Thuis Flashcards Preview

Spaans - Intertaal Woordenschatwijzer > Thuis > Flashcards

Flashcards in Thuis Deck (73):
1

het huis

la casa

2

naar huis / thuis

a casa / en casa

3

het rijtjeshuis

la casa adosada

4

het huis op het het platteland

la casa de campo

5

het appartement

el apartamento

6

het appartement; de flat

el departamento

7

het appartement, de woning

el piso

8

de verdieping, de etage

la planta, el piso

9

de begane grond

la planta baja

10

het gebouw

el edificio

11

de architect /e

el/la arquitecto /-a

12

bouwen

construir

13

de trap

la escalera

14

de wand, de muur

la pared

15

het dak

el techo

16

de deur

la puerta

17

de voordeur

la puerta de la calle

18

de sleutel

la llave

19

op slot doen, afsluiten

cerrar con llave

20

het raam

la ventana

21

huren, verhuren

alquilar

22

te huur

se alquila

23

de huur

el alquiler

24

de huurovereenkomst

el contrato de alquiler

25

verkopen

vender

26

te koop

se vende

27

inrichten, installeren

instalar

28

de lift

el ascensor

29

de elektriciteit

la electricidad

30

de kamer, het vertrek

la habitación, el cuarto, la pieza

31

de woonkamer

el cuarto de estar

32

de tafel

la mesa

33

op de tafel

en la mesa

34

de tafel dekken / afruimen

poner / quitar la mesa

35

de stoel

la silla

36

het bureau

el escritorio

37

de boekenkast

la estantería

38

de sofa

el sofá

39

de fauteuil

el sillón

40

het tapijt

la alfombra

41

de lamp

la lámpara

42

de staande lamp

la lámpara de pie

43

de keuken

la cocina

44

de koelkast

la nevera

45

de slaapkamer

el dormitorio

46

het bed

la cama

47

het tweepersoonsbed

la cama de matrimonio

48

slapen

dormir

49

de pyama

el pijama

50

de badkamer

el cuarto de baño

51

naar het toilet gaan

ir al baño

52

de badkuip

la bañera

53

de douche

la ducha

54

zich douchen

ducharse

55

de wasbak

el lavabo

56

de gang

el pasillo

57

de tuin

el jardín

58

het terras

la terraza

59

het balkon

el balcón

60

de kast

el armario

61

de kledingkast

el armario ropero

62

opruimen

ordenar

63

de orde

el orden

64

op orde brengen

poner en orden

65

schoonmaken

limpiar

66

(af)stoffen

limpiar el polvo

67

schoon

limpio

68

vuil

sucio

69

wassen

lavar

70

afwassen

lavar los platos

71

zich wassen

lavarse

72

tandenpoetsen

lavarse los dientes

73

de zeep

el jabón