Diverse woorden H14 TM H16 Flashcards Preview

Spaans - LOI - beginners > Diverse woorden H14 TM H16 > Flashcards

Flashcards in Diverse woorden H14 TM H16 Deck (223):
1

op basis van

a base de

2

de omhelzing

el abrozo

3

naar bed gaan

acostarse

4

zuur

agrio

5

het warme water

el agua caliente

6

zich verheugen op

alegrarse de

7

logeren

alojarse

8

uitbreiden

ampliar

9

alvorens

antes de

10

vanaf

a partir de

11

door, dwars door

a través de

12

de laars

la bota

13

de piccolo

el botones

14

de verwarming

la calefacción

15

het hoofdstuk

el capítulo

16

liefdevol

cariñoso

17

een tentoonstelling houden

celebrar una exposición

18

aangetekend

certificado

19

pakken

coger

20

opeten

comerse

21

tegenwoordig

contemporáneo

22

het hart

el corazón

23

zich haasten

darse prisa

24

bij voorbaat

de antemano

25

zodat

de manera que

26

een rol spelen

desempeñar un papel

27

flauwvallen

desmayarse

28

het afscheid, de slotformule (in een brief)

la despedida

29

de wekker

el despertador

30

wakker worden

despertarse

31

geachte

distinguido

32

de indeling, de verdeling

la distribución

33

vouwen

doblar

34

zich bevinden in

encontrarse en

35

uitkiezen

elegir

36

schaars

escaso

37

de vijver

el estanque

38

verblijven, logeren in

estar alojado en

39

samengesteld zijn uit

estar compuesto de

40

het standbeeld

la estatua

41

geachte

estimado

42

uiteenzetten, tentoonstellen

exponer

43

de mislukking

el fracaso

44

druppelen

gotear

45

de kraan

el grifo

46

de klont

el grumo

47

de eenpersoonskamer

la habitación individual

48

de tweepersoonskamer

la habitación doble

49

de kamer aan de straatkant

la habitación exterior

50

de kamer aan de binnenzijde

la habitación interior

51

het meel

la harina

52

tot

hasta

53

het feit

el hecho

54

het ruikt

huele

55

het ruikt vies

huele mal

56

het drukwerk

el impreso

57

zich wassen

lavarse

58

de vloeistof

el líquido

59

de deken

la manta

60

verdienen

merecer

61

vormen, gieten

moldear

62

het monster

la muestra

63

verkrijgen

obtener

64

gewoonlijk

ordinariamente

65

opdat

para que

66

op het vuur zetten

poner al fuego

67

zich bezorgd maken om

preocuparse por

68

snel

pronto

69

de schaal

el recipiente

70

herstellen

recuperar

71

roeren

remover

72

de rozenstruik

el rosal

73

de smaak

el sabor

74

tevoorschijn halen

sacar

75

kaartjes kopen

sacar entradas

76

de groet

el saludo

77

in de schaduw gaan zitten

sentarse a la sombra

78

in de zon gaan zitten

sentarse al sol

79

het adres

las señas

80

de eeuw

el siglo

81

de enveloppe

el sobre

82

dulden

soportar

83

onderdompelen

sumergir

84

de zware / lichte tabak

el tabaco negro / rubio

85

rekening houden met

tener en cuenta

86

verhuizen

trasladar

87

de waarde

el valor

88

gieten

verter

89

de biologische producten

los productos biológicos

90

de hoeveelste is het vandaag

A cuántos estamos?

91

Dat komt me niet bekend voor

Esto no me suena.

92

Veel plezier!

Que te diviertas!

93

Maak je geen zorgen

No te preocupes!

94

Zij zegt dat ....

Dice que ....

95

Ik heb een kamer aan de straatkant

Tengo una habitación exterior

96

Ik heb genoeg dekens

hay mantas suficientes

97

Het licht functioneert

La luz funciona

98

de kamer heeft warm en koud water

La habitación tiene agua fría y caliente

99

de kamer is niet duur

no es cara la habitación

100

verwarming

calefacción

101

Houdt u van thee met of zonder suiker?

Le gusta el té con azucár o sin azucár

102

Wilt u cola met of zonder ijs?

Quiere usted la cola con hielo o sin hielo?

103

Rookt u sigaretten met of zonder filter?

Fuma usted cigarillos con filtro o sin filtro?

104

Wilt u koffie met of zonder slagroom

Quiere usted café con nata o sin nata?

105

Met een warme groet (lief, teder, hartelijk)

con un cariñoso saludo

106

hugs

abrazos

107

dat is alles

esto es todo

108

Zijn er nog meer broeken om te proberen

hay mas pantalones para probar?

109

heeft spijkerbroeken in maat 32

tiene talla 32 en vaqueros

110

we willen nog wat kijken

queremos mirar un poco más

111

kunnen we hier de hele dag eten

podemos comer todo el día aquí

112

is het nodig om te reserveren

es necesario reservar

113

we willen graag daar zitten

preferimos sentarnos ahí

114

wat is het menu van de dag

cuál es el menú del día

115

`een groot glas appelsap met veel ijsblokjes

un gran zumo de manzana con muchos cubitos de hielo

116

geen probleem, mijnheer

no hay problema, señor

117

wat zijn de openingstijden

cuáles son las horas de apertura
cuál es el horario de apertura

118

gemaakt (voltooid deelw van hacer)

hecho

119

de oogst

la vendimia

120

druiven plukken

recoger las uvas

121

de gisting

la fermentación

122

de wijnstok

la viña

123

de wijngaard

el viñedo

124

toevoegen

añadir

125

het vat

el barril

126

de stroop

el almíbar

127

gieten

verter (ie)

128

het rek

el estante

129

schudden

agitar

130

af en toe

de vez en cuando

131

ronddraaien

voltear

132

omkeren

invertir (ie)

133

de kurk

el corcho

134

de metaaldraad

el alambre

135

het tin

el estaño

136

de bescherming

el abrigo

137

vergezellen

acompañar

138

aanpassen

adaptar

139

iets bijzonders

algo en particular

140

een of ander

alguno

141

iemand

alguien

142

het logies

el alojamiento

143

de snor

el bigote

144

elk, ieder

cada

145

de keten

la cadena

146

veroveren

conquistar

147

afspreken; het schikt mij

convenir (en): me conviene

148

het klooster

el convento
el monasterio

149

onder

debajo de

150

moeten

deber

151

uitsteken

destacar

152

bestemd voor

destinado a

153

zich vergissen

equivocarse

154

de ster

la estrella

155

tegenover

frente a

156

het juweel

la joya

157

het telefoongesprek

la llamada telefónica

158

prachtig

maravilloso

159

de meerderheid

la mayoría

160

niemand

nadie

161

geen enkele

ninguno

162

gebeuren

ocurrir

163

het werk

la obra

164

de passagiers

el pasajero

165

de visvangst

la pesca

166

de prentbriefkaart

la postal

167

het uitgangspunt, oogpunt

el punto de vista

168

het net

la red

169

de sociale netwerken

las redes sociales

170

ernstig

serio

171

klinken

sonar

172

de tablet

la tableta

173

de smartphone

el teléfono inteligente

174

leeg

vacío

175

de oogst

la vendimia

176

iets
niets

algo
nada

177

iemand
niemand

alguien
nadie

178

een of ander
geen enkele

alguno
ninguno

179

iemand
niemand

alguno de
ninguno de

180

de gootsteen

el fregadero

181

de toonbank

el mostrador

182

het zeil, de zonnescherm

el toldo

183

op weg naar

camino a

184

het salaris

el sueldo

185

de sfeer, de omgeving

el ambiente

186

Kunt u naar mijn arm en elleboog kijken, alstublieft

Puede mirarme el brazo y el codo por favor

187

Is het nodig om naar het ziekenhuis te gaan?

Es necesario ir al hospital?

188

Ik heb eczeem. Kunt u mij een recept geven voor een zalfje, alstublieft

Tengo eczema. Puede usted recetarme una pomada por favor.

189

Mijn vriendin is nerveus. Kunt u voorzichtig met haar zijn, alstublieft

Mi amiga está nerviosa. Puede ser prudente con ella, por favor.

190

Of is het beter om nog even te wachten?

O es mejor esperar un poco?

191

Geen probleem, maar wij hebben een faktuur nodig voor de verzekeringsmaatschappij

No hay problema pero necesitamos una factura para la compañía de seguros.

192

Met wie spreek ik

De parte de quién

193

Een ogenblikje, alstublieft, hij komt zo

Un momento, ahora se pone

194

Wat zegt u

Cómo dice?

195

Nee, nee dat is niet hier

No, no aquí no es

196

Kunt u wat luider spreken

Puede hablar más alto?

197

Ik versta u niet goed

No la oigo bien

198

Is mijnheer Gonzalez er
Is Enrique er?

Está el señor Gonzaléz, por favor
Está Enrique, por favor

199

Kan ik mijnheer Casals spreken
Kan ik Arthur spreken

Puedo hablar con el señor Casals
Puedo hablar con Arturo

200

Ja, heel graag. Waar is die galerie

Sí, con mucho gusto. Dónde está esa Galería

201

En wat stellen ze tentoon van Dali

Y ¿qué obra de Dalí exponen?

202

Wanneer wil je gaan

Cuándo quieres ir?

203

Ik werk tot zeven uur

Tengo que trabajar hasta las siete

204

Geen van hen/niemand is thuis
er is niemand

ninguno de ellos está en casa
no hay ninguno

205

Is er een (of andere) bibliotheek in de buurt

Hay alguna biblioteca por aquí

206

Als alguno niet gevolgd wordt door een zelfst. nw dan betekent het ? In het enkelvoud en meervoud?

in het enkelvoud: iemand bijv. Alguno de mis amigos (en niet alguien de mis amigos) iemand van mijn vrienden
In het mv betekent het sommigen bijv.
Algunos creen que no es allí (sommigen denken dat het daar niet is.

207

Als ninguno niet gevolgd wordt door een zelfst. nw dan betekent het? En in het meervoud?

Niemand bijv. Ninguno de nosotros (en niet nadie de nosotros) Niemand van ons.
Ninguno kent geen meervoud

208

Een of andere dichter zegt ....

Algún poeta dice (bij mannelijk enkelvoud verliest het de o)

209

Ik koop geen enkel boek

no compro ningún libro

210

ik zoek een hotel

busco algún hotel.

211

Aguno kan ook Wat betekenen.
Ik heb wat geld; enige tijd geleden

tengo algún dinero
hace algún tiempo

212

Als alquien en nadie lijdend voorwerp zijn, worden ze vooraf gegaan door een a.
Ik zie niemand; Hoor je iemand?

No veo a nadie.
Oyes a alguien?

213

Is er een apotheek hier in de buurt? Nee, niet één

Hay alguna farmacia aquí? No no hay ninguna.

214

Is er hier dichtbij een bank?

Hay algún banco aquí cerca. No, no hay ninguno

215

Hoe laat gaan de treinen naar Sevilla

A qué hora hay trenes para Sevilla?

216

Er gaat er een om 10 uur en dan om 19 uur

Hay uno a las diez y otro a las siete de la tarde

217

Gaat er niet een na 19:00 uur?
Nee, niet één

No hay ninguno después de las siete?
No, no hay ninguno.

218

halve karaf huiswijn

media jarra de vino de la casa IPV!!
jarra media de vino de casa = fout

219

Alles is me goed bevallen

Todo me HA gustado mucho IPV
Todo me he gustado muy bien = fout

220

Wat is dit?
Dit is een motor
Dit is de motor van Jan

Qué es esto? (onzijdig)
Esto es una moto.
Esta es la moto de Juan

221

Onzijdige aanwijzende voornaamwoorden:

Esto, Eso en Aquello.
Deze zijn onverandelijk en hebben geen meervoud

222

Alsjeblieft, dit is voor jou

Esto es para ti.

223

Plotseling stopt Anamari en zegt: Hoor, wat is dat? Luister.

De repente Anamari se para y dice: Oye! Qué es esto? Escucha