WL Histoire de la guerre froide 04 Flashcards Preview

Frans WL cursus + boek > WL Histoire de la guerre froide 04 > Flashcards

Flashcards in WL Histoire de la guerre froide 04 Deck (250):
1

miser sur les deux tableaux

op twee paarden tegelijk wedden

2

modalité f

beding, wijze, vorm

3

modicité f

geringheid, laagheid

4

moine m

monnik

5

moitié moitié

ieder de helft

6

monceau m

hoop, stapel

7

mou [m]

zacht, week [ slappeling]

8

mouillage m

ankergrond | het nat maken | het verdunnen

9

mouture f

zoveelste versie

10

moyennant

voor, d.m.v., tegen, in ruil voor

11

munir

voorzien

12

n’avoir cure de qqch

zich niet om iets bekommeren

13

n’avoir point de cesse que

niet rusten voordat

14

navrant

dieptreurig

15

ne pas farder la vérité

er geen doekjes om winden

16

noise f

ruzie

17

nouer

zich zetten | knopen

18

objurgation f

vermaning, schrobbering

19

octroi m

toekenning

20

ombrage m

schaduw, lommer

21

onéreux

kostbaar, duur

22

outrance f

overdrijving

23

outrecuidant

verwaten, aanmatigend

24

par contumace f

bij verstek

25

parachever

voltooien

26

parade f

uiterlijk vertoon | verdediging

27

parangon m

model, toonbeeld

28

parchemin m

oorkonde, document

29

parer

versieren | toeschrijven | afweren

30

paritaire

gelijkelijk vertegenwoordigd

31

parlote f

fabeltje

32

paroxysme m

toppunt, hoogste punt / graad

33

pas davantage

niet meer

34

patibulaire

onguur, onbetrouwbaar

35

pâtir [de]

te lijden hebben [ lijden onder]

36

pâtir

lijden onder

37

pavé m

steen

38

penchant m

aanleg

39

pendant m

tegenhanger

40

pénurie f

gebrek, schaarste, tekort

41

péremptoire

afdoend

42

périmé

verlopen, verouderd

43

perspicacité f

scherpzinnigheid

44

philippique f

strafrede

45

piètre

erbarmelijk, armetierig

46

piller m

pijler

47

pincé

gedwongen, stijf | smal

48

placer sous séquestre

beslag leggen op

49

planisphère m

(vlakke) wereldkaart

50

plébisciter

met overweldigende meerderheid kiezen

51

plombé

verzegeld

52

point névralgique

zenuwcentrum

53

poisson d’avril m

1 april grap

54

ponction f

punctie, geldelijke aderlating

55

portée f

reikwijdte, belang

56

porter atteint

iets schaden, aantasten

57

pouponner

moederen

58

pourvu de

voorzien van

59

poussée

grondig

60

préalable [m]

voorafgaand aan [ voorwaarde ]

61

préfigurer

aankondigen

62

préjugé m

vooroordeel | teken, aanwijzing

63

prélèvement m

het afnemen / inhouden

64

prélever sur

afhouden, afnemen

65

prémisse f

premisse, uitgangspunt

66

prendre ombrage de qqn

zich door iemand gekrenkt voelen

67

prépondérance f

overwicht

68

présumer de

overschatten

69

prévaloir

winnen van

70

prévenance f

voorkomendheid | attentie

71

prévention f

preventie | vooringenomenheid

72

prodige m

wonder

73

prodigieux

buitengewoon

74

prodigue

kwistig

75

prôner

loven, aanprijzen

76

propos m

woorden, uitlating

77

propos: à ce propos

naar aanleiding hiervan

78

propos: à propos de

n.a.v.

79

propos: à propos

tussen twee haakjes

80

prorogation f

verlenging, verdaging

81

pur et simple

onvoorwaardelijk, zonder meer

82

pur

puur, zuiver, rein

83

purin m

mest

84

pusillanimité f

kleinmoedigheid

85

rabâcher

steeds herhalen

86

rabrouer

afsnauwen

87

rafler

plunderen

88

rafler

wegkapen, plunderen

89

rallier

zich voegen bij

90

rameau m

takje, twijgje

91

ratage m

mislukking

92

rebondissement f

terugstuit, weeropleving

93

reconduire

verlengen, voorzetten | uitgeleide doen

94

récrimination f

klacht, protest, scherpe kritiek

95

recrudescence f

opleving | vernieuwde uitbarsting

96

redevance f

belasting, heffing

97

redresser

herstellen | weer oprichten / rechtbuigen | rectificeren

98

refluer

terugvloeien

99

reflux m

eb | terugvloeien, terugloop

100

refoulé

verdrongen

101

regain m

herleving, opleving

102

relance f

wederopleving

103

remanier

omwerken, herzien

104

remiser

stallen, parkeren, afgeven, opbergen

105

remontrance f

berisping, vermaning

106

remous m

kielzog | onrust, beroering

107

renchérir

opslaan, duurder worden / maken, overtreffen

108

renom m

naam

109

renoncer à

afzien van, opgeven

110

renouer

zich verzoenen met / weer aansluiten bij, weer opnemen

111

résipiscence f

inkeer

112

ressortir à

vallen onder

113

ressortir

weer uitgaan | duidelijk uitkomen, afsteken

114

ressortissant m

onderdaan, staatsburger

115

restreindre

kleiner maken

116

retenir

bespreken

117

retentissant

opzienbarend, luid

118

retentissement m

terugslag

119

revêche

stug, nors

120

revirement m

ommezwaai, het overstag gaan

121

riposte f

tegenaanval, scherp antwoord

122

rondement

ronduit | vlug, prompt

123

rouage m

raderwerk

124

s’accroître

aangroeien [vergroten]

125

s’adjuger

voor zich opeisen [ toewijzen, gunnen ]

126

op twee paarden tegelijk wedden

miser sur les deux tableaux

127

beding, wijze, vorm

modalité f

128

geringheid, laagheid

modicité f

129

monnik

moine m

130

ieder de helft

moitié moitié

131

hoop, stapel

monceau m

132

zacht, week [ slappeling]

mou [m]

133

ankergrond | het nat maken | het verdunnen

mouillage m

134

zoveelste versie

mouture f

135

voor, d.m.v., tegen, in ruil voor

moyennant

136

voorzien

munir

137

zich niet om iets bekommeren

n’avoir cure de qqch

138

niet rusten voordat

n’avoir point de cesse que

139

dieptreurig

navrant

140

er geen doekjes om winden

ne pas farder la vérité

141

ruzie

noise f

142

zich zetten | knopen

nouer

143

vermaning, schrobbering

objurgation f

144

toekenning

octroi m

145

schaduw, lommer

ombrage m

146

kostbaar, duur

onéreux

147

overdrijving

outrance f

148

verwaten, aanmatigend

outrecuidant

149

bij verstek

par contumace f

150

voltooien

parachever

151

uiterlijk vertoon | verdediging

parade f

152

model, toonbeeld

parangon m

153

oorkonde, document

parchemin m

154

versieren | toeschrijven | afweren

parer

155

gelijkelijk vertegenwoordigd

paritaire

156

fabeltje

parlote f

157

toppunt, hoogste punt / graad

paroxysme m

158

niet meer

pas davantage

159

onguur, onbetrouwbaar

patibulaire

160

te lijden hebben [ lijden onder]

pâtir [de]

161

lijden onder

pâtir

162

steen

pavé m

163

aanleg

penchant m

164

tegenhanger

pendant m

165

gebrek, schaarste, tekort

pénurie f

166

afdoend

péremptoire

167

verlopen, verouderd

périmé

168

scherpzinnigheid

perspicacité f

169

strafrede

philippique f

170

erbarmelijk, armetierig

piètre

171

pijler

piller m

172

gedwongen, stijf | smal

pincé

173

beslag leggen op

placer sous séquestre

174

(vlakke) wereldkaart

planisphère m

175

met overweldigende meerderheid kiezen

plébisciter

176

verzegeld

plombé

177

zenuwcentrum

point névralgique

178

1 april grap

poisson d’avril m

179

punctie, geldelijke aderlating

ponction f

180

reikwijdte, belang

portée f

181

iets schaden, aantasten

porter atteint

182

moederen

pouponner

183

voorzien van

pourvu de

184

grondig

poussée

185

voorafgaand aan [ voorwaarde ]

préalable [m]

186

aankondigen

préfigurer

187

vooroordeel | teken, aanwijzing

préjugé m

188

het afnemen / inhouden

prélèvement m

189

afhouden, afnemen

prélever sur

190

premisse, uitgangspunt

prémisse f

191

zich door iemand gekrenkt voelen

prendre ombrage de qqn

192

overwicht

prépondérance f

193

overschatten

présumer de

194

winnen van

prévaloir

195

voorkomendheid | attentie

prévenance f

196

preventie | vooringenomenheid

prévention f

197

wonder

prodige m

198

buitengewoon

prodigieux

199

kwistig

prodigue

200

loven, aanprijzen

prôner

201

woorden, uitlating

propos m

202

naar aanleiding hiervan

propos: à ce propos

203

n.a.v.

propos: à propos de

204

tussen twee haakjes

propos: à propos

205

verlenging, verdaging

prorogation f

206

onvoorwaardelijk, zonder meer

pur et simple

207

puur, zuiver, rein

pur

208

mest

purin m

209

kleinmoedigheid

pusillanimité f

210

steeds herhalen

rabâcher

211

afsnauwen

rabrouer

212

plunderen

rafler

213

wegkapen, plunderen

rafler

214

zich voegen bij

rallier

215

takje, twijgje

rameau m

216

mislukking

ratage m

217

terugstuit, weeropleving

rebondissement f

218

verlengen, voorzetten | uitgeleide doen

reconduire

219

klacht, protest, scherpe kritiek

récrimination f

220

opleving | vernieuwde uitbarsting

recrudescence f

221

belasting, heffing

redevance f

222

herstellen | weer oprichten / rechtbuigen | rectificeren

redresser

223

terugvloeien

refluer

224

eb | terugvloeien, terugloop

reflux m

225

verdrongen

refoulé

226

herleving, opleving

regain m

227

wederopleving

relance f

228

omwerken, herzien

remanier

229

stallen, parkeren, afgeven, opbergen

remiser

230

berisping, vermaning

remontrance f

231

kielzog | onrust, beroering

remous m

232

opslaan, duurder worden / maken, overtreffen

renchérir

233

naam

renom m

234

afzien van, opgeven

renoncer à

235

zich verzoenen met / weer aansluiten bij, weer opnemen

renouer

236

inkeer

résipiscence f

237

vallen onder

ressortir à

238

weer uitgaan | duidelijk uitkomen, afsteken

ressortir

239

onderdaan, staatsburger

ressortissant m

240

kleiner maken

restreindre

241

bespreken

retenir

242

opzienbarend, luid

retentissant

243

terugslag

retentissement m

244

stug, nors

revêche

245

ommezwaai, het overstag gaan

revirement m

246

tegenaanval, scherp antwoord

riposte f

247

ronduit | vlug, prompt

rondement

248

raderwerk

rouage m

249

aangroeien [vergroten]

s’accroître

250

voor zich opeisen [ toewijzen, gunnen ]

s’adjuger