Gezondheid en Welzijn Flashcards Preview

Spaans - Intertaal Woordenschatwijzer > Gezondheid en Welzijn > Flashcards

Flashcards in Gezondheid en Welzijn Deck (63):
1

de gezondheid

la salud

2

Proost!

Salud!

3

Gezondheid (bij niezen)

Jesús!

4

genieten

disfrutar

5

een goede gezondheid genieten

disfrutar de excelente salud

6

zich goed/slecht voelen

estar bien/mal

7

(zich) voelen

sentir(se)

8

pijn doen

doler

9

ik heb hoofdpijn

me duele la cabeza

10

moe

cansado

11

het dieet

la dieta, el régimen

12

de therapie

la terapia

13

de vorm

la forma

14

in vorm zijn

estar en forma

15

ziek

enfermo

16

ziek worden

caer / ponerse enfermo

17

de zieke

el/la enfermo /-a

18

de ziekte

la enfermedad

19

ernstig, zwaar

grave

20

het ongeluk, ongeval

el accidente

21

een ongeluk krijgen

sufrir un accidente

22

de wond, de verwonding

la herida

23

de schade

el daño

24

(zich) verwonden / pijn doen

hacer(se) daño

25

genezen, helen

curar

26

genezen, beter worden

curarse

27

de koorts

la fiebre

28

de thermometer

el termómetro

29

de dokter, arts

el/la médico /-a
el/la doctor(a)

30

de huisarts

el médico de cabecera

31

de apotheek

la farmacia

32

gebeuren

ocurrir, pasar

33

Wat is er (met je/u) aan de hand/gebeurd?

Qué (te/le) ocurre/pasa?

34

het recept, het voorschrift

la receta

35

voorschrijven

recetar

36

het medicijn

el medicamento

37

het ziekenhuis

el hospital

38

de kliniek

la clínica

39

de ambulance

la ambulancia

40

de verpleger/verpleegster

el/la enfermero /-a

41

de specialist / specialiste

el/la especialista

42

de tandarts

el/la dentista

43

de homeopaat

el/la homeópata

44

het consult, de afspraak

la consulta

45

het spreekuur

la hora de consulta

46

de patient(e)

el/la paciente

47

de behandeling

el tratamiento

48

behandelen

tratar

49

het tablet, de pil

la pastilla

50

de aspirine

la aspirina

51

de zalf

la pomada

52

de pleister

la tirita

53

de injectie

la inyección

54

de operatie

la operación

55

roken

fumar

56

de tabak

el tabaco

57

de sigaret

el cigarrillo
el pucho

58

de drug

la droga

59

soft-/harddrugs

las drogas blandas/duras

60

de dood

la muerte

61

dood

muerto

62

sterven

morirse

63

zwanger

embarazada