Diverse woorden H22 TM 26 Flashcards Preview

Spaans - LOI - beginners > Diverse woorden H22 TM 26 > Flashcards

Flashcards in Diverse woorden H22 TM 26 Deck (348):
1

de bedankbrief

la carta de agradecimiento

2

de burger

el ciudadano

3

de ruit

el cristal

4

in slaap vallen, zich verslapen

dormirse

5

het speelgoed

el juguete

6

de vroege ochtend

la madrugada

7

minderjarig

menor de edad

8

gehoorzamen

obedecer

9

uit de mode

pasado de moda

10

omkomen

perecer

11

de breuk

la rotura

12

de aardbeving

el terremoto

13

gooien

tirar

14

Hij zegt nooit wat

No dice nunca nada

15

Zonder iemand iets te zeggen

Sin decir nada a nadie

16

Het spijt me dat ik het gedaan heb

Siento haberlo hecho

17

de presento perfecto (he comprado) wordt vaak aangeven met

hoy, esta semana, este mes,
todavía no, hasta ahora etc

18

bij pretérito definido (yo compré) wordt vaak aangegeven met

ayer, el año pasado

19

Vorige week ontmoette ik mijn neef voor de eerste keer

La semana pasada me encontré con mi primo Vicor por primera vez

20

Ik heb met hem op een bijeenkomst gesproken

Hablé con él en una reunión

21

Vorig jaar was ik op vakantie in Alicante

El año pasado estuve de vacaciones en Alicante

22

Ik heb al verschillende keren mijn vrouw gebeld, maar zij is niet thuis

Ya he llamado varias veces a mi mujer, pero no está en casa

23

Ik ben in 1942 geboren in Madrid

Nací en Madrid en mil novecientos cuarenta y dos

24

vul aan
La semana pasada (ir/yo) al mercado
Hoy no (ir/yo) porque no me encontraba bien

fui
he ido

25

Ayer (ver/yo) una película muy buena

26

(comprar/tu) el periódico de hoy

Has comprado

27

El miércoles pasado no (jugar/yo) al fútbol, pero el miércoles que viene sí quiero ir

jugué

28

La semana pasada (hacer) mal tiempo, pero esta semana no (llover) hasta ahora

hizo
ha llovido

29

Hoy mi hermano (llegar) a tiempo, ayer yo (llegar) tarde

ha llegado
llegué

30

Ya (comer/tú)

has comido

31

Pardon, ik heb mij verslapen

Perdóneme usted. Me he dormido

32

Mijn moeder roept me altijd, maar vandaag heb ik haar niet gehoord

Mi madre siempre me despierta, pero hoy no la he oído llamar

33

Ik ben op de gewone tijd naar bed gegaan

Me acosté a la hora normal

34

Ja, meneer, u hebt gelijk. Bovendien heb ik vandaag ook nog de bus gemist

Sí, señor, tiene usted razón. Pero hoy, además perdí el autobús.

35

Het spijt me, maar de bus was te vroeg

Lo siento, pero el autobús ha llegado antes de la hora

36

men moet (algemene noodzaak) dan

hay que, zoals hay que circular, hay que comer

37

noodzakelijk zijn, persoonsgericht dan

tener, zoals tienes que comer en tengo que ir

38

verplicht zijn om, de morele verplichting hebben om dan

deber, zoals deben obedecer, debemos respetar

39

ik moet om acht uur weg
U moet de grammatica regelmatig herhalen
Iedereen moet belasting betalen
Bij het verlaten van het hotel moet u de rekening betalen

tener que

40

Men moet uitkijken in het verkeer
Men moet niet zingen aan tafel
Men moet niet voordringen
Men moet werken
Men moet de kaartjes vooruit bestellen

(no) hay que
(hay que is onpersoonlijk)

41

Ouders moeten voor hun kinderen zorgen

deber

42

Lieve grootvader, Hartelijk bedankt voor het vliegtuig dat je me hebt gestuurd

Querido abuelito, te agradezco mucho el aeroplano que me enviaste

43

Verdorie!

Caramba!

44

Wat is er?

Qué te pasa?

45

Ik haat het bedankbrieven te schrijven voor speelgoed dat ik al kapot gemaakt heb

Odio tener que escribir cartas de agradecimiento por juguetes que ya he roto

46

muy wordt gebruikt bij

bijvoeglijke naamwoorden: muy grande, muy alto, muy simpático
bijwoorden: muy mal, muy bien

47

mucho wordt gebruikt bij

veel bij werkwoorden (en is dan een bijwoord): me gusta mucho, trabaja mucho, vale mucho.
bij zelfst nw (en is dan een bijv. naamwoord): mucho frío, mucha agua, muchos coches

48

Sabe ......

mucho

49

Eso está ............. bien

muy

50

Ese tío habla

mucho

51

Estamos ....... contentos

muy

52

Es un chico ...........formal

muy

53

Trabaja ..... y ....... bien

mucho, muy

54

La fiesta es ...... divertida

muy

55

Este vestido está ......... pasado de moda

muy

56

Es un chico ........... aburrido

muy

57

Te quiero ...............

mucho

58

Me gusta la carne ............ hecha

muy

59

Lo encuentro .............. triste

muy

60

Ik vind het erg lekker. Ik vind het ook lekker
Ik vind het helemaal niet lekker. Ik vind het ook niet lekker

Me gusta mucho. A mí también me gusta.
No me gusta nada. A mí tampoco me gusta

61

Wanneer gebruik je sino?

Eenvoudig gezegd: je gebruikt "sino" als de tweede zin de eerste uitsluit. Je herkent zo'n vervangende tegenstelling meestal aan het feit dat de eerste zin een ontkenning bevat.

62

Hij kan een pestkop zijn, maar hij is heel sympathiek.

Puede estar un pesado, pero es muy simpático

63

Het theater is klein, maar het is er gezellig

El teatro es pequeña, pero hay ambiente.

64

Hij komt niet met de trein, maar met de bus

No viene en tren, sino en autobús.

65

Lydia geeft geen Engels, maar ze geeft Spaans

Lydia no enseña inglés, sino que enseña español.

66

Dat meisje is knap, maar ook intelligent.

Esa chica es guapa, pero también inteligente.

67

We willen niet naar Barcelona gaan, maar naar Madrid.

No queremos ir a Barcelona, sino a Madrid.

68

Snijd het bovenste deel van de ananas af

Corta la parte superior de la piña

69

Haal met een mes het vruchtvlees uit de ananas.

Con un cuchillo saca la pulpa de la piña

70

Snijd het in kleine stukjes en doe het in een schaal

Córtala en trozos pequeños y ponla en un recipiente

71

Schil de sinasappelen, de bananen, de meloen y papaya

Pela las naranjas, los plátanos, el melón y la papaya

72

Snijd de bananen

corta los plátanos

73

Doe al het fruit in de schaal bij de stukjes ananas

Echa todas las frutas en el recipiente con los trozos de piña

74

Voeg de suiker toe
Meng alle ingrediënten

Añade el azúcar
Mezcla bien todos los ingredientes

75

Doe de salade in de ananas.
Zet de ananas in de ijskast en laat haar daar gedurende twee uur

Pon la ensalada en la piña
Mete la piña en el frigorífico y déjala allí dos horas

76

De gebiedende wijs bij -ar en -er/-ir bij je/jij

-ar krijgt a (toma, paga, escucha, busca)
-er/-ir krijgt e (escribe, coge, abre, ofrece, traduce, lee)

77

Gebiedende wijs van:
cerrar
volver
pedir
servir

cierra
vuelva
pide
sirve

78

Gebiedende wijs van:
probar
corregir
calentar
elegir

prueba
corrige
calienta
elige

79

was je
stap op
schrijf mij

lávate
levántate
escríbeme

80

word wakker!

despiértate

81

help mij!

ayúdame

82

ga slapen!

acuéstate

83

haast je!

date prisa

84

zoek hem!

búscalo

85

bel haar op!

llámala

86

zeg het nog eens (= herhaal het)

repítelo

87

ga je gang (=bedien je)

sírvete

88

ga zitten!

siéntate

89

zet neer!

pon!

90

ga weg!

sal!

91

kom hier!

ven!

92

ga (van ir)
ga weg (irse)

ve!
vete! (wedekerig)

93

doe

haz!

94

van tener (alsjeblieft)

ten! (ten cuidado)

95

zeg!

di!

96

luister!

oye!

97

breng!

trae!

98

gebiedende wijs usted:
leer, tomar, esperar, hablar, eschuchar

lea, tome, espere, hable, escuche usted

99

De gebiedende wijs bij -ar en -er/-ir bij u

bij -a wordt het e -> pasar = pase usted
bij -i en -e wordt het a -> abrir = abra usted

100

gebiedende wijs usted:
dar, partir, vender, creer

dé, parta, venda, crea usted

101

usted (gebiedende wijs)
cerrar, mover, perder, volver, acostarse

cierre, mueva, pierda, vuelva, acuéstese

102

usted (gebiedende wijs)
despertarse, pedir, servir, probar, repetir

despiértese, pida, sirva, pruebe, repita

103

usted (gebiedende wijs)
zoek het!
pak het!
verbeter het
begint u!

búsquelo!
cójalo!
corríjalo!
empiece usted!

104

ik heb
alstublieft (hebt)

tengo,
tenga (usted) gebiedend

105

ik kom
komt u hier

vengo,
venga

106

ik ga weg
gaat u weg

salgo,
salga

107

ik zet neer
zet u neer

pongo
ponga

108

ik hoor.
luistert u

oigo
oiga

109

ik zeg
hallo/zegt u

digo
diga

110

ik breng
brengt u

traigo
traiga

111

ik doe
doet u

hago
haga

112

gebiedend jij / usted
(Volver) .... a las doce

Vuelve
Vuelva

113

gebiedend jij / usted
(Oír) .... esta canción

Oye
Oiga

114

gebiedend jij / usted
(Probar) .... estas croquetas

Prueba
Pruebe

115

gebiedend jij / usted
(Empezar) ..... a trabajar

empieza
empiece

116

gebiedend jij / usted
(Encender) .... el reproductor de cedés

Enciende
Encienda

117

gebiedend jij / usted
(Elegir) .... el mejor

Elige
Elija

118

gebiedend jij / usted
(Medir) .... la longitud

Mide
Mida

119

gebiedend jij / usted
(Repetir) .... esta frase

Repite
Repita

120

gebiedend jij / usted
(Seguir) .... este camino

Sigue
Siga

121

gebiedend jij / usted
(Distribuir) .... los periódicos

Distribuye
Distribuya

122

gebiedend jij / usted
(Venir) ..... temprano

Ven
Venga

123

gebiedend jij / usted
(Hacer) .... la comida

Haz
Haga

124

Qué se necesita para ....
barrer el suelo?

Para barrer el suelo se necesita una escoba

125

Qué se necesita para ....
peinarse?

Para peinarse se necesita un peine.

126

Qué se necesita para ....
lavar la ropa?

Para lavar la ropa se necesita una lavadora

127

Qué se necesita para ....
jugar al tenis?

Para jugar al tenis se necesita una raqueta

128

Qué se necesita para ....
secarse después de la ducha?

Para secarse después de la ducha se necesita una toalla

129

Qué se necesita para ....
bañarse en la playa?

Para bañarse en la playa se necesita un traje de baño

130

Wat is el grado positivo?

Zelfstnw + bijwoord zoals:
El árbol alto

131

Wat is de vergelijkende en vergrotende trap

el comparativo bijv:
tan: gelijkheid
más: vergrotend
menos: verkleinend

132

Deze boom is even groot als deze

Ese árbol es tan alto como éste.

133

Ik heb net zoveel cd's als jij

Tengo tantos cedés como tú

134

Deze boom is groter dan deze

Ese árbol es más alto que éste.

135

Deze boom is kleiner dan deze

Ese árbol es menos alto que éste

136

Dit boek is niet zo duur als dat

Este libro no cuesta tanto come aquel

137

Hetzelfde als ...

Lo mismo ..... que

138

Dezelfde als .....

el mismo .... que
la misma ..... que
los mismos ..... que
las mismas ..... que

139

Net als

igual que

140

Overtreffende trap

El superlativo (comparativo + bep lidw le la, los, las)

141

Dat is de hoogste boom

Ese árbol es el más alto
Es el árbol más alto

142

Dat is de kleinste boom

Ese árbol es el menos alto
Es el árbol menos alto

143

Minder dan
Meer dan

Menos que
Más que
Menos de & Más de bij telwoorden

144

Ik heb meer dan 100 cds
Ik heb minder dan drie boeken

Tengo más de cien cedés
Tengo menos de tres libros

145

Niet meer dan of slechts

No más QUE:
No tengo más que cien euros
No he comprado más que dos bolígrafos

146

Absoluut overtreffende trap

- ísimo of - muy

147

Die boom is vreselijk hoog

Ese árbol es altísimo
Ese árbol es muy alto

148

Dit probleem is erg simpel

Este problema es simplísimo

149

muy grande kan ook zijn:

grandísimo

150

Woorden bij Presente Perfecto

Hoy; Esta semana, Este mes, Todavía no,
Hasta ahora

151

Woorden bij Pretérito Definido

El año pasado ; ayer

152

EncontrarSE CON

La semana pasada me econtré con mi primo Victor por primera vez.

153

Dit jaar was ik op vakantie in Alicante

El año pasado estuve de vacaciones EN Alicante.

154

Pardon

Perdóneme usted

155

Men moet (alg noodzaak)

Hay que
Hay que comer para vivir

156

Je moet (noodzakelijk; persoonsgericht)

Tener que
Tengo que ir a clase

157

Men moet (verplicht zijn om, morele verplichting)

Deber
Los ciudadones deben cumplir las leyes

158

Zij kleedt zich aan

Ella se viste
(visto;vistes;viste;vestimos;vestís;visten)

159

Ik wend me tot de secretaresse

Yo me dirijo a la secretaria

160

Muy en Mucho verschil

Muy bij bijv. nw + bijw zoals:
Muy grande en Muy bien
Mucho bij ww + zelfstnw zoals:
Me gusta mucho en Mucha aqua, mucho frío

161

Sino wordt gebruikt bij?

het Tegenover zetten van twee dingen en als eerste deel ontkennend is

162

Ik heb geen 1 kind, maar twee

No tengo un hijo, sino dos

163

Ik heb geen groot huis, maar voor mij voldoende

No tengo una casa grande, pero para mí es bastante

164

Ik heet niet Pilar, maar zij

Yo no me llamo Pilar, sino ella

165

Deze pen is niet van mij, maar je mag hem gebruiken

Este bolígrafo no es mío, pero puedes usarlo

166

Verleden tijd querer

quise, quisiste, quiso, quisimos, quisisteis, quisieron
GEEN accent

167

Bij "j" zoals Traje, Dije, Produje bij ELLOS

"eron" ipv ieron

168

Verleden tijd Hacer

Hice!!
Hiciste, hizo, hicimos, hicisteis, hicieron

169

Verleden tijd Decir

Dije!!
Dijiste, dijo, dijimos, dijisteis, dijeron (dus niet dijieron)

170

Komen (TT+VT)

Venir:
Vengo - Vine
Vienes - Viniste
Viene - Vino
Venimos - Vinimos
Venís - Vinisteis
Vienen - Vinieron

171

Terugkeren (TT + VT)

Volver:
Vuelvo - Volví
Vuelves - Volviste
Vuelve - Volvió
Volvemos - Volvimos
Volvéis - Volvisteis
Vuelven - Volvieron

172

Zien (TT + VT)

Ver:
Veo - Vi
Ves - Viste
Ve - Vio
Vemos - Vimos
Veis - Visteis
Ven - Vieron

173

Wanneer pretérito indefindo

1. Een enkele keer in verleden (afgesloten)
2. Opvolgende handelingen (en toen, en toen)
3. Begin ve handeling in het verleden:
Empezó a llover; Tuve miedo; La mujer entró

174

Duitsland

Alemania
alemanes

175

Engeland

Inglaterra
ingleses

176

Italie

Italia
italianos

177

Zwitserland

Suiza
suizos

178

Portugal

Portugal
portugueses

179

Griekenland

Grecia
griegos

180

Frankrijk

Francia
franceses

181

Rusland

Rusia
rusos

182

Zweden

Suecia
suecos

183

Holland

Holanda
holandeses

184

Polen

Polonia
Polacos

185

Inferior y superior volgt altijd

a

186

wat ik het liefst wil

Lo que más quiero

187

waar ik het minst van houd

Lo que me gusta menos

188

Meestal begin ik om zeven uur te werken

La mayoría de los días empiezo a trabajar a las siete

189

Goed, beter, best

bueno, mejor, el/la mejor

190

Slecht, slechter, slechtste

malo, peor, el/la peor

191

Hoog, hoger/beter

Alto, más alto, el/la más alto
superior a, el/la superior

192

Laag, lager/minder

bajo, más bajo. El/la más bajo
inferior a; el/la inferior

193

Slechtste van de klas in gedrag en prestaties:

Es el más malo de la clase (gedrag)
Es el peor de la clase (prestaties)

194

De beste van de twee (gedrag en prestaties)

Es el más bueno de los dos (karakter)
Es el mejor de los dos (qua prestatie)

195

Deze appels zijn slechter dan die van gisteren

Estas manzanas son peores que las de ayer

196

Wie zoekt u

A quién busca usted?

197

Ik zie niemand

No veo a nadie

198

irse

vete!

199

Geef! dar (geef u vorm)

200

acostarse (u vorm gebiedend)

acuéstese

201

Doe het licht aan, alstublieft

Apague la luz por favor

202

hekwerk, tralies

la(s) reja(s)

203

allrisk verzekeren

asegurar a todo riesgo (niet a todos los riesgos)

204

vertraging

retraso

205

in beweging zetten

ponerse en marcha

206

de trein zette zich in beweging

el tren se puso en marcha

207

zij gaan zitten

se sientAn (niet se sienten)

208

wekker

el despertador

209

tegengestelde van sucio

limpio

210

Suecia

sueco

211

kapster

pelUqueRA

212

ambtenaar

funcionario

213

ik heb de text gecorrigeerd

he corregido el texto (niet he correcto)
corrijo el texto (presente)

214

tegenovergestelde llorar

reír

215

Wat deden we?

Qué hicimos (ipv hacimos!!)

216

ik serveer

sirvo (dus niet siervo)
(servir)

217

ontzettend veel

muchíSImos

218

tot nu toe

hasta ahora

219

advertentie

anuncio

220

iedereen

todo el mundo (niet alleen todo)

221

zojuist

acabo de -
yo acabo de llegar a Sevilla

222

om de 3 uur

cada tres horas
El niño tiene que beber algo cada tres horas

223

cada uno ipv cada unA

Cada unO tiene que saber lo que hace

224

Pardon, hoe laat komt bus 5 voor Chamartin?

A qué hora pasa el cinco para Chamartin, por favor?

225

Om 1 uur. Over tien minuten

A la una. Faltan diez minutos

226

Dan heb ik nog de tijd

Entonces me sobra tiempo

227

Hoe lang doet hij erover naar het station?
Ongeveer 20 minuten

Cuánto tiempo tarda en llegar a la estación?
Unos veinte minutos

228

nog lang duren, er lang over doen

tardar

229

nodig hebben, ontbreken

faltar

230

Over zijn

sobrar

231

welke woorden zelfde constructie als sobrar?

doler - me duelen las manos
gustar - no me gusta la comida
convenir - Esto no me conviene
parecer - El hotel me parece bien
sobrar - Me sobra tiempo

232

ik heb vijf euro over

me sobran 5 euros

233

De trein doet er 2,5 uur over

El tren tarda dos horas y media en llegar

234

Ik heb nog twee ballpoints nodig

Me faltan dos bolígrafos

235

Hoe lang duurt het voordat hij terug is

Cuánto tiempo tarda en volver?

236

Hij blijft niet lang weg

No tarda mucho

237

Duurt het nog lang? (voordat je komt/met wat je aan het doen bent/)

Tardas mucho?
(in Spaans is je het onderwerp en in het nederlands het)

238

stel niet uit tot morgen wat je vandaag nog kunt doen

No dejes para mañana lo que puedes hacer hoy

239

afzonderen

aislar

240

vegen

barrer

241

de lucifer

la cerilla

242

de bloempot

la maceta

243

de ananas

la piña

244

het hek, de tralies

la reja

245

vragen, verzoeken, smeken

rogar

246

over zijn

sobrar

247

de woning

la vivienda

248

we zijn zo terug

no tardamos mucho

249

Geef je mij het boek?
Ja, ik geef het je

Me das el libro?
Sí te lo doy

250

Mag ik je fohn lenen? (Leen je mij je fohn)
Ja, ik leen hem je

Me dejas el secador?
Sí, te lo dejo

251

Koop je het tijdschrift voor me?
Ja, ik koop het voor je

Me compras la revista?
Sí, te la compro

252

Was je de auto voor mij?
Ja, ik was hem voor je

Me lavas el coche?
Sí, te lo lavo

253

meewerkend voorwerp in:
me das el libro

complemento indirecto:
me

254

lijdend voorwerp in
me das el libro

complemento directo:
el libro

255

De volgorde van complemento indirecto en directo is

Eerst het complemento indirecto (me, te enz.) en dan complemento directo (lijdend), zoals lo (van el secador)
Deze volgorde ligt vast!!!

256

Bij onbepaalde wijs (hele werkwoord) of gebiedende wijs (bevestigend) staat het voornaamwoord?

onmiddelijk achter de ww vorm:
no quiere darlo
dime la verdad

257

hij wil het niet geven

no quiere darlo

258

zeg me de waarheid

dime la verdad!

259

Hij wil mij het boek geven. Hij wil het mij geven

Quiere darme el libro. Quiere dármelo.

260

Zeg mij het adres. Zeg het mij (jij)

Dime las señas! Dímelas!

261

Geef ons het tijdschrift. Geef het ons! n(jij)

Danos la revista! Dánosla!

262

Verkoop ons de auto! Verkoop hem ons (u)

Véndanos el coche! Véndanoslo!

263

Puedo daros los libros

Puedo dároslos

264

Quiero preguntaros las señas

Quiero preguntároslas

265

Quiere limpiarnos los cubos

Quiere limpiárnoslos

266

Quiero lavaros los pantalones

Quiero lavároslos

267

Puede hacernos los jugos

Puede hacérnoslos

268

Quiere presentarnos a los amigos

Quiere presentárnoslos

269

Quiere enseñarnos las fotos

Quiere enseñárnoslas

270

Dame la lista de compras

Dámela

271

Abreme la lata

Ábremela

272

Léame la postal

Léamela

273

Cómpreme los libros

Cómpremelos

274

Dígame la verdad

Dígamela

275

Láveme los platos

Lávemelos

276

Arrégleme los coches

Arréglemelos

277

Páseme la sal

Pásemela

278

Escríbame las señas

Escríbamelas

279

gebiedend ustedes:
pagar

paguen ustedes

280

gebiedend ustedes:
coger

cojan ustedes

281

gebiedend ustedes:
buscar

busquen ustedes

282

gebiedend ustedes:
abrir

abran ustedes

283

gebiedend ustedes:
ofrecer

ofrezcan ustedes

284

gebiedend ustedes:
traducir

traduzcan ustedes

285

gebiedend ustedes:
volver

vuelvan ustedes

286

gebiedend ustedes:
pedir

pidan ustedes

287

gebiedend ustedes:
corregir

corrijan ustedes

288

gebiedend ustedes:
calentar

calienten ustedes

289

Hoe ga ik naar de ..... straat?

Por dónde voy a la calle?

290

gaat u steeds rechtdoor

vaya todo seguido, recto

291

loop deze straat uit tot ...

siga por esta calle hasta ....

292

steek het plein over

cruce la plaza

293

neemt u de eerste straat rechts

métase por la primera calle a la derecha

294

linksaf/rechtsaf slaan

doblar a la izquierda/a la derecha

295

Waar moet ik oversteken?

Por dónde cruzo?

296

Aan de rechterkant gaan staan

Ponerse a la derecha

297

rechtsaf slaan

meterse por la derecha

298

houdt u rechts aan

póngase a la derecha

299

zet in jullie vorm
Wassen jullie je

lavaos

300

zet in jullie vorm
kleden jullie je aan

vestíos

301

zet in jullie vorm
trekken jullie je schoenen aan

poneos los zapatos

302

bij wederkerende ww in gebiedende wijs vervalt bij "jullie"de

d
lavaos, vestíos, poneos

303

zet in jullie vorm
Pasa por Madrid

pasad

304

zet in jullie vorm
Levántate temprano

Levantaos temprano

305

zet in jullie vorm
Ve al mercado

Id al mercado

306

zet in jullie vorm
Cruza la plaza

cruzad

307

zet in jullie vorm
Sube la escalera

Subid la escalera

308

zet in jullie vorm
Haz el ejercicio

Haced el ejercicio

309

zet in jullie vorm
Pon los verbos en imperativo

Poned

310

zet in jullie vorm
Tráeme el plato por favor

Traedme el plato, por favor

311

Zet in u-vorm meervoud
Pasa por Madrid

Pasen ustedes

312

Zet in u-vorm meervoud
levántate temprano

Levántense temprano

313

Zet in u-vorm meervoud
Ve al mercado

Vayan ustedes al mercado

314

Zet in u-vorm meervoud
Cruza la plaza

Crucen la plaza

315

Zet in u-vorm meervoud
Sube la escalera

Suban (ustedes)

316

Zet in u-vorm meervoud
Haz el ejercicio

Hagan (ustedes)

317

Zet in u-vorm meervoud
Pon los verbos en imperativo

Pongan (ustedes)

318

Zet in u-vorm meervoud
Tráeme el plato por favor

Traíganme el plato, por favor

319

Beantwoord ontkennend
Me dejas el coche?

No, no te lo dejo.

320

Beantwoord ontkennend
Quieres explicarme la lección?

No, no quiero explicártela

321

Beantwoord ontkennend
Puedes comprar aquellas revistas?

No, no puedo comprarlas

322

Beantwoord ontkennend
Me preparas la comida?

No, no te la preparo

323

Beantwoord ontkennend
Quieres buscarme las llaves?

No, no quiero buscártelas

324

Beantwoord ontkennend
Te has cortado el pelo?

No, no me lo he cortado

325

Beantwoord ontkennend
Os habéis comprado el Blu-Ray?

No, no nos lo hemos comprado

326

Beantwoord ontkennend
Te has quitado las botas?

No, no me las he quitado

327

De weg vragen bijv

Perdón, puede decirme cómo voy a la Casa Museo de El Greco?

328

opslaan

almacenar

329

verhandelen

comercializar

330

downloaden

descargar

331

Het gedownloade document

La descarga

332

Het apparaat

El dispositivo

333

het formaat

el formato

334

het muziekbestand

El fichero musical

335

Surfen op het internet

Navegar por internet

336

De touch screen

La pantalla táctil

337

draagbaar

portátil

338

afspelen

reproducir

339

Hij koopt bloemen voor Maite. Hij koopt ze voor haar.

Le compra flores a Maite. Se las compra

340

Hij rekent voor haar de onkosten uit. Hij rekent ze voor haar uit.

Le calcula a ella los gastos. Se los calcula.

341

Hij geeft hun het geld. Hij geeft het hun.

Les da a ellos el dinero. Se lo da.

342

Het nieuwsbulletin

el boletín de noticias

343

typen

escribir en un teclado

344

de zaklantaarn

la linterna

345

de rugzak

la mochila

346

het zakmes

la navaja

347

de slaapzak

el saco de dormir

348

de tent

la tienda de campaña