Verkeer en Reizen Flashcards Preview

Spaans - Intertaal Woordenschatwijzer > Verkeer en Reizen > Flashcards

Flashcards in Verkeer en Reizen Deck (90):
1

de stad

la ciudad

2

het dorp

el pueblo

3

de brug

el puente

4

de winkelstraat

la calle comercial

5

het voetgangerspad

la calle peatonal

6

de laan, de boulevard

la avenida

7

de boulevard

el paseo

8

de (grote) weg

la carretera

9

de (auto) snelweg

la autopista

10

het tankstation

la gasolinera
la estación de servicio

11

de benzine

la gasolina

12

de diesel

el gasóleo

13

tanken

echar/repostar gasolina

14

de weg

el camino

15

de hoek

la esquina

16

afslaan, afbuigen

doblar

17

(naar) rechts

a la derecha

18

(naar) links

a la izquierda

19

hier
daar(ginds)

aquí
allá

20

te voet / met de auto gaan

ir de pie / en coche

21

voorbijgaan, langskomen

pasar

22

binnenkomen, binnengaan

entrar

23

de ingang, de oprit

la entrada

24

weggaan

salir

25

de uitgang, de afrit

la salida

26

aankomen, arriveren

llegar

27

op tijd

a tiempo

28

(te) laat

tarde

29

terugkeren, teruggaan

volver

30

autorijden

conducir
manejar

31

snel

rápido

32

snel, haastig

deprisa

33

langzaam

despacio

34

de auto

el coche

35

de vrachtwagen

el camión

36

de motor(fiets), de scooter

la moto (cicleta)

37

de fiets

la bicicleta, la bici

38

de motor

el motor

39

de bus

el autobús

40

de tram

el tranvía

41

de halte

la parada

42

het verkeer

el tráfico

43

de trein

el tren

44

de stoptrein

el tren de cercanías

45

de hogesnelheidstrein

el tren de alta velocidad

46

overstappen

cambiar de tren

47

het station

la estación

48

pas op!

Atención!

49

het schip

el barco

50

de boot

la barca

51

de haven

el puerto

52

het vliegtuig

el avión

53

vliegen

volar

54

de luchthaven

el aeropuerto

55

het continent

el continente

56

instappen

subir

57

uitstappen

bajar

58

de kruising

el cruce

59

oversteken, kruisen

cruzar

60

het verkeerslicht

el semáforo

61

de rotonde

la glorieta

62

het paspoort

el pasaporte

63

het identiteitsbewijs

el documento nacional de identidad (DNI)

64

reizen

viajar

65

de reis

el viaje

66

het toerisme

el turismo

67

de VVV

la oficina de turismo

68

de toerist(e)

el/la turista

69

de (reis)gids (boek)

la guía

70

de (reis) gids (persoon)

el/la guía

71

bezoeken

visitar

72

de landkaart

el mapa

73

de koffer

la maleta

74

de koffer(s) pakken

hacer la(s) maleta(s)

75

het hotel

el hotel

76

de receptie

la recepción

77

reserveren

reservar

78

de kamer

la habitación

79

de eenpersoons-/tweepersoonskamer

la habitación individual / doble

80

Holland

Holanda

81

Hollands

holandés/-esa

82

de Hollander/de Hollandse

el/la holandés /-esa

83

Nederland

Países Bajos

84

Nederlands

neerlandés /-esa

85

het Nederlands

el neerlandés

86

Engeland

Inglaterra

87

België

Bélgica

88

Zuid-Amerika

Sudamérica

89

Latijns-Amerika

Latinoamérica

90

Midden-Amerika

Centroamérica