Leren en Werken Flashcards Preview

Spaans - Intertaal Woordenschatwijzer > Leren en Werken > Flashcards

Flashcards in Leren en Werken Deck (97):
1

de opleiding, de opvoeding

la educación

2

de school

el colegio, la escuela

3

naar school gaan

ir al colegio / a la escuela

4

het klaslokaal

la (aula de) clase

5

de middelbare school, het instituut

el instituto
el liceo

6

de universiteit

la universidad

7

de leerling/leerlinge

el/la alumno /a

8

de student / studente

el/la estudiante

9

leren, studeren

estudiar

10

de studie, het verslag

el estudio

11

de studie, de opleiding

los estudios

12

de docent (e)

el/la profesor -a

13

de klas, het lesuur

la clase

14

naar de les gaan

ir a clase

15

(aan)leren, onderwijzen

enseñar

16

uitleggen

explicar

17

schrijven

escribir

18

met de hand schrijven

escribir a mano

19

het thema, het onderwerp

el tema

20

het voorbeeld

el ejemplo

21

bijvoorbeeld,
bijv.

por ejemplo,
p. ej.

22

weten, kunnen

saber

23

Frans beheersen

saber francés

24

leren

aprender

25

(zich) herinneren

recordar

26

vergeten

olvidar

27

iets vergeten

olvidarse de algo

28

het geheugen

la memoria

29

toetsen

examinar

30

het examen, de toets

el examen

31

het huiswerk

los deberes

32

de schriftelijke/mondelinge toets

el examen escrito / oral

33

zakken voor een examen

suspender un examen

34

slagen voor een examen

aprobar un examen

35

de toets, de test

la prueba

36

het (school)cijfer

la nota

37

correct, juist

correcto

38

niet correct, onjuist

incorrecto

39

makkelijk

fácil

40

moeilijk

difícil

41

het potlood

el lápiz

42

de balpen

el bolígrafo, el boli

43

het (vel) papier
het vel (papier)

el papel
la hoja

44

de documenten

los papeles

45

het schrijfblok -
het notitieblok

el bloc -
el bloc de notas

46

het woordenboek

el diccionario

47

het woord

la palabre

48

de zin

la frase

49

de taal

la lengua

50

de grammatica

la gramática

51

de cursus, schooljaar

el curso

52

aan een cursus deelnemen

asistir a un curso

53

een cursus volgen

cursar estudios

54

de opleiding

la formación

55

de stage

las prácticas

56

werken

trabajar

57

het werk

el trabajo

58

het beroep

la profesión

59

van beroep

de profesión

60

beroeps-, professioneel, de professional

profesional

61

de carrière

la carrera profesional

62

de activiteit

la actividad

63

de directeur/directrice

el/la director /-a

64

de secretaresse

el/la secretario /-a

65

het sollicitatiegesprek

la entrevista

66

de ervaring

la experiencia

67

zich specialiseren

especializarse

68

de chef / cheffin, leidinggevende

el/la jefe /-a

69

ondertekenen

firmar

70

de handtekening

la firma

71

de functie, de betrekking

el puesto

72

het werk, de betrekking

el empleo

73

een baan zoeken

buscar un empleo

74

ontslaan

despedir, echar

75

de staking, de werkloosheid

el paro

76

werkloos zijn

estar en paro

77

de werkloze

el/la parado /-a

78

gebruiken

utilizar, usar

79

het gereedschap

la herramienta

80

de werkplaats

el taller

81

de monteur, de technicus

el/la mecánico /-a

82

het salaris

el sueldo

83

de werknemer/werkneemster

el/la empleado /-a

84

de werkgever/werkgeefster

el/la empresario

85

de collega

el/la colega

86

de boekhouder

el/la contable

87

de verkoper/verkoopster

el/la dependiente /-a

88

de arts

el/la médico /-a

89

de tandarts

el/la dentista

90

de bakker

el/la panadero /-a

91

de slager

el/la carnicero /-a

92

de kok/kokkin

el/la cocinero /-a

93

de ingenieur

el/la ingeniero /-a

94

de docent / docente

el/la profesor /-a

95

de vertegenwoordiger /ster, politieagent(e)

el/la agente

96

de bewaker/bewaakster

el/la vigilante

97

de chirurg / chirurge

el/la cirujano /-a