MMO 1: Kennismakingsgesprek Flashcards Preview

Spaans - LOI - beginners > MMO 1: Kennismakingsgesprek > Flashcards

Flashcards in MMO 1: Kennismakingsgesprek Deck (151):
1

's middags (12:00 uur, lunchtijd)

al mediodía

2

de lunchpauze

el descanso para comer /
la hora de la comida

3

aan de overkant, aan de andere kant van de straat

al otro lado de la calle

4

een gebouw

un edificio

5

dat grote gebouw

ese edificio grande

6

helaas

desgraciadamente

7

de taal

el idioma

8

mijn taal

mi idioma

9

al, reeds

ya

10

begrijpen

comprender

11

begrijpt u me? verstaat u me?

me comprende? me entiende?

12

een beetje

un poco

13

een klein beetje

un poquito

14

spreken

hablar

15

ik zal spreken

hablaré

16

langzaam

despacio

17

zien

ver

18

u zult zien

verá

19

aankomen / ergens in slagen

llegar a / conseguir

20

u zult erin slagen

lo conseguirá

21

.. en u zult zien, dan lukt het vast!

.... y verá cómo lo consigue

22

zijn (werkwoord)

estar

23

u bent

(usted) está

24

u bent hier

(usted) está aquí

25

bent u hier alleen?

está (usted) aquí solo?

26

hoe oud ben je?

cuántos años tienes?

27

hoe oud bent u?

cuántos años tiene?

28

ik ben .... jaar

tengo ..... años

29

mijn vader

mi padre

30

mijn moeder

mi madre

31

mijn zoon

mi hijo

32

mijn broer

mi hermano

33

mijn zwager

mi cuñado

34

mijn opa

mi abuelo

35

mijn oma

mi abuela

36

oud

viejo/a, mayor

37

hij is oud

(él) es mayor

38

zij is heel oud

(ella) es muy mayor

39

jong

joven

40

zij is jong

(ella) es joven

41

de vraag

la pregunta

42

veel

mucho

43

veel vragen

muchas preguntas

44

nieuwsgierig

curioso/a

45

heel nieuwsgierig

muy curioso/a

46

ook

también

47

werken

trabajar

48

studeren

estudiar

49

ik hoef niet te werken

no necesito trabajar

50

ik hoef niet meer te werken

no necesito trabajar más

51

hij hoeft niet meer te werken

(él) no necesita trabajar más

52

zij hoeven niet meer te werken

(ellos) no necesitan trabajar más

53

getrouwd zijn

estar casado/a

54

bent u getrouwd?

está (usted) casado?

55

ik ben getrouwd

estoy casado/a

56

nog niet

todavía no

57

een kind

un niño

58

een jongetje

un niño

59

een meisje

una niña

60

alle twee

ambos

61

een school

una escuela

62

op school

a la escuela

63

wonen

vivir

64

woont u in Parijs?

vive en París?

65

waar woont u?

dónde vive?

66

zien

ver

67

ik zie

veo

68

ik zie haar

(yo) la veo

69

ik zie haar niet

(yo) no la veo

70

ik zie hem niet

(yo) no lo veo

71

nooit

nunca

72

bijna

casi

73

bijna nooit

casi nunca

74

ik zie haar nooit

nunca la veo

75

ik zie haar bijna nooit

casi nunca la veo

76

ik zie mijn broer nooit

nunca veo a mi hermano

77

verhuizen

mudarse

78

hij is verhuisd

se ha mudado

79

wij zijn verhuisd

nos hemos mudado

80

het is lang geleden

hace mucho tiempo

81

een eiland

una isla

82

mooi

bonito/a

83

een mooi eiland

una isla bonita

84

ik zou graag ...

me gustaría

85

reizen

viajar

86

de reis

el viaje

87

kosten (ww)

costar

88

dat kost ...

cuesta ...

89

duur

caro

90

de reis is duur

el viaje es caro

91

gaan

ir

92

erheen gaan

ir allí

93

ik ga erheen

voy allí

94

u bent erheen gegaan

(usted) ha ido allí

95

terugkeren

volver

96

het werk

el trabajo

97

terugkeren naar het werk

volver al trabajo

98

fijne dag (als wens geuit aan iemand anders)

que pase un buen día

99

doen, maken

hacer

100

zeggen

decir

101

ik zal zeggen

diré

102

ik zal het zeggen

lo diré

103

vragen (ww)

preguntar

104

een ogenblikje

un momento

105

een ogenblikje wachten / geduld hebben

esperar un momento

106

willen

querer

107

u wilt

(usted) quiere

108

wachten

esperar

109

wachtend

(persona que espera)

110

gaan zitten

sentarse

111

gaat u zitten (uitnodigend)

siéntese

112

het spijt me

lo siento

113

herhalen

repetir

114

de naam

el nombre

115

uw naam

su nombre

116

vreemd, uit het buitenland

extranjero

117

een buitenlandse naam

un nombre extranjero

118

moeilijk

difícil

119

makkelijk

fácil

120

aangenaam! (bij kennis maken)

encantado/a!

121

de auto

el coche

122

een vliegtuig

un avión

123

de trein

el tren

124

rustig

tranquilamente

125

laat

tarde

126

later

más tarde, después

127

vroeg

temprano

128

vroeger, eerder

más temprano, antes

129

de morgen

la mañana

130

deze morgen/vanmorgen

esta mañana

131

een bedrijf, onderneming, zaak

una empresa, un negocio

132

hopen (ww)

esperar

133

aanbieden

ofrecer

134

hoe lang (tijd)

cuánto tiempo

135

sinds

desde

136

groeien, groter worden

crecer

137

aan het begin

al principio

138

met hoeveel bent u?

cuántos son ustedes?

139

bezoeken

visitar

140

de stad bezoeken, bezichtigen

visitar la ciudad

141

in een hotel verblijven

alojarse en un hotel

142

bevalt het u?

le gusta?

143

luisteren

escuchar

144

uitnodigen

invitar

145

dineren

cenar

146

zojuist + werkwoord

acabar de + verbo

147

net opengegaan zijn

acabar de abrir

148

dat restaurant is net geopend

este restaurante acaba de abrir

149

heerlijk vinden, dol zijn op

encantar

150

het eten

la comida

151

lekker eten (zelfstandig naamw)

la buena comida, comer bien