Tijd en Datum Flashcards Preview

Spaans - Intertaal Woordenschatwijzer > Tijd en Datum > Flashcards

Flashcards in Tijd en Datum Deck (70):
1

de tijd

el tiempo

2

het jaar

el año

3

de maand

el mes

4

de week

la semana

5

het weekeinde, het weekend

el fin de semana

6

de datum

la fecha

7

de klok, het horloge

el reloj

8

het uur, de tijd

la hora

9

de minuut

el minuto

10

de seconde

el segundo

11

om

a, al, a la

12

de dag

el día

13

vandaag

hoy

14

de ochtend, de voormiddag

la mañana

15

morgen

mañana

16

gisteren

ayer

17

tussen de middag

el mediodía

18

middernacht

la medianoche

19

de namiddag, avond

la tarde

20

in de (na)middag, 's avonds

por la tarde

21

de nacht

la noche

22

het moment

el momento

23

de kalender

el calendario

24

sinds

desde

25

tot

hasta

26

eerder, vroeger

antes

27

(daar)na

después

28

sinds ...., ..........geleden

hace (dos días)

29

dan, daarna, vervolgens

luego

30

toen

entonces

31

nu

ahora

32

nooit

nunca

33

altijd

siempre

34

soms/vaak

a veces / muchas veces

35

nog steeds

todavía

36

al

ya

37

het verleden

el pasado

38

het heden

el presente

39

de toekomst

el futuro

40

maandag

lunes

41

dinsdag

martes

42

woensdag

miércoles

43

donderdag

jueves

44

vrijdag

viernes

45

zaterdag

sábado

46

zondag

domingo

47

januari

enero

48

februari

febrero

49

maart

marzo

50

april

abril

51

mei

mayo

52

juni

junio

53

juli

julio

54

augustus

agosto

55

september

septiembre

56

oktober

octubre

57

november

noviembre

58

december

diciembre

59

lente

primavera

60

zomer

verano

61

herfst

otoño

62

winter

invierno

63

4:05 uur

las cuatro y cinco

64

4:15 uur

las cuatro y cuarto

65

4:30 uur

las cuatro y media

66

1:00 uur

la una

67

2:00 uur

las dos

68

4:40 uur

las cinco menos veinte

69

4:45 uur

las cinco menos cuarto

70

4:50 uur

las cinco menos diez