwen nemen [toevertrouwen]

32

se conjuguer

vervoegen [verenigen]

33

se contraindre

zich inhouden [dwingen tot, bedwingen]

34

se cramponner

zich vastklampen

35

se déchaîner

losbarsten, razen

36

se dégarnir

kaal / leeg / dunner / verlaten worden [ leeghalen]

37

se déjuger

op een besluit terugkomen, van mening veranderen

38

se dessaisir de

afstand doen van, ontdoen van [ontnemen]

39

se douter

vermoeden [betwijfelen]

40

se farder

zich opmaken[opmaken]

41

se gaver

zich volstoppen met [ vetmesten]

42

se glacer

bevriezen [doen ~]

43

se laïciser

zich losmaken van kerkelijke binding [ deconfessionaliseren]

44

se lézarder

scheuren, barsten [doen ~]

45

se porter

garant de instaan voor

46

se prémunir

zich beveiligen tegen [ beschermen ]

47

se récuser

zich onbevoegd verklaren [weigeren, verwerpen]

48

se réviser

zich bedenken

49

se scinder

uiteenvallen [ splitsen ]

50

se suffire

kunnen rondkomen, niemand nodig hebben [ voldoende zijn ]

51

se targuer

er prat op gaan

52

séance f

zitting | voorstelling

53

séance tenante

onmiddellijk

54

sein m

borst

55

sein: au sein de

in het kader van, binnen

56

semonce f

berisping, waarschuwing

57

septentrional

noordelijk

58

séquestre m

inbeslagneming

59

sérail m

besloten kringetje, elite

60

sévices m

mishandeling

61

sine die

voor onbepaalde tijd

62

sirène f

zeemeermin, verleidelijk wezen

63

sitôt après

onmiddellijk

64

sitôt

reeds, vanaf, terstond na | zodra

65

soit

hetzij, gegeven, gesteld

66

soit … soit …

of … of …

67

soit l’un, soit l’autre

of het een of het ander

68

soudé

gelast, samengegroeid, hecht

69

soupape de sûreté

veiligheidsklepje

70

soupape f

ventiel

71

sourdine f

demper (muziek)

72

soute f

laadruim

73

station balnéaire f

badplaats

74

subcarpathique

aan voet v/d Karpaten

75

subir

verdragen, ondergaan, verduren | dulden

76

subsister

voortbestaan

77

suppléant [m]

waarnemend, plaatsvervangend [~vervanger]

78

suppléer (à)

compenseren, vervangen, bijpassen

79

supplier

smeken

80

sur ces entrefaites

op dat moment, toen, inmiddels, intussen

81

surabondant

overbodig

82

surcroit m

overmaat

83

surcroit : par/de surcroit

bovendien

84

surprenant

verrassend

85

surseoir à

uitstellen

86

survoltée

verhit, onder hoge druk

87

tant parce que… pour que…

zowel omdat … als …

88

tant que

zozeer dat

89

tapageur

lawaaierig, in het oog springend

90

tardif

verlaat, laat

91

taudis m

krot

92

téméraire

overmoedig, onbezonnen

93

ténacité f

hardnekkigheid

94

tendance f

tendens, strekking, richting | neiging

95

tenir à l’écart

ergens buiten houden

96

tenue f

het houden

97

tergiversation f

gedraai, getalm

98

thuriféraire m

vleier

99

tonus m

energie, pit

100

toper / topez là!

akkoord gaan / akkoord!

101

tournure f

wending, verloop

102

traîner / vouer aux gémonies

iemand aan schandpaal nagelen | iets totaal afkraken

103

traverser

oversteken

104

tréfonds m

diepste innerlijk

105

vaillance f

moed

106

velléité f

willekeur

107

vilipender

beschimpen

108

vivoter

kwijnend bestaan leiden

109

indommelen [ sussen, kalmeren | doen insluimeren]

s’assoupir

110

soepel worden [~maken]

s’assouplir

111

zich inspannen [ inspannen, koppelen]

s’atteler

112

in beweging komen [ schudden, doen bewegen]

s’ébranler

113

afbrokkelen, verweren

s’effriter

114

zich verspreiden

s’égailler

115

overmeesteren, zich meester maken van

s’emparer

116

zich ervan weerhouden, nalaten [ verhinderen ]

s’empêcher

117

verstrikt raken [ tegenstander doorboren]

s’enferrer

118

vastlopen [lijmen]

s’engluer

119

lef hebben [aanmoedigen]

s’enhardir

120

gehoord worden | het met elkaar kunnen vinden [ horen, opvatten, begrijpen]

s’entendre

121

elkaar verscheuren

s’entredéchirer

122

verslechteren [infecteren, verergeren]

s’envenimer

123

zich opwerpen tot, zich voordoen als [ oprichten]

s’ériger

124

zich aftekenen [ schetsen | in hoofdlijnen aangeven | even doen/maken

s’esquisser

125

zich uitrekken [uitrekken]

s’étirer

126

zich uitsloven

s’évertuer

127

zich onderscheiden [ illustreren | toelichten ]

s’illustrer

128

(door)buigen, van richting veranderen, afwijken [ buigen ]

s’infléchir

129

in de grond boren, opheffen (figuurlijk)

saborder

130

verassend, boeiend, aangrijpend

saisissant

131

zonder omwegen

sans ambages

132

ondergraven, ~mijnen

saper

133

ongerijmd, buitenissig

saugrenu

134

bezegelen, bevestigen

sceller

135

splitsing

scission f

136

zich beperken

se borner

137

zich beperken tot [ beperken | legeren, inkwartieren ]

se cantonner à

138

overleggen [ met elkaar afspreken, overleggen]

se concerter

139

iemand in vertrouwen nemen [toevertrouwen]

se confier

140

vervoegen [verenigen]

se conjuguer

141

zich inhouden [dwingen tot, bedwingen]

se contraindre

142

zich vastklampen

se cramponner

143

losbarsten, razen

se déchaîner

144

kaal / leeg / dunner / verlaten worden [ leeghalen]

se dégarnir

145

op een besluit terugkomen, van mening veranderen

se déjuger

146

afstand doen van, ontdoen van [ontnemen]

se dessaisir de

147

vermoeden [betwijfelen]

se douter

148

zich opmaken[opmaken]

se farder

149

zich volstoppen met [ vetmesten]

se gaver

150

bevriezen [doen ~]

se glacer

151

zich losmaken van kerkelijke binding [ deconfessionaliseren]

se laïciser

152

scheuren, barsten [doen ~]

se lézarder

153

garant de instaan voor

se porter

154

zich beveiligen tegen [ beschermen ]

se prémunir

155

zich onbevoegd verklaren [weigeren, verwerpen]

se récuser

156

zich bedenken

se réviser

157

uiteenvallen [ splitsen ]

se scinder

158

kunnen rondkomen, niemand nodig hebben [ voldoende zijn ]

se suffire

159

er prat op gaan

se targuer

160

zitting | voorstelling

séance f

161

onmiddellijk

séance tenante

162

borst

sein m

163

in het kader van, binnen

sein: au sein de

164

berisping, waarschuwing

semonce f

165

noordelijk

septentrional

166

inbeslagneming

séquestre m

167

besloten kringetje, elite

sérail m

168

mishandeling

sévices m

169

voor onbepaalde tijd

sine die

170

zeemeermin, verleidelijk wezen

sirène f

171

onmiddellijk

sitôt après

172

reeds, vanaf, terstond na | zodra

sitôt

173

hetzij, gegeven, gesteld

soit

174

of … of …

soit … soit …

175

of het een of het ander

soit l’un, soit l’autre

176

gelast, samengegroeid, hecht

soudé

177

veiligheidsklepje

soupape de sûreté

178

ventiel

soupape f

179

demper (muziek)

sourdine f

180

laadruim

soute f

181

badplaats

station balnéaire f

182

aan voet v/d Karpaten

subcarpathique

183

verdragen, ondergaan, verduren | dulden

subir

184

voortbestaan

subsister

185

waarnemend, plaatsvervangend [~vervanger]

suppléant [m]

186

compenseren, vervangen, bijpassen

suppléer (à)

187

smeken

supplier

188

op dat moment, toen, inmiddels, intussen

sur ces entrefaites

189

overbodig

surabondant

190

overmaat

surcroit m

191

bovendien

surcroit : par/de surcroit

192

verrassend

surprenant

193

uitstellen

surseoir à

194

verhit, onder hoge druk

survoltée

195

zowel omdat … als …

tant parce que… pour que…

196

zozeer dat

tant que

197

lawaaierig, in het oog springend

tapageur

198

verlaat, laat

tardif

199

krot

taudis m

200

overmoedig, onbezonnen

téméraire

201

hardnekkigheid

ténacité f

202

tendens, strekking, richting | neiging

tendance f

203

ergens buiten houden

tenir à l’écart

204

het houden

tenue f

205

gedraai, getalm

tergiversation f

206

vleier

thuriféraire m

207

energie, pit

tonus m

208

akkoord gaan / akkoord!

toper / topez là!

209

wending, verloop

tournure f

210

iemand aan schandpaal nagelen | iets totaal afkraken

traîner / vouer aux gémonies

211

oversteken

traverser

212

diepste innerlijk

tréfonds m

213

moed

vaillance f

214

willekeur

velléité f

215

beschimpen

vilipender

216

kwijnend bestaan leiden

vivoter