Diverse woorden H10 TM H13 Flashcards Preview

Spaans - LOI - beginners > Diverse woorden H10 TM H13 > Flashcards

Flashcards in Diverse woorden H10 TM H13 Deck (298):
1

de jas

el abrigo

2

uitverkocht, uitgeput

agotado

3

bij het lopen

al caminar

4

een enkele

alguno

5

lopen

andar

6

de vlag

la bandera

7

de mond

la boca

8

het hoofd

la cabeza

9

iedereen

cada uno

10

de inktvis

el calamar

11

de sokken

los calcetines

12

het overhemd

la camisa

13

de hemel, de lucht

el cielo

14

de verwarring

la confusión

15

de das

la corbata

16

kort

corto

17

de kraag, de hals

el cuello

18

de vinger, de teen

el dedo

19

sportief

deportivo

20

uitrusten

descansar

21

de rust

el descanso

22

nauwgezet

detenidamente

23

ontspanning nemen, zich vermaken

distraerse

24

pijn doen

doler (ue)

25

de pijn

el dolor

26

overhandigen

entregar

27

de etalage

el escaparate

28

wachten

esperar

29

de maag

el estómago

30

onderzoeken

examinar

31

uitgezonderd

excepto

32

de rok

la falda

33

de koorts

la fiebre

34

de grens

la frontera

35

de bril

las gafas

36

de druppel

la gota

37

ernstig

grave

38

grijs

gris

39

het gras

la hierba

40

gezwollen

hinchado

41

de ontsteking

la infección

42

heel goed staan bij

ir muy bien con

43

de trui

el jersey

44

opstaan

levantarse

45

de mouw

la manga

46

de kies

la muela

47

de neus

la nariz

48

de wolk

la nube

49

de maat

el número

50

het oog

el ojo

51

de patient

el paciente

52

het pakje sigaretten

el paquete de cigarrillos

53

schijnen, lijken

parecer

54

doorlopen

pasar

55

het taartje, het gebakje

el pastel

56

de tablet

la pastilla

57

de borst

el pecho

58

het kapsel

el peinado

59

de film

la película

60

proberen

procurar

61

de uitverkoop

las rebajas

62

het recept

la receta

63

voorschrijven

recetar

64

de knie

la rodilla

65

de wachtkamer

la sala de espera

66

het bloed

la sangre

67

de kledingafdeling

la sección de ropa

68

zich voelen

sentirse (ie)

69

glimlachend

sonriente

70

zacht

suave

71

de maat

la talla

72

rust nemen

tomar descanso

73

koorts hebben

tener fiebre

74

de inkt

la tinta

75

de stier

el toro

76

het pak, het kostuum

el traje

77

rustig

tranquilo

78

spijkerbroek

los vaqueros

79

groen

verde

80

de jurk

el vestido

81

gekleed in

vestido de

82

zich aankleden

vestirse

83

dichtdoen

cerrar (ie)

84

natuurlijk, duidelijk

claro

85

het gezelschap

la compañia

86

de gewoonte

la costumbre

87

oke, afgesproken

de acuerdo

88

ontmoeten, vinden

encontrar (ue)

89

de etalage

el escaparate

90

het ijsje

el helado

91

het sap

el jugo

92

de gelegenheid

la ocasión

93

het kapsel

el peinado

94

de dichter

el poeta

95

worden

ponerse

96

kunnen

poder (ue)

97

de voorkeur geven aan

preferir (ie)

98

proeven

probar (ue)

99

blijven, afspreken

quedar

100

willen

querer (ie)

101

de frisdrank

el refresco

102

hebben

tener

103

komen

venir

104

terugkeren

volver (ue)

105

het sap

el zumo

106

de plasma tv

el televisor de pantalla plana

107

het videospel

la consola de videojuegos

108

de zonnepanelen

los panales solares

109

de hybride auto

el coche híbrido

110

de MP3

el reproductor MP3

111

het e-book

el libro digital

112

het graf

la sepultura

113

het soort, het type

el tipo

114

ik heb,
ik kom

tengo
vengo

115

ik heb zin om te reizen

tengo ganas de viajar

116

slaap hebben

tener sueño

117

ik moet werken

tengo que trabajar

118

Heeft het huis zonnepanelen?
Het huis heeft grote zonnepanelen

Tiene paneles solares la casa?
La casa tiene unos paneles solares grande

119

heb je een MP3 speler?
Ik heb een nieuwe MP3 speler

Tienes reproductor MP3?
Tengo un reproductor MP3 nuevo.
Let op: door het bijv. naamw. wordt wel un/una gebruikt bij het zelfstandig nw.

120

Hoe zeg je dat uw man vandaag terugkomt?

mi marido vuelve hoy

121

Hoe zeg je dat uw kinderen niet vandaag terugkomen

mis hijos no vuelven hoy

122

Hij is een groot schilder

Es un gran pintor -
let dus op grande voor het zelfstandig nw verliest zijn "de"

123

Het is een grote stad

Es una gran ciudad

124

schoon water (niet vuil)

agua pura (let op: agua is vrouwelijk, maar je zegt el agua)

125

Als bijv. naamwoorden figuurlijk worden gebruikt, waar staan ze dan?

voor het zelfstandig naamw, dwz
Manuel es un viejo amigo
Es una vieja costumbre
Pablo Picaso es un gran pintor

126

Als bijv. naamw. letterlijk worden gebruikt, waar staan ze dan?

achter het zelfstandig naamw, dwz
Los ríos de las montañas tienen agua pura
Mi padre es un hombre pobre (arm qua geld)
Mi madre es una mujer vieja (oud qua leeftijd, letterlijk)

127

theelepeltje

la cucharadita

128

schepje, lepel

la cucharada

129

mixen, (ver) mengen

mezclar

130

sapcentrifuge

la licuadora

131

De inwoners van Engeland heten engelsen

Los habitantes de Inglaterra se llaman ingleses

132

De inwoners van Holland heten hollanders

Los habitantes de Holanda se llaman holandeses

133

De inwoners van Spanje heten spanjaarden

Los habitantes de España se llaman españoles

134

De inwoners van Denemarken heten denen

Los habitantes de Dinamarca se llaman daneses

135

De inwoners van Frankrijk heten fransen

Los habitantes de Francia se llaman franceses

136

De inwoners van Portugal heten portugezen

Los habitantes de Portugal se llaman portugueses

137

Ik ga naar huis want ik heb het koud

Voy a casa porque tengo frío

138

Ik ga naar bed want ik heb slaap

Voy a cama porque tengo sueño

139

Ik heb geen zin om te gaan werken

No tengo ganas de ir a trabajar

140

We moeten rennen want we hebben haast

Tenemos que correr porque tenemos prisa

141

jong / pup

el cachorro

142

diploma middelbare school

bachillerato

143

vonk

la chispa

144

haard, schoorsteen

la chimenea

145

specialiteiten

las especialidades

146

waar staan de woorden bueno en malo meestal?

voor het zelfst. nw. en dan wordt het:
Es un buen vino (dus zonder o)
Hace mal tiempo (dus zonder o)

147

Dit, Deze (hier) (V)

esta (is gekoppeld aan aquí) - M = este
betekent deze, dit bij de spreker, bij hemzelf

148

Die, Dat (daar) V

esa (is gekoppeld aan ahí) = daar (bij jou)
M = ese

149

Die, dat, daarginds V

Aquella (is gekoppeld aan allí = daarginds)
M=aquel
het object ligt niet bij de spreker, ook niet bij de aangesprokene, maar bij een derde persoon of object

150

Welke maat hebt u?

Qué número lleva usted?
Qué talla tiene usted?

151

Hoeveel ben ik u schuldig?

Cuánto le debo?

152

Het staat je goed

Te va bien
Te sienta bien

153

Wat is er met u aan de hand?

Qué le pasa?

154

Wij vinden het boek niet mooi

El libro no nos gusta

155

Wat vind je van deze ideeën.

Qué te parecen estas ideas?

156

Wat hebben jullie toch, jongens?

Niños ¿qué os pasa?

157

Ik heb maagpijn

Me duele el estómago

158

Het woordje "ik" dat terug te vinden is als "me" in me gusta, hoe noemen we dat?

Dat wordt complemento indirecto genoemd en staat voor meewerkend voorwerp.

159

Bij sommige werkwoordvormen heeft de zin een ander onderwerp dan in NL welke bijv?

gustar, doler, parecer, pasar

160

Hoe zeg je op twee manieren: ik heb hoofdpijn

Tengo dolor de cabeza
Me duele la cabeza

161

Jij hebt hoofdpijn (op twee manieren)

Tienes dolor de cabeza
Te duele la cabeza.

162

Hij heeft hoofdpijn (op twee manieren)

Tiene dolor de cabeza
Le duele la cabeza.

163

Wij hebben hoofdpijn (2x)

Tenemos dolor de cabeza
Nos duele la cabeza.

164

Jullie hebben hoofdpijn (2x)

Tenéis dolor de cabeza.
Os duele la cabeza.

165

Zij hebben hoofdpijn (2x)

Tienen dolor de cabeza
Les duele la cabeza

166

In het Spaans worden geen bezittelijke voornaamwoorden gebruikt, dus niet?

Ik heb pijn in mijn hoofd wordt:
Me duele LA cabeza (niet mi)

167

Wat heeft HIJ, ZIJ, of U (NIET HET).
Wat scheelt hem, of wat is er aan de hand met hem?
wat is de vertaling in NL

Qué le pasa?

168

Wat heeft HIJ?

Qué le pasa a él?
Als er duidelijk moet worden wie er met "le" bedoeld wordt, wordt er "a" en het persoonl voornaaw. toegevoegd.

169

Als le of les verwarring kan geven, blijft le of les staan maar wordt de persoonsvorm + a nog toegevoegd

a él of a ellos
a ella of a ellas
a usted of a ustedes

170

Zij vinden rijst lekker

A ellos les gusta el arroz

171

Zij vindt haar werk niet leuk

A ella no le gusta su trabajo

172

Zijn mond doet pijn

A él le duele la boca

173

Vindt u de wijn lekker?

A usted le gusta el vino?

174

Doen uw ogen geen pijn?

No les duelen los ojos a ustedes?

175

Híj vindt het niet goed (nadruk)

No le parece bien a él

176

IK vind het niet lekker (nadruk)

A mí no me gusta

177

Ik vind het eten niet lekker, hij wél

A mí no me gusta la comida, a él sí le gusta

178

Júllie vinden het boek niet mooi, maar ík wel

A vosotros no os gusta el libro, pero a mí sí me gusta

179

Houden jullie van tortilla?
Wij houden er niet van, maar zij houden er wel van

Os gusta la tortilla?
A nosotros no nos gusta, pero a ellos sí les gusta

180

Houd jij van boeken?
Nee, ik houd er niet van, maar zij (U) houden er wel van

Te gustan los libros?
A mí no me gustan, pero a ustedes sí les gustan.

181

Houden jullie van boeken?
Nee, wij houden er niet van, maar zij houden er wel van

Os gustan los libros?
A nosotros no nos gustan, pero a ellos sí les gustan.

182

Houdt u (mv) van films?
Nee, wij houden er niet van, maar jíj wel

Les gustan a ustedes las películas?
A nosotros no nos gustan, pero a ti sí te gustan

183

ik heb geen zin om het boek te lezen

No me gusta leer el libro

184

Wil je me alsjeblieft het zout aangeven?

Quieres pasarme la sal, por favor?

185

de verkoudheid

el resfriado

186

de druppel

la gota

187

agotado quiere decir (wil zeggen?)

acabado, muy cansado

188

doler quiere decir

causar dolor, daño

189

entregar quiere decir

dar

190

caminar quiere decir

andar

191

ik heb veel hoofd- en maagpijn

Me duelen mucho la cabeza y el estómago

192

De kleuren van de stropdas passen goed bij het pak

Los colores de la corbata van muy bien con el traje

193

Qué es lo contrario de:
Manga corta

Manga larga

194

Qué es lo contrario de:
Alto

Bajo

195

este is verbonden aan het bijwoord

aquí

196

ese is verbonden aan het bijwoord

ahí

197

aquel is verbonden aan het bijwoord

allí

198

Mij interesseert het niet, maar hem wel

A mí no me interesa, pero a él sí le interesa

199

Mijnheer Moreno houdt niet van rijst

Al señor Moreno no le gusta el arroz

200

Pedro heeft kiespijn

A Pedro le duele la muela

201

de hoek

el rincón

202

gezellig

acogedor

203

het tafellaken

el mantel

204

de vaas

el jarrón

205

het vaasje

el jarroncito

206

de mozaïek

el mosaico

207

het dak, het plafond

el techo

208

de balk

la viga

209

vervoeging no sé

van het ww. kennen = saber
sé, sabes, sabe, sabemos, sabéis, saben

210

de gang, de schotel, het bord

el plato

211

het voorgerecht

los entremeses

212

de knoflooksoep

la sopa de ajo

213

de houten lepel

la cuchara de madera

214

eenvoudig

sencillo

215

bakken

fritura (afgeleid van freír)

216

voltooid deelwoord koken

cocido (van cocer)

217

de saus

la salsa

218

kabeljauw, schelvis

la merluza

219

kabeljauw (droog en zout)

el bacalao

220

de tong

el lenguado

221

stoofschotel van schaal- en schelpdieren

la zarzuela de mariscos

222

gebraden lamsvlees

el cordero asado

223

uitkiezen

elegir

224

opschrijven

tomar nota

225

een i tussen klinkers wordt?

y

226

werkwoorden op -ecer, -ucer, en -ocer krijgen bij de eerste persoon een

z toegevoegd
agradezco, conduzco, produzco, conozco

227

verlangen, begeren, zin hebben in

apetecer

228

heb je zin om naar het concert te gaan?

te apetece ir al concierto?

229

heb je zin om een aperitief te nemen?

Te apetece tomar un aperitivo?

230

dichtbij komen, eropaf gaan, nader komen

acercarse
se acerca el camarero

231

gastvrij, gezellig, vriendelijk

acogedor

232

Kunt u ons de kaart brengen, aub

Nos trae la carta, por favor?

233

Een tafel voor twee, aub

Una mesa para dos, por favor.

234

Ik ga de de ober vragen om de bestelling op te nemen

Voy a preguntar al camarero si quiere tomar nota

235

Hoe wordt het meewerkend voorwerp genoemd?

complemento indirecto, het objecto inderecto of de dativo genoemd

236

Hoe weet je dat het een meewerkend voorwerp is

Je stelt een vraag die begint met de woorden: ‘A quien’.

237

Wat zijn de vervangende woordjes bij meewerkend voorwerp

me, te, le (se)
nos, os
les (se)

238

Hoe wordt het lijdend voorwerp genoemd?

objeto directo, complemento directo of acusativo

239

Hoe weet je dat het een lijdend voorwerp is

door een vraag te stellen die begint met het woord ‘que’.

240

Wat zijn de vervangende woordjes bij lijdend voorwerp

me te
lo,la
nos os
los, las

241

men kan verdelen

se puede dividir

242

geroosterd

guisado

243

gebraden, gegrild

asado

244

bonen

judías

245

het varken

el cerdo

246

koken

hervir

247

varkensham gestoofd met erwten

lacón con grelos

248

geschikt

apropiado

249

de eerste ... de tiende

el primero, el segundo, tercero, cuarto, quinto, sexto, séptimo, octavo, noveno, décimo.

250

Welke rangtelwoorden verliezen de o en wanneer

Primero en Tercero verliezen de o voor het mannelijk zelfst. nw. dus: el primer piso en el tercer piso

251

bedanken

agradecer

252

naar smaak

a gusto

253

het schelpdier

la almeja

254

toevoegen

añadir

255

zin hebben

apetecer: no me apetece

256

kabeljauw

el bacalao

257

kloppen

batir

258

Catalaanse worst

la butifarra

259

warm maken

calentar

260

missen

carecer

261

gekookt

cocido

262

het lam

el cordero

263

het dienstmeisje

la criada

264

ontslaan

despedir

265

goudgeel

dorado

266

gooien

echar

267

het voorgerecht

los entremeses

268

het beeldhouwwerk

la escultura

269

eisen

exigir

270

bakken

freír

271

gebakken

frito

272

de kikkererwten

los garbanzos

273

uitnodigen

invitar a

274

de bonen

las judías

275

naast

junto a

276

varkensham gestoofd met kikkererwten

lacón con grelos

277

de grote garnaal

el langostino

278

langzaam

lento

279

het tafellaken

el mantel

280

de mossel

el mejillón

281

de memory stck

la memoria USB

282

soort kabeljauw, schelvis

la merluza

283

desondanks

no obstante

284

schillen

pelar

285

plaatsen

poner

286

de kom

el recipiente

287

ruzie maken, berispen

reñir

288

het schijfje

la rodaja

289

de braadpan, de koekenpan

la sartén

290

eenvoudig

sencillo

291

het naambord

el tablero

292

de grootte

el tamaño

293

het stuk

el trozo

294

het stukje

el trocito

295

aankleden

vestir

296

klaar!

¡ya está!

297

mix de geklopte eieren met de uien

mezcla usted los huevos batidos con las cebollas

298

ik neem de lift naar boven naar de vijfde verdieping

cojo el ascensor para subir al quinto piso