Diverse woorden H17 TM H21 Flashcards Preview

Spaans - LOI - beginners > Diverse woorden H17 TM H21 > Flashcards

Flashcards in Diverse woorden H17 TM H21 Deck (239):
1

de zonnebrandolie
de zonnebrandcreme

el aceite bronceador
la crema bronceadora

2

de zitplaats

el asiento

3

schrikken

asustarse

4

het glas, de ruit

el cristal

5

de emmer

el cubo

6

de bergtop

la cumbre

7

zich vermaken

distraerse

8

zijn jas aantrekken

ponerse el abrigo

9

Onregelmatige werkwoorden zinnetjes in voltooid deelw..
-ir

He abierto la ventana (abrir)
El cielo está cubierto (cubrir)
No he dicho nada (decir)
He escrito una postal (escribir)
Juan ha muerto (morir)

10

Onregelmatige werkwoorden zinnetjes in voltooid deelw
-er

Quién lo ha hecho (hacer)
No he puesto la radio (poner)
Han roto el cristal (romper)
No he visto la película (ver)
No han vuelto todavía (volver)

11

voltooid deelw van:
openen, afdekken, zeggen, schrijven

abierto, cubierto, dicho, escrito

12

voltooid deelw van
maken, sterven, zetten, breken, zien, (terug)keren

hecho, muerto, puesto, roto, visto, vuelto

13

er is iemand gestorven

ha muerto alguien

14

er is geen trein aangekomen

no ha llegado ningún tren.

15

Vanmorgen heeft er iemand gezegd dat het niet waar is

esta mañana ha dicho alguien que no es verdad

16

Het raam staat open
Ik heb het raam geopend

La ventana está abierta
He abierto la ventana

17

De mand is gevuld
Ik heb de mand gevuld

La cesta está llena
He llenado la cesta

18

De glazen zijn afgewassen
Ik heb de glazen afgewassen

Los vasos están lavados
He lavado los vasos

19

Het bed is opgemaakt
Ik heb het al gedaan

La cama está hecha
Lo he hecho ya

20

De tafel is gedekt
Ana heeft de radio aangezet

La mesa está puesta
Ana ha puesto la radio

21

Het bord is gebroken
De kinderen hebben de ruit gebroken

El plato está roto
Los niños han roto el cristal

22

Een voltooid deelwoord vervoegt met
estar en haber?

estar is een toestand en voltooid deelw. vervoegd zich naar het onderwerp
haber is een handeling, een actie, Volt. deelw is onveranderlijk.

23

Licht bewolkt

Nubloso

24

Mist

Niebla

25

Nevel

Neblina

26

Onbewolkte lucht

Cielo despejado

27

Mijn vader is sterker dan die van jou

Mi padre es más fuerte que el tuyo

28

Vergelijkende trappen zijn

el grado positivo (normaal: zoals el árbol alto)
el comparativo (vergrotend, verkleinend, meer)

29

Die boom is even groot als deze

Ese árbol es tan alto como éste.

30

Ik heb evenveel cd's als jij

Tengo tantos cedés como tú

31

Die boom is groter dan deze

Ese árbol es más alto que éste.

32

Die boom is kleiner dan deze

Ese árbol es menos alto que éste

33

Hetzelfde als ....

Lo mismo ..... que

34

Dezelfde als ....

el mismo
la misma
los mismos
las mismas

35

Net als ....

Igual que ....

36

Overtreffende trap in het spaans

El superlativo en wordt gevormd door de comparativo + het bepaald lidwoord, el, la, los, las

37

Dat is de hoogste boom

ese árbol es el más alto
es el árbol más alto

38

Dat is de kleinste boom

ese árbol es el menos alto
es el árbol menos alto

39

Minder dan
Meer dan

menos que
más que
In combinatie met telwoord wordt que de

40

Ik heb meer dan tien cd's
Ik heb minder dan drie boeken

Tengo más de cien cedés
Tengo menos de tres libros

41

Niet meer dan
Slechts

no más que

42

Ik heb niet meer dan / slechts 100 euros

No tengo más que cien euros

43

Ik heb niet meer dan twee pennen gekocht

No he comprado más que dos bolígrafos

44

De absoluut overtreffende trap gaat gepaard met de woordjes

-ísimo en muy

45

Die boom is vreselijk hoog

ese árbol es altísimo
ese árbol es muy alto

46

Dit probleem is ontzettend eenvoudig

Este problema es símplísimo

47

de ring

el anilo

48

het onderwerp

el asunto

49

naaien

coser

50

de ontspanning

la diversión

51

ouder

mayor

52

jonger

menor

53

even .... als

tan ..... como

54

evenveel .... als

tanto ..... como

55

de grap

la broma

56

verspreiden

difundir

57

suiker in de koffie doen

echar azúcar en el café

58

de tweeling

los gemelos, las gemelas

59

onschuldig

inocente

60

de zienswijze

el modo de ver

61

de gelegenheid

la oportunidad

62

de muis

el ratón

63

oprapen

recoger

64

de plaats

el sitio

65

zakken (voor een examen)

suspender

66

aanbellen

tocar el timbre

67

Prettige Kerstdagen

Feliz Navidad

68

Vrolijk Pasen

Felices Pascuas

69

Gelukkig Nieuwjaar

Feliz Año Nuevo

70

Voorspoedig Nieuwjaar

Próspero Año Nuevo

71

Ik heb lekker gegeten

he comido bien

72

het vuilnis

la basura

73

schade, pijn

el daño

74

sinds

desde hace

75

uitsteken boven

destacar

76

vinden

hallar

77

de prijs

el galardón

78

verdienen (moreel)

merecer

79

de herinnering, het souvenir

el recuerdo

80

wij zijn met twee personen

somos dos personas (dus niet somos de dos personas!!)

81

we willen 8 dagen blijven

queremos quedarnos ocho días

82

de luxe kamer

la habitacion de lujo
(dus niet la habitacion lujo)

83

het nummer van mijn credit card

el número de mi tarjeta crédito

84

Het is ook een goed idee

También es una buena idea (dus niet está una buena idea)

85

Wij houden ervan onze vakantie in Spanje door te brengen

Nos gusta pasar las vacaciones en España.

86

Alle activiteiten interesseren ons

Nos interesaN todos las actividades.
(dus niet nos interesa ivm las ....)

87

Pablo heeft het meest gewerkt

Pablo ha trabajado más

88

Wat ik het liefste wil

Lo que más quiero

89

Waar ik het minst van houd

Lo que me gusta menos

90

Het minst wat men kan doen.
Het minst wat er gedaan kan worden

Lo menos que se puede hacer

91

Het belangrijkste is hard te werken

Lo más importante es trabajar mucho

92

Meestal begin ik om zeven uur te werken

La mayoría de los días empiezo a trabajar a las siete

93

kleiner / het kleinst
minder / het minst

más pequeño(a) - el/la más pequeño(a)
menor - el/la menor

94

groter
het grootst

más grande / mayor
el/la más grande - el/la mayor

95

hoog (goed):

alto

96

hoger
beter

más alto
superior

97

het hoogst
het best

el/la más alto/a
el/la superior

98

lager
minder

más bajo
inferior

99

het laagst
het minst

el/la más bajo/a
el/la inferior

100

Een minder belangrijk onderwerp

Un asunto de menor importancia

101

Het kleinste huis

La casa más pequeña

102

Deze wijn is minder van kwaliteit dan die

Este vino es inferior a aquel

103

Dit is een betere kwaliteit dan die

Esta calidad es superior a aquella

104

Jan is de oudste

Juan es el mayor

105

Ana is de jongste

Ana es la menor

106

Het is het hoogste gebouw van de stad

Es el edificio más alto de ciudad

107

Dolores is ouder dan Pablo

Dolores es mayor que Pablo

108

mayor, menor, peor, inferior, superior kennen geen

vrouwelijke vorm

109

mayor en menor worden vaak gebruikt bij

vergelijking van leeftijd

110

inferior en superior worden gevolgd door

het voorzetsel a

111

Wat gaat er vaak fout bij "groter dan" of "ouder dan"

más mayor
(IS DUS FOUT)

112

Hij is de slechtste van de klas (in gedrag)

Es el más malo de la clase

113

Hij is de slechtste van de klas (qua prestaties)

Es el peor de la clase

114

Hij is de beste van de twee (qua karakter)

Es el más bueno de los dos.

115

Hij is de beste van de twee (qua prestaties)

Es el mejor de los dos

116

De langste jongen
Het kleinste meisje

el chico más alto
la chica más baja

117

Madrid is de grootste stad van Spanje

Madrid es la ciudad más grande de España

118

Wie is de magerste jongen?

Quién es el chico más flaco?

119

Extremadura is een van de dunst bevolkte streken in Spanje

Extremadura es una de las regiones menos poblades en España

120

Wie is de jongste??

Quién es el/la menor?

121

Daar verkopen ze de goedkoopste schoenen

Allí venden los zapatos más baratos

122

Tu bicicleta es (bueno) ..... que la mía

es mejor que

123

El examen de Pedro es (malo) ...... que el tuyo

es peor que

124

Este libro es (viejo) .... que aquello

es más viejo que

125

Estas manzanas son (malo) .... que las de ayer

son peores que

126

Esta calidad es (bajo) .... a aquella

es inferior que

127

Wie zoekt u?

A quién busca usted?

128

Ik zie niemand

no veo a nadie

129

Ken je iemand met blond haar?

Conoces a alguien con el pelo rubio?

130

Heb je Eva gezien?
Nee, ik heb haar niet gezien

Has visto a Eva?
No, no la he visto

131

Ken je de broer van Paco

Conoces al hermano de Paco?

132

Ik zoek iemand van 20 jaar

Busco a alguien de veinte años

133

Heb je mijn boek gevonden

Has encontrado mi libro?

134

Heb je mijn moeder ook uitgenodigd?

Has invitado también a mi madre?

135

Wie heb je uitgenodigd?

A quién has invitado?

136

worst (alg)

embutido

137

Ik heb een boek gekocht, maar het is niet aangekomen

He comprado un libro, pero no ha llegado

138

Ik heb heel veel cd's

Tengo muchísimos cedés

139

Ik heb een wekker gekocht en nu heb ik er twee

He comprado un despertador y ahora tengo dos

140

Ik heb nog drie flesjes bier en ik heb er al twee gedronken

Tengo todavía tres botellas de cerveza y ya he tomado dos

141

ik heb geen tijd

no tengo tiempo

142

ik heb al gegeten

ya he comido

143

de trein is nog niet aangekomen

El tren no ha llegado todavía

144

ik heb mijn vriend vanmorgen gezien

Esta mañana he visto a mi amigo

145

Ik heb drie broers en twee zusjes

Tengo tres hermanos y dos hermanas

146

zich wenden tot

recurrir

147

opdat

para que

148

de moeilijke situatie

el atolladero

149

het (spot) licht

el foco

150

overwinnen

vencer

151

zich confronteren met

enfrentarse con

152

vlug, behendig

ágil

153

zwemmen (het)

la natación

154

risico's nemen

arriesgarse

155

de angst

el temor

156

verlammen

paralizar

157

strijdlustig

combativo

158

uitdagen

desafiar

159

de overigen

los demás

160

Weet u of het hier veel regent in deze maand

Sabe usted si normalmente llueve mucho en este mes

161

Wat is normaal de temperatuur hier

Cuál es la temperatura normalmente aquí

162

Hebben jullie wel eens sneeuw in de winter gezien

Habéis visto algunas veces nieve en invierno?

163

Wat is de temperatuur van het water?

Cuál es la temperatura del agua? - of -
Qué temperatura tiene el agua?

164

Wat is de temperatuur vandaag?

Qué temperatura hace hoy?
Qué tiempo hace hoy?

165

In de zomer, winter enz.

en verano, en invierno enz.
dus NIET "en EL verano"

166

Na de hitte volgt de regen?

Después del calor viene la lluvia?

167

Mijn vriendin gaat duiken, kun jij ook duiken?

Mi amiga va a tirarse de cabeza, puedes tirarte de cabeza también?

168

Ik ga morgen naar de kapper

Mañana voy a la peluquería

169

Ik ga volgend jaar een reis naar Zuid-Amerika maken

El año que viene voy a hacer un viaje a Latinoamérica

170

Ik ga vanmiddag uit

Esta tarde voy a salir

171

Ik ga vanavond uit eten

Esta noche voy a comer fuera

172

Ik ga een cursus Spaans volgen

Voy a seguir un curso de español

173

Ik ga volgende week werken

La semana que viene voy a trabajar

174

Ik ga deze zomer naar Spanje

Este verano voy a España

175

ik ga alleen

voy solo

176

Ik ga Spaanse gewoontes bestuderen

Voy a estudiar las costumbres españolas

177

Wij gaan naar het zwembad, ga je mee?

Vamos a la piscina, ¿vienes con nosotros?

178

Waarom kom je niet een keer (een dag)

¿Porqué no vienes un día?

179

Ober, kunt u mij de rekening brengen?

Camarero, ¿puede traerme la cuenta por favor?

180

Ik breng hem zo (meteen)

La traigo en seguida

181

Ik breng eerst deze tortilla bij die tafel daar

Primero llevo esta tortilla a aquella mesa

182

Kun je voor mij een paar tijdschriften meebrengen?

¿Puedes traerme unas revistas?

183

Ik kan er een paar voor je meenemen

Puedo traerte algunas

184

Als je naar de boekwinkel gaat, kun je dan een krant voor mij meebrengen

Si vas a librería, ¿puedes traerme un periódico?

185

Ga je met mij een nieuwe pantalon kopen?

¿Vienes conmigo a comprar un pantalón nuevo?

186

Ga je a.s. vrijdag met mij eten

¿Vienes a comer conmigo el viernes que viene?

187

`Wil je aan Luis vragen of hij ook meegaat?

¿Quieres preguntarle a Luis si va con nosotros?

188

Wil je ook je zusje meenemen?

¿Quieres llevar también a tu hermana?

189

Gisteren ging ik een goede vriend bezoeken, arriveerde bij zijn huis, belde aan, en niemand deed open

Ayer visité a un amigo mío, llegué a su casa, toqué el timbre y nadie abrió la puerta.

190

Ik hoorde lawaai binnen en ik schrok

Oí ruido dentro de la casa y me asusté

191

Ik waarschuwde de buurman, die een sleutel heeft van het huis en samen gingen we naar binnen

Advertí al vecino, que tiene llave y entramos los dos en la casa

192

Ik keek rond, maar zag niets verdachts

Miré y no via nada sospechoso

193

Het bleek dat de kat van de buurman een muis had gezien

Resultó que el gato del vecino había visto un ráton

194

Wonder

Maravilla

195

Ondertussen, gedurende, intussen

mientras

196

Willekeurig

cualquier

197

Alles, wat dan ook

cualquier cosa

198

ergens heen

a cualquier parte

199

in elk geval
in ieder geval
op elk moment
tegen elke prijs
ergens

de cualquier manera
de cualquier modo
en cualquier momento
a cualquier precio
en cualquier sitio

200

touw, snoer

la cuerda

201

haten, een hekel hebben aan

odiar

202

papieren zakdoekjes

pañuelos de papel

203

(het is) vijf jaar geleden
sinds enkele maanden

hace cinco años
desde hace algunos meses

204

Zij kwamen drie uren geleden aan

Llegaron hace tres horas

205

Antwoord met sí en vervang met voornaamwoord:
Escribió usted la carta?

Sí, la escribí

206

Perdío usted el cheque?

Sí, lo perdí

207

Vieron ustedes el choche?

Sí, lo vimos

208

Econtraste la carta?

Sí, la encontré

209

Leísteis el periódico?

Sí, lo leímos

210

Vío usted el accidente?

Sí, lo vi

211

Waarom beviel het je niet?

Por qué no te gustó?

212

Waarom zei je het me niet eerder?

Por qué no me lo dijiste antes?

213

Waarom belde je mij maar een keer?

Por qué me llamaste solamente una vez?

214

Hoeveel betaalde je?

Cuánto pagaste?

215

Bracht je souvenirs mee?

Trajiste recuerdos?

216

Groentewinkel
Groenteboer

Una verdulería
el verdulero

217

Bakkerij
Bakker

Una panadería
el panadero

218

Slagerij
Slager

Una carnicería
el carnicero

219

Schoenwinkel
Schoenverkoper

Una zapatería
el zapatero

220

Juwelierszaak
Juwelier

Una joyería
el joyero

221

Duitsland - duitsers

Alemania - alemanes

222

Engeland - engelsen

Inglaterra - ingleses

223

Italie - italianen

Italia - italianos

224

Zwitserland - zwitser

Suiza - suizos

225

Portugal - portugezen

Portugal - portugueses

226

Belgie - belgen

Bélgica - belgas

227

Griekenland - grieken

Grecia - griegos

228

Frankrijk - fransen

Francia - franceses

229

Rusland - russen

Rusia - rusos

230

Zweden, zweden

Suecia - suecos

231

Holland - hollanders

Holanda - holandeses

232

Polen - polen

Polonia - polacos

233

het vuilnis

la basura

234

schade, pijn

el daño

235

sinds

desde hace

236

uitsteken boven

destacar

237

vinden

hallar

238

de prijs

el galardón

239

de herinnering, het souvenir

el recuerdo