TV5 Les Europeens face crise - Sheet1 Flashcards Preview

Frans WL cursus + boek > TV5 Les Europeens face crise - Sheet1 > Flashcards

Flashcards in TV5 Les Europeens face crise - Sheet1 Deck (106):
1

à peine

met moeite

2

abriter

beschermen, beschutten

3

adhèrent(e) m/v

aanhanger

4

aller en boîte

uitgaan

5

appartenir à

behoren tot

6

au ralenti

traag

7

au sein de

in, binnen, in het kader van

8

augmenter

uitbreiden

9

avis m

mening

10

avoir la cote

populair zijn

11

baisse v

daling, vermindering

12

bombe a retardement

tijdbom

13

bouché

verstopt, versperd

14

bref

kort, kortaf adj

15

cédér

overdoen, verkopen, afstand doen

16

chantier m

werkplaats

17

chiffre d'affaires m

omzet

18

chômeur m

werkloze

19

conteneur m

container

20

convaincre

overtuigen

21

cortège m

stoet, optocht

22

coût m

kosten

23

croissance v

groei

24

de toute façon

hoe dan ook

25

decrire

beschrijven

26

dédier

toewijden

27

déguiser

vermommen

28

démunir

ontnemen, beroven

29

déposer

neerleggen

30

depuis

sinds, vanaf

31

désormais

voortaan, van toen af aan

32

devis m

bestek kostenraming

33

dont

waarvan, van wie, waarover

34

dorénavant

voortaan, in het vervolg, nu

35

éclater

barsten

36

éloigné

ver verwijderd van, afgelegen

37

embaucher

in dienst nemen

38

empêcher

beletten

39

en bref

kortom bw

40

en la matière de

op het gebied van, terzake van

41

en outre

bovendien

42

engager

in dienst nemen

43

enseignant m

docent

44

enseigne v

uithangbord, reclamebord

45

entraîner

meeslepen, verleiden tot

46

epargne v

spaargeld

47

épargner

ontzien

48

étonner

verwonderen, verbazen

49

faire la file

in de rij staan

50

fierté v

trots

51

fond m

bron

52

frein m

rem

53

fuir

vluchten

54

gâcher

bederven

55

gestion v

beheer, management

56

grandir

opgroeien

57

impôt foncier

grondbelasting

58

invendu

onverkocht

59

la bulle

luchtbel

60

les invendus

de onverkochte goederen

61

logiciel m

software

62

lorsque

wanneer, terwijl

63

loyer m

huurprijs

64

matière v

materiaal

65

matière v

stof, materie, leerstof

66

mécénat m

mecenaat

67

outre

behalve

68

ouvrier m

werker

69

païen

heidens

70

parcourir

doorlopen, afleggen van afstand

71

parfois

soms, af en toe

72

perte v

verlies

73

plutot que

liever dan

74

pompe v

praal, pracht

75

pourtant

toch, echter, evenwel bw

76

prêter de l'argent

geld lenen

77

prêter

verlenen, verschaffen, aanleiding geven

78

puisque

aangezien, daar

79

quarantaine v

veertigtal

80

rater

missen, niet raken, niet slagen in

81

rebondir

opspringen, terugstuiten, opleven

82

recours m

toevlucht

83

refondre

omwerken van tekst

84

réjouissance v

vrolijkheid, pret

85

relier

verbinden

86

repas m

maaltijd

87

résoudre

oplossen, doen verdwijnen

88

rêver

dromen

89

ristourne v

korting

90

se balader

slenteren

91

se entasser

zich ophopen

92

se relayer

aflossen, elkaar aflossen

93

selon

volgens

94

sentir

voelen, merken, beseffen

95

s'envoler

wegvliegen, opstijgen

96

s'établir

zich vestigen

97

souffrir

lijden aan, ondergaan

98

sourire

glimlachen

99

sous-traitant m

onderaannemer

100

surfer

surfen

101

surtout

vooral

102

tells

zulk, zoals

103

témoignage m

getuigenis

104

tracasser

last bezorgen

105

tronçon m

brok, stuk

106

une denrée rare v

een schaars goed