MMO 7: Weer en klimaat Flashcards Preview

Spaans - LOI - beginners > MMO 7: Weer en klimaat > Flashcards

Flashcards in MMO 7: Weer en klimaat Deck (123):
1

de gelaatskleur, tint

la tez

2

bleek gezicht

la tez/cara pálida

3

pas iets gedaan hebben

acabar de hacer algo

4

pas aangekomen zijn

acabar de llegar

5

je bent pas aangekomen

acabas de llegar

6

geluk hebben

tener suerte

7

het is mooi weer

hace un tiempo estupendo

8

het was mooi weer

hizo un tiempo estupendo

9

het weerbericht

la predicción del tiempo

10

de regen

la lluvia

11

uitzonderlijk, buitengewoon

excepcional, extraordinario

12

betrouwbaar

fiable, de fiar

13

voorbereid zijn op, verwachten

predecir

14

vaak

a menudo

15

soms

a veces

16

meer dagen regen achtereen

varios días seguidos lloviendo

17

het is hier 30 graden

aquí hace 30 grados

18

de sneeuw

la nieve

19

sneeuwen

nevar

20

het sneeuwt

nieva

21

de herfst

el otoño

22

de lente

la primavera

23

de winter

el invierno

24

de zomer

el verano

25

de storm

la tormenta

26

het kan er flink stormen

puede haber fuertes tormentas

27

de mug

el mosquito

28

de wesp

la avispa

29

er zijn veel muggen

hay muchos mosquitos

30

er zijn er veel

hay muchos

31

er zijn er niet veel

no hay muchos

32

januari

enero

33

februari

febrero

34

maart

marzo

35

april

abril

36

mei

mayo

37

juni

junio

38

juli

julio

39

augustus

agosto

40

september

septiembre

41

oktober

octubre

42

november

noviembre

43

december

diciembre

44

in april

en abril

45

skiën

esquiar

46

een buitenlander

un extranjero

47

de berg

la montaña

48

bergbeklimmen

hacer alpinismo

49

de helling (berg)

la pendiente (montaña)

50

steil

empinado

51

waterskiën

hacer esquí acuático

52

de droogte

la sequía

53

een regendruppel

una gota de lluvia

54

de rivier

el río

55

het meer

el lago

56

opdrogen, verdrogen, droog worden

secarse

57

op rantsoen stellen

racionar

58

een overstroming

una inundación

59

geruststellen

tranquilizar

60

de afwatering

el desagüe

61

ervandoor gaan

marcharse

62

hij moet er vandoor

tiene que marcharse

63

ik ga er vandoor

me marcho

64

het zwembad

la piscina

65

aangeven

indicar

66

een uithangbord

un letrero

67

buiten

fuera

68

het is koud buiten

fuera hace frío

69

het is warm buiten

fuera hace calor

70

het is zó koud

hace tanto frió

71

het is zó warm buiten

fuera hace tanto calor

72

het is nu al 30 graden

ahora ya hace 30 grados

73

het is minstens 35 graden!

hace por lo menos 35 grados

74

een hittegolf

una ola de calor

75

de hitte

el calor

76

duren

durar

77

de hittegolf duurt al 6 dagen

la ola de calor dura 6 días

78

het onweer

la tormenta

79

horen

oír

80

de mist, nevel

la niebla

81

de mistbank

el banco de niebla

82

leuk, grappig

bonito, gracioso

83

de heuvel

la colina

84

soms

a veces

85

wakker worden

despertarse

86

het is heel zonnig

hace mucho sol

87

omlaag gaan, naar beneden gaan

bajar

88

een dikke deken van mist

una capa espesa de niebla

89

daar houd ik niet zo van

no me gusta nada

90

dat gebeurt niet zo vaak

esto no ocurre muchas veces

91

de lucht

el cielo

92

de wolk

la nube

93

bewolkt

cubierto, nublado

94

het trekt dicht

el cielo se cubre

95

onbewolkt

despejado

96

halfbewolkt, licht bewolkt

ligeramente cubierto

97

een licht bewolkte lucht

un cielo ligeramente cubierto

98

opklaringen

claros

99

de regen

la lluvia

100

regenen

llover

101

het regent

llueve

102

het gaat regenen

va a llover

103

een plensbui, een stortbui

un chaparrón

104

hier en daar, af en toe buien

lluvias dispersas

105

de motregen

la llovizna

106

lichte regen

lloviznar

107

de wind

el viento

108

het waait

hace viento

109

zwakke tot matige wind

viento suave a moderado

110

landwind

viento de tierra

111

zeewind

viento del mar

112

slechter worden

empeorar

113

het weer wordt slechter

el tiempo empeora

114

men voorspelt zeer slecht weer

se predice muy mal tiempo

115

uittrekken, losrukken

arrancar, derribar

116

de bomen waren losgerukt door de wind

el viento arrancó/derribó los árboles

117

vallen

caer

118

de schade

el daño

119

zwemmen

nadar

120

duiken

tirarse de cabeza

121

een duiker

un buceador

122

een duikplank

un trampolín

123

winnen

ganar