WL Histoire de la guerre froide 02 Flashcards Preview

Frans WL cursus + boek > WL Histoire de la guerre froide 02 > Flashcards

Flashcards in WL Histoire de la guerre froide 02 Deck (254):
1

chatouiller

kietelen, prikkelen

2

châtré m

castraat

3

chauvin

chauvinistisch

4

circonspect

omzichtig, bedachtzaam

5

clouer

kluisteren, aan de grond nagelen, vastspijkeren

6

comminatoire

dreigend

7

comparse m/f

handlanger, figurant

8

complaisance f

vriendelijkheid, inschikkelijkheid

9

complice m/f

medeplichtige

10

comporter

met zich meebrengen

11

conciliabule m

gesmoes

12

concision f

bondigheid

13

concours m

wedstrijd | steun, samenwerking

14

conjuguer

vervangen

15

connivence f

verstandhouding, betrokkenheid

16

conspuer

honen, uitjouwen

17

contagion f

besmetting

18

contourner

omzeilen

19

contraignant

dwingend

20

contrecarrer

tegenwerken

21

contrefort m

uitloper van gebergte

22

contrepartie f

tegendeel

23

convier

uitnodigen

24

convoitise f

hebzucht

25

corollaire m

logisch gevolg

26

corser

aandikken (verhaal)

27

cortège m

stoet, gevolg

28

coulpe f

berouw

29

coup de boutoir m

heftige uitval

30

crible m

zeef

31

dans la foulée

aansluitend, meteen

32

dans la mesure où

zover

33

davantage

meer

34

de / pour moitié

voor de helft

35

de gaieté de cœur

van harte, uit eigen beweging

36

de même que …

evenals dat

37

déambuler

rondwandelen, slenteren

38

débandade f

wanorderlijke aftocht

39

débaptiser

omdopen

40

débarquer

aan land gaan

41

déboires

teleurstellingen

42

débordé : je suis débordé

het wordt me teveel

43

débordé

overladen

44

débouché m

afzet(gebied) | uitweg | uitmonding

45

débrayer

staken

46

décalage m

verschuiving, discrepantie

47

déceler

onthullen

48

déchéance f

verval

49

déconvenue f

tegenvaller

50

découler

voortvloeien uit

51

décousu [m]

los, getornd [gebrek aan samenhang]

52

défaire

afbreken, loshalen

53

dégagement m

inlossing, losmaking, opruiming

54

dégarnir

leegmaken, leeghalen

55

déjouer

verijdelen, in de war sturen

56

délègue m

afgevaardigde

57

démentir

weerleggen | ontkennen | teleurstellen

58

demeurer

blijven (+ être), wonen / verblijven (+ avoir)

59

dénouement m

ontknoping

60

dépasser

inhalen, overschrijden

61

dépeçage m

verbrokkeling, verdeling

62

dépité

ontgoocheld

63

dépiter

ergeren, nijdig maken

64

dépourvu de

verstoken van

65

déroutant

verbijsterend, ~warrend

66

désobligeant

onvriendelijk, onwelwillend

67

desserrer

losmaken, losdraaien

68

desservir

iemand slechte dienst bewijzen | uitkomen op | (tafel) afruimen

69

destituer

afzetten, ontslaan

70

désuète

verouderd, uit de mode

71

détroit m

zee-engte

72

devançant

vooruitlopend

73

devancer

vóór zijn, vooruit lopen

74

dévier

(doen) afwijken

75

dilatoire

opschortend, vertragend

76

dispositif m

inrichting, voorziening

77

disposition f

inrichting | stemming, neiging | beschikking

78

distendre

losmaken

79

divergence f

divergentie, verspreiding | het uiteenlopen

80

docilité f

inschikkelijkheid

81

doléance f

klacht, grief

82

dûment

naar behoren | goed, behoorlijk, tamelijk

83

ébahi

verbluft

84

écart m

spreiding

85

écarté

afgezonderd, afgelegen

86

écarté

afgezonderd, ver uit elkaar, afgelegen

87

écarter

opzij zetten, van zich af zetten, doen uit/afwijken | uitspreiden

88

échapper de/à

ontsnappen aan, ontkomen

89

échauffourée f

schermutseling

90

échéant

vervallend

91

éclore

ontluiken

92

éconduire

afwijzen

93

écourter

verkorten

94

écoutant m

telefonische hulpverlener

95

écrasement m

verplettering, overweldiging

96

écroulement m

ineenstorting, inzakking

97

édifiant

stichtelijk, niets verhelend

98

édifice m

bouwsel

99

effacé

uitgewist, vaag

100

effacement m

verdwijning | uitwissen

101

effarant

schrikwekkend, ontstellend

102

effervescence f

opbruising | gisting

103

effondrement m

de instorting / val

104

effritement m

aftakeling, verwering

105

égaré

verdwaald

106

éluder

ontwijken

107

émanation f

manifestatie

108

emboîter

iemand op de voet volgen

109

empiètement m

het binnendringen

110

emprise f

vat (op), greep, invloed

111

emprunt m

lening

112

émule m/f

gelijke, mededinger

113

en contrepartie

tegenwicht, daartegenover

114

en friche

braakliggend

115

en rase-motte

in scheervlucht

116

en saisissant

beslagleggend op

117

en substance

in de hoofdzaak

118

en vigueur

van kracht, in werking

119

engrenage m

drijfwerk, raderwerk

120

enjoué

opgeruimd, vrolijk

121

enrayer

blokkeren, tegenhouden

122

entente f

overeenkomst | (goede) verstandhouding, overeenstemming

123

entériner

bekrachtigen, ratificeren

124

entorse f

verdraaiing van waarheid, schending | verstuiking

125

entrave f

belemmering

126

entravé

gekluisterd, in zijn bewegingen belemmerd

127

entraver

belemmeren, hinderen

128

kietelen, prikkelen

chatouiller

129

castraat

châtré m

130

chauvinistisch

chauvin

131

omzichtig, bedachtzaam

circonspect

132

kluisteren, aan de grond nagelen, vastspijkeren

clouer

133

dreigend

comminatoire

134

handlanger, figurant

comparse m/f

135

vriendelijkheid, inschikkelijkheid

complaisance f

136

medeplichtige

complice m/f

137

met zich meebrengen

comporter

138

gesmoes

conciliabule m

139

bondigheid

concision f

140

wedstrijd | steun, samenwerking

concours m

141

vervangen

conjuguer

142

verstandhouding, betrokkenheid

connivence f

143

honen, uitjouwen

conspuer

144

besmetting

contagion f

145

omzeilen

contourner

146

dwingend

contraignant

147

tegenwerken

contrecarrer

148

uitloper van gebergte

contrefort m

149

tegendeel

contrepartie f

150

uitnodigen

convier

151

hebzucht

convoitise f

152

logisch gevolg

corollaire m

153

aandikken (verhaal)

corser

154

stoet, gevolg

cortège m

155

berouw

coulpe f

156

heftige uitval

coup de boutoir m

157

zeef

crible m

158

aansluitend, meteen

dans la foulée

159

zover

dans la mesure où

160

meer

davantage

161

voor de helft

de / pour moitié

162

van harte, uit eigen beweging

de gaieté de cœur

163

evenals dat

de même que …

164

rondwandelen, slenteren

déambuler

165

wanorderlijke aftocht

débandade f

166

omdopen

débaptiser

167

aan land gaan

débarquer

168

teleurstellingen

déboires

169

het wordt me teveel

débordé : je suis débordé

170

overladen

débordé

171

afzet(gebied) | uitweg | uitmonding

débouché m

172

staken

débrayer

173

verschuiving, discrepantie

décalage m

174

onthullen

déceler

175

verval

déchéance f

176

tegenvaller

déconvenue f

177

voortvloeien uit

découler

178

los, getornd [gebrek aan samenhang]

décousu [m]

179

afbreken, loshalen

défaire

180

inlossing, losmaking, opruiming

dégagement m

181

leegmaken, leeghalen

dégarnir

182

verijdelen, in de war sturen

déjouer

183

afgevaardigde

délègue m

184

weerleggen | ontkennen | teleurstellen

démentir

185

blijven (+ être), wonen / verblijven (+ avoir)

demeurer

186

ontknoping

dénouement m

187

inhalen, overschrijden

dépasser

188

verbrokkeling, verdeling

dépeçage m

189

ontgoocheld

dépité

190

ergeren, nijdig maken

dépiter

191

verstoken van

dépourvu de

192

verbijsterend, ~warrend

déroutant

193

onvriendelijk, onwelwillend

désobligeant

194

losmaken, losdraaien

desserrer

195

iemand slechte dienst bewijzen | uitkomen op | (tafel) afruimen

desservir

196

afzetten, ontslaan

destituer

197

verouderd, uit de mode

désuète

198

zee-engte

détroit m

199

vooruitlopend

devançant

200

vóór zijn, vooruit lopen

devancer

201

(doen) afwijken

dévier

202

opschortend, vertragend

dilatoire

203

inrichting, voorziening

dispositif m

204

inrichting | stemming, neiging | beschikking

disposition f

205

losmaken

distendre

206

divergentie, verspreiding | het uiteenlopen

divergence f

207

inschikkelijkheid

docilité f

208

klacht, grief

doléance f

209

naar behoren | goed, behoorlijk, tamelijk

dûment

210

verbluft

ébahi

211

spreiding

écart m

212

afgezonderd, afgelegen

écarté

213

afgezonderd, ver uit elkaar, afgelegen

écarté

214

opzij zetten, van zich af zetten, doen uit/afwijken | uitspreiden

écarter

215

ontsnappen aan, ontkomen

échapper de/à

216

schermutseling

échauffourée f

217

vervallend

échéant

218

ontluiken

éclore

219

afwijzen

éconduire

220

verkorten

écourter

221

telefonische hulpverlener

écoutant m

222

verplettering, overweldiging

écrasement m

223

ineenstorting, inzakking

écroulement m

224

stichtelijk, niets verhelend

édifiant

225

bouwsel

édifice m

226

uitgewist, vaag

effacé

227

verdwijning | uitwissen

effacement m

228

schrikwekkend, ontstellend

effarant

229

opbruising | gisting

effervescence f

230

de instorting / val

effondrement m

231

aftakeling, verwering

effritement m

232

verdwaald

égaré

233

ontwijken

éluder

234

manifestatie

émanation f

235

iemand op de voet volgen

emboîter

236

het binnendringen

empiètement m

237

vat (op), greep, invloed

emprise f

238

lening

emprunt m

239

gelijke, mededinger

émule m/f

240

tegenwicht, daartegenover

en contrepartie

241

braakliggend

en friche

242

in scheervlucht

en rase-motte

243

beslagleggend op

en saisissant

244

in de hoofdzaak

en substance

245

van kracht, in werking

en vigueur

246

drijfwerk, raderwerk

engrenage m

247

opgeruimd, vrolijk

enjoué

248

blokkeren, tegenhouden

enrayer

249

overeenkomst | (goede) verstandhouding, overeenstemming

entente f

250

bekrachtigen, ratificeren

entériner

251

verdraaiing van waarheid, schending | verstuiking

entorse f

252

belemmering

entrave f

253

gekluisterd, in zijn bewegingen belemmerd

entravé

254

belemmeren, hinderen

entraver