Woordenlijst Jusqu au dernier 3 - Sheet1 Flashcards Preview

Frans WL cursus + boek > Woordenlijst Jusqu au dernier 3 - Sheet1 > Flashcards

Flashcards in Woordenlijst Jusqu au dernier 3 - Sheet1 Deck (198):
1

gâche

vermoeid

2

gâcher

verpesten

3

gambader

rondhuppelen

4

gamin m

kereltje

5

gant m

handschoen

6

garce v

kreng, slet

7

gaz d’echappement

uitlaatgas

8

geindre

kermen, zeuren

9

gémissement m

gekerm

10

gendre m

schoonzoon

11

gérer

omgaan met, beheren

12

gifle v

klap in het gezicht

13

glapisement m

gekrijs

14

glisser

glijden

15

glousser

giechelen

16

gonzesse v

meid

17

gorgee v

slokje

18

goudron m

teer, asfalt

19

gratter

krabbelen, krassen

20

gravier m

grind

21

gravillon m

steentje, fijn grind

22

gravir

beklimmen, bestijgen

23

gribouiller

krabbelen

24

griffoner

neerkrabbelen

25

grignoler

oppeuzelen

26

grogner

grommen

27

grossier

grof

28

guetter

bespieden, beloeren

29

guise v

wijze

30

haîr

haten

31

hâle

bruine kleur van huid

32

hanche v

heup

33

hanter

spoken, achtervolgen

34

hâte v

spoed

35

hausser les epaules

schouders ophalen

36

hauteur v

hoogte

37

hébété

versufd, verdofd

38

heurter

duwen

39

hocher

schudden

40

housse v

hoes

41

îlot m

eiland

42

immonde

vuil

43

imputer

toeschrijven aan

44

inculpation v

aanklacht

45

induire en erreur

op dwaalspoor brengen

46

induire

afleiden (uit)

47

indulgente

vergevingsgezind

48

inéluctable

onontkoombaar, onvermijdelijk

49

insalubre

onbewoonbaar verklaard

50

insouciance v

zorgeloosheid

51

insouciant

zorgeloos

52

introduire

binnenlaten

53

irascible

prikkelbaar, lichtgeraakt

54

ivre

dronken

55

jauger

diepgang hebben

56

jumeau / jumelle

tweeling

57

laine v

wol

58

lame v

lemmet

59

lance-pierre m

katapult, slinger

60

lancer

werpen, gooien

61

languette v

lipje (van fles, blikje)

62

larguer

laten vallen

63

lassitude v

vermoeidheid, afkeer

64

léger

licht

65

léguer

nalaten, doorgeven (figuurlijk)

66

lendemain m

volgende dag

67

lessive v

wasmiddel

68

leste

kwik, actief

69

liasse v

bundel

70

lien m

band, link

71

lin m

linnen

72

linteau m

bovendrempel

73

lisse

glad

74

livre v

(engelse) pond

75

livrer

bezorgen

76

lorsque

toen

77

loupe v

loep

78

mâchoire v

kaak

79

maigre

dun

80

malin m

slimmerd

81

maîtriser

overmeesteren

82

malfré

ondanks

83

malin

slimmerd

84

manche m

heft van mes

85

mange v

mango

86

manigancer

bedisselen

87

marche v

trede, pedaal

88

marrant

raar, grappig

89

marron foncé

kastanjebruin

90

mateals m

matras

91

maudite

verdoemd

92

mec m

kerel

93

méchament

boos

94

mèche v

haarlok

95

méduser

verstijfd van schrik

96

méfiant

wantrouwend, achterdochtig

97

mégo m

peuk

98

mêler

mixen, mengen

99

menacer

bedreigen

100

mener

leiden, wegbrengen

101

mensonge m

leugen

102

menton m

kin

103

mépriser

verachten

104

merle m

merel

105

mettre en branche

in beweging zetten

106

meurtrier m

moordenaar

107

mi-clos

halfdicht

108

miette v

kruimel

109

mignon m

lieveling, schat

110

mince

dun, smal

111

mine v

gezicht

112

miroiter

glinsteren, spiegelen

113

mobile m

motief

114

moche

lelijk , beroerd

115

moite

klam

116

mollet m

kuit

117

monceau m

hoop, stapel

118

moquette v

vaste vloerbedekking

119

mots croisés

kruiswoordpuzzel

120

moucheté

gespikkeld

121

mouille

vochtig

122

mouse v

pruillip

123

munir

voorzien van

124

muret m

muurtje

125

naguère

onlangs, kort geleden

126

nain m

dwerg

127

narquois

spottend

128

navrer

diep bedroefd zijn

129

ne pas piper

geen kik geven

130

néanmoins

evenwel, niettemin

131

nettoyer

schoonmaken

132

nier

ontkennen

133

noyé m

drenkeling

134

noyer

verdrinken

135

nuage m

wolk

136

oiseau m

vogel

137

ongle m

nagel

138

oreiller m

hoofdkussen

139

orteil m

teen

140

os m

bot

141

ôter

wegnemen

142

pagaille v

rotzooi

143

paisible

vredig

144

pâle

bleek dof

145

palper

betasten

146

panneau m

paneel

147

papoter

kletsen

148

paquet m

pakket

149

parages

streek,omgeving

150

par-dessus

overheen

151

parfois

soms

152

parmi

ten midden van, onder

153

paroi v

wand

154

parole v

woord

155

parquet m

vloer

156

particule v

deeltje, stof

157

parvenir

aankomen

158

passer au crible

zorgvuldig onderzoeken

159

pâteux,

dik (vloeistof), melig (fruit), stroef

160

paume v

handpalm

161

paupière v

ooglid

162

peindre

verven

163

peiner

zwoegen

164

pelouse v

grasveld

165

penaud

verlegen

166

penaud

verlegen

167

penderie v

hangkast

168

penombre v

schemerdonker

169

percuter

slaan (vliegen) tegen

170

perte v

verlies

171

pertuber

schokken, verstoren

172

pétiller

fonkelen

173

picotement m

prikkeling

174

picoter

prikkelen

175

piège m

val, valstrik, klem

176

piètre

armzalig, zwak

177

piger

snappen

178

pignon m

tandwiel

179

pile v

stapel

180

piller

plunderen

181

pilule v

pil

182

pinceau m

kwast

183

piste v

spoor

184

pivoine v

pioenroos

185

placard m

muurkast

186

plâtreux

wit als krijt, bepleisterd

187

pneu crevé

lekke band

188

poêle v

koekepan

189

poigne v

handvol

190

poignet m

polsi

191

poing m

vuist

192

pointer

verschijnen

193

pointure v

maat

194

poisse v

pech

195

poisson m

vis

196

poix v

pek

197

portillon m

hekje

198

potager m

moestuin