Vrije tijd Flashcards Preview

Spaans - Intertaal Woordenschatwijzer > Vrije tijd > Flashcards

Flashcards in Vrije tijd Deck (93):
1

de vakantie

las vacaciones

2

de siësta, het middagdutje

la siesta

3

het feest

la fiesta

4

de jaarmarkt, de kermis

la feria

5

de excursie, het uitstapje

la excursión

6

uitgaan

salir

7

afspreken

citarse, quedar

8

bezoeken

visitar

9

het bezoek

la visita

10

zich vermaken

divertirse

11

leuk

divertido

12

zich vervelen

aburrirse

13

saai

aburrido

14

de zin

las ganas

15

zin hebben om iets te doen

tener ganas de hacer algo

16

ik heb er geen zin in

no me da la gana

17

de sport

el deporte

18

sporten

hacer deporte

19

de wintersport

los deportes de invierno

20

skiën

esquiar

21

(zich) bewegen

mover(se)

22

(lopen) gaan

andar

23

wandelen

caminar,
pasear

24

de wandeling

el paseo

25

een ommetje maken

ir de paseo /
dar un paseo

26

rennen, hardlopen

correr

27

beginnen te rennen

echar a correr

28

springen

saltar

29

het voetbal

el fútbol

30

voetbalfan zijn

ser un aficionado al fútbol

31

de voetbalclub

el club de fútbol

32

het tennis

el tenis

33

tennissen

jugar al tenis

34

de tennisschoenen

las zapatillas de tenis

35

de (voet)bal

el balón (de fútbol)

36

met een bal spelen

jugar con un balón)

37

de bal

la pelota

38

de balspelen

los juegos de pelota

39

de fiets

la bicicleta

40

paardrijden

montar (a caballo)

41

fietsen

montar / andar en bicicleta

42

zwemmen

nadar

43

het zwembad

la piscina

44

roeien

remar

45

het joggen, het hardlopen

el footing

46

joggen, hardlopen

hacer footing

47

de wedstrijd, de partij

el partido

48

de voetbalwedstrijd

el partido de fútbol

49

het spel

el juego

50

het bordspel

el juego de mesa

51

eerlijk spel

juego limpio

52

vals spel

juego sucio

53

spelen

jugar

54

kaarten

jugar a las cartas

55

de speler/speelster

el/la jugador /a

56

het team, het elftal

el equipo

57

winnen

ganar

58

de winnaar/winnares

el/la ganador /-a

59

verliezen

perder

60

de verliezer

el/la perdedor /-a

61

het geluk

la suerte

62

het stuk speelgoed

el juguete

63

de prijs

el premio

64

de hobby

el hobby

65

de hobby, de liefhebberij

la afición

66

de passie (voor)

la pasión (por)

67

het enthousiasme (voor)

el entusiasmo (por)

68

lezen

leer

69

voorlezen, hardop lezen

leer en voz alta

70

de roman

la novela

71

schilderen

pintar

72

de muziek

la música

73

naar muziek luisteren

escuchar música

74

het instrument

el instrumento

75

een instrument bespelen

tocar un instrumento

76

zingen

cantar

77

het lied

la canción

78

dansen

bailar

79

de dans

el baile

80

koken

cocinar

81

het computerspel

el juego de ordenador

82

verzamelen

coleccionar

83

fotograferen

fotografiar

84

filmen

filmar

85

de keramiek

la cerámica

86

pottenbakken

hacer cerámica

87

de modelbouw

el modelismo

88

breien

hacer punto

89

winkelen

ir de compras

90

het schaken

el ajedrez

91

het kruiswoordraadsel

el crucigrama

92

het attractiepark, het pretpark

el parque de atracciones

93

het biljart

el billar