Diverse woorden H1 TM 9 Flashcards Preview

Spaans - LOI - beginners > Diverse woorden H1 TM 9 > Flashcards

Flashcards in Diverse woorden H1 TM 9 Deck (281):
1

reiziger

viajante

2

schoenpoetser

límpiabotas

3

postbode

cartero

4

metselaar

albañil

5

kapster

peluquera

6

naaister

modista

7

zo

tal

8

accentteken

acento agudo

9

brandweerman

bombero

10

timmerman

carpintero

11

koerier

mensajero

12

ñ = een?

= een tilde

13

gefeliciteerd

enhorabuena

14

wedstrijd, quiz

un concurso

15

breed

ancho

16

vruchtbaar

fértil

17

moe

cansado

18

verliefd

enamorado

19

in bed liggen

estar en la cama

20

het scherm

la pantalla

21

de tekening

el dibujo

22

de blouse

la blusa

23

het huis is geschilderd

la casa está pintada

24

een leeuw is een wild dier

el león es un animal feroz

25

op dit ogenblik is hij razend

En este momento está furioso

26

De leeuw zit in de kooi

El león está en la jaula.

27

Het raam is wit
Het raam is gesloten

La ventana es blanca
La ventana está cerrada.

28

de printer is dicht bij de deur

La impresora está cerca de la puerta

29

staan

estar de pie

30

zitten

estar sentado

31

liggen

estar echado

32

De vrouw staat

la mujer está de pie

33

de vrouw zit

La mujer está sentada

34

de jongen ligt

El niño está echado

35

in de rouw zijn

estar de luto

36

op doorreis zijn

estar de paso

37

op het punt staan ...

estar para

38

hij staat op het punt te vertrekken

está para salir

39

werkloos zijn

estar en el paro

40

ik loop door de straat

voy por la calle

41

eetkamer eethoek

el comedor

42

(wandel) gang

el pasillo

43

wc

el lavabo

44

de buurvrouw

la vecina

45

het deel

la parte

46

het is geschilderd

está pintada

47

de eerste etage

el primer piso

48

blij vrolijk

alegre

49

bitter

amargo

50

de kast

el armario

51

dicht, gesloten

cerrado

52

gerieflijk

cómodo

53

prettig met u kennis te maken

encantado de conocerle - man tot man
encantada de conocerle -vrouw gezegd tot een man
encantado de conocerla - man tot vrouw
encantada de conocerla - vrouw tot vrouw

54

een dutje doen

estar tumbado

55

het ligt een paar kilometer hier vandaan

está a unos kilómetros de aquí

56

de put

el pozo

57

hoe was de reis?

Qué tal el viaje?

58

nog

todavía

59

Leert u deze woorden

Aprenda usted estas palabras

60

windroos

rosa de los vientos

61

de vier windstreken

los cuatro rumbos

62

N= Noord
O = West
E = Oost
S = Zuid

Norte
Oeste
Este
Sur

63

het ding

la cosa

64

pakken, nemen

coger

65

het boodschappenkarretje

el carrito

66

na

después de

67

de kassa

la caja

68

de prijs

el precio

69

en / plus (rekenen)

más

70

min (rekenen)

menos

71

gedeeld door (rekenen)

dividido por

72

maal / keer (rekenen)

por

73

optellen

a sumar

74

aftrekken

a substraer, restar

75

delen

a dividir

76

vermenigvuldigen

a multiplicar

77

27 + 3 = 30

veintisiete más tres SON treinta -
veintisiete más tres (ES) IGUAL A treinta

78

87 - 25 = 62

ochenta y siete menos veinticinco son sesenta y dos
ochenta y siete menos veinticinco (es) igual a sesenta y dos

79

72 : 8 = 9

setenta y dos dividido por ocho son neuve
setenta y dos dividido por ocho (es) igual a neuve

80

4 x 10 = 40

cuatro (multiplicado) por diez son cuarenta
cuatro (multiplicado) por diez (es) igual a cuarenta

81

een liter

un litro

82

een halve liter

medio litro

83

3/4 liter

tres cuartos de litro

84

een dozijn

una docena

85

1/2 dozijn

media docena

86

een kilo

un kilo

87

een pond

medio kilo

88

1/2 pond

un cuarto de kilo

89

1,5 pond

tres cuartos de kilo

90

1 ons

cien gramos

91

2 ons

doscientos gramos

92

1,5 kilo

kilo y medio

93

1 meter

un metro

94

1,5 meter

metro y medio

95

wegen

pesar

96

veel wegen

pesar mucho

97

niet veel wegen

pesar poco

98

zwaar

pesado

99

licht

ligero

100

daar

ahí

101

iets

algo

102

nog iets

algo más

103

het kaartje

el billete

104

de caissière

la cajera

105

het vlees

la carne

106

het karakter

el carácter

107

antwoorden

contestar

108

de winkelbediende

el dependiente

109

het biscuitje

la galleta

110

het ei

el huevo

111

gaan naar

ir a

112

naar huis gaan

ir a casa

113

boodschappen gaan doen

ir de compras

114

het potlood

el lápiz

115

de sla

la lechuga

116

grenzen aan

limitar con

117

de citroen

el limón

118

het boodschappenlijstje

la lista de compras

119

een bedrag aanslaan

marcar

120

mossel

el mejillón

121

de kam

el peine

122

wegen

pesar

123

de windstreek

el rumbo

124

het noorden
het noordwesten

el norte
el noroeste

125

het noordoosten

el noreste

126

het zuiden
het zuidwesten

el sur
el sudoeste

127

het zuidoosten

el sudeste

128

het spek

el tocino

129

de plaatjes

los dibujos

130

vermoeien

cansar

131

dan

entonces

132

tamelijk, genoeg

bastante

133

het lijkt op

es parecido a

134

dat wil zeggen

lo que quiere decir

135

de volgende week

la semana que viene

136

blijven

quedarse

137

wat snel al!

qué poco falta ya!

138

het landschap

el paisaje

139

de omgeving

los alrededores

140

het is niet zo warm

no hace tanto calor

141

misschien

tal vez

142

bovendien

además

143

behalve

además de

144

lunchen

almorzar

145

gisteravond

anoche

146

zo, aldus

así

147

eergisteren

anteayer

148

vieren

celebrar

149

welke

cuál(es)

150

kletsen, praten

charlar

151

wandelen

dar un paseo

152

een gewone dag

un día corriente

153

de siesta houden

dormir la siesta

154

doen, maken

hacer

155

vandaag over een week

de hoy en ocho días

156

vandaag over veertien dagen

de hoy en quince días

157

opstaan

levantarse

158

aankomen te

llegar a

159

12 uur smiddags

mediodía

160

12 uur snachts

medianoche

161

wij zullen gaan

nos iremos

162

nog eens, weer

otra vez

163

het landschap

el paisaje

164

gelijkend op

parecido a

165

overmorgen

pasado mañana

166

voorbijgaan

pasar

167

's morgens

por la mañana

168

's middags

por la tarde

169

's avonds

por la noche

170

veertien dagen

quince días

171

terugkeren

regresar

172

vorige week

la semana pesada

173

de week daaraan voorafgaand

la semana anterior

174

eenvoudig

sencillo

175

het borrelhapje

la tapa

176

gebruikelijk

usual

177

televisiekijken

ver la televisión

178

terugkeren

volver

179

hay kan betekenen?

er is - er zijn
er ligt - er liggen
er staat - er staan
er hangt - er hangen
er zit - er zitten

180

hay schema

hay + un/una + zelfstandig naamw ev+mv
hay + telwoord + zelfstandig naamw mv
hay + telwoord

181

Er staat een auto
Er staan auto's
Er staan drie auto's
Er staan er drie

Hay un coche
Hay coches
Hay tres coches
Hay tres

182

's ochtends
het is tien uur 's ochtends

por la mañana
son las diez DE la mañana

183

Het is even over twaalf.
Het is precies acht uur

Son las doce y pico
Son las ocho en punto

184

morgenochtend

mañana por la mañana

185

morgenochtend om tien uur

mañana por la mañana a las diez

186

morgenmiddag / -avond

mañana por la tarde

187

morgenmiddag om drie uur

mañana por la tarde a las tres

188

morgen om vijf uur 's middags

mañana a las cinco de la tarde

189

morgenavond

mañana por la noche

190

morgenavond om elf uur

mañana por la noche a las once

191

gistermorgen

ayer por la mañana

192

gistermiddag/-avond

ayer por la tarde

193

gisteravond/-nacht

anoche

194

eergisteren

anteayer

195

overmorgen

pasado mañana

196

vandaag over een week

de hoy en ocho días

197

vandaag over veertien dagen

de hoy en quince días

198

Hetgeen; (datgene) wat

Lo que

199

Een ogenblik; tijdje

Un rato

200

verschil gebruik "welk(e)

qué + zelfst nw vraagt naar de soort
cuál + de + zelfst nw vraagt naar keuze binnen soort
dus: qué libro le gusta? maar cuál de estas sillas le gusta? en ook cuál es su nombre?

201

Wat zijn uw koffers?

Cuáles son sus maletas?

202

1492
Columbus ontdekt Amerika

Colón descrubió América en mil cuatrocientos noventa y dos

203

21ste eeuw
Wij leven in de eenentwintigste eeuw

Vivimos en el siglo veintiuno

204

De achttiende eeuw

El siglo dieciocho

205

weet u of er hier thermoskannen verkocht worden

sabe usted si venden termos aquí

206

de prijs is goed

el precio es correcto

207

verkopen jullie aspirines hier

vendáis aspirinas aquí

208

hoeveel kost een plastic tas

cuánto cuesta una bolsa de plástico

209

hoeveel kost het om het internet te gebruiken

cuánto cuesta usar el internet

210

per dag
per week

al día
a la semana

211

de advertentie
de aankondiging

el anuncio

212

het schrikkeljaar

el año bisiesto

213

het retourkaartje

el billete de ida y vuelta

214

de churros (soort oliebollen)

los churros

215

genoemd

dicho

216

het seizoen

la estación del año

217

de bagage

el equipaje

218

het tijdschema

el horario

219

vochtig, nat

húmedo

220

aanwijzen

indicar

221

de luxe

el lujo

222

de kruier

el mozo

223

en niet, toch

ni

224

niets
nooit

no .... nada
no ..... nunca

225

plaatsen, zetten

poner

226

hierheen

por aquí

227

de haven

el puerto

228

de vertraging

el retraso

229

vertraging hebben

llevar retraso

230

omhooggaan, instappen

subir (a)

231

gebruikmaken van

utilizar

232

het spoor

la vía

233

het bestand

el archivo

234

bijvoeglijk: mij enz.

mi
tu
su
nuestro/a
vuestro/a
su

235

zelfstandig mij enz.

mío/a
tuyo/a
suyo/a
nuestro/a
vuestro/a
suyo/a

236

Is deze bagage van u?

¿Es suyo este equipaje?

237

vertrektijd
aankomsttijd

hora de salida
hora de llegada

238

bestemming

destino

239

datum

fecha

240

Waarmee kan ik u van dienst zijn?

¿En qué puedo servirle?

241

Als u zo vriendelijk wilt zijn

Si usted quiere hacerme el favor

242

Dat laat ik aan u over

La voluntad

243

Wij werken elke dag, behalve 's zondags

Trabajamos todos los días, menos los domingos

244

maandag
's maandags

el lunes
los lunes

245

Een jaar heeft 12 maanden namelijk

En un año hay doce meses, a saber

246

Er zijn ook 52 weken, ofwel 365 dagen in een jaar

También hay cincuenta y dos semanas, o sea trescientos sesenta y cinco días en un año

247

Elke 4 jaar spreken we van een año bisiesto, wat in het Nederlands wil zeggen schrikkeljaar.

Cada cuatro años hablamos de un año bisiesto, lo que quiere decir en holandés: schrikkeljaar

248

Zo'n (genoemd) jaar heeft 366 dagen

Dicho año tiene trescientos sesenta y seis días.

249

we werken alle dagen behalve de zondag

trabajamos todos los días menos el domingo

250

als u op zaterdag werkt, werkt u niet de maandag in de week daaropvolgend

Si usted trabaja el sábado, no trabaja el lunes de la semana próxima

251

ofwel

o sea

252

namelijk

a saber

253

luxetreinen

trenes de lujo (zoals Talgo, de TER, de AVE)

254

exprestreinen
sneltreinen
boemeltreinen

expresos
rápidos
correos

255

slaapwagens
restaurantiewagens

coches cama
coches restaurante

256

de snelheid

la velocidad

257

benutten

aprovechar

258

plaatsbewijs

el boleto

259

op het laatst

al cabo

260

tot stand brengen

llevar a cabo

261

gebruik bij niets en nooit worden twee woorden gebruikt

No como nada. Ik eet niets
No tomo nunca café. Ik neemnooit koffie

262

Hij gaat nooit uit

No sale nunca

263

Hij koopt niets

No compra nada

264

ik doe, maak
ik plaats, zet
ik ga weg

hago
pongo
salgo

265

Tot ziens, tot volgende week

Adiós, hasta la semana que viene!

266

Veel plezier

Que lo pases bien!

267

Neemt u mij niet kwalijk, juffrouw, waar is uitgang (gate) nummer vier (aub)

Perdóneme señorita, ¿dónde está la puerta número cuatro, por favor?

268

Is dat boek van jou

es tuyo el libro

269

is dat boek van hem

es suyo el libro

270

is die fiets van hen

es suya la bicicleta

271

is die auto van haar

es suyo el coche

272

ik houd van appels

me gustan LAS manzanas

273

ik vind het fijn om 's avonds televisie te kijken

me gusta ver televisión por la noche

274

staan
te voet gaan

“estar de pie” (staan)
“ir a pie” (te voet gaan).

275

Ik ga naar bed kan zowel worden vertaald met

“me acuesto” als met “voy a la cama”.

276

op tijd komen

Llegar a tiempo

277

De zaterdagen werken we om de beurt
om de beurt

Los sábados trabajamos por turno
por turno

278

de wens

La voluntad

279

Hoeveel uren werk je per dag?

Cuántas horas trabajas al día?

280

bakker

panadería

281

jullie zijn engelsen

Vosotros sois ingleses (dus niet soís of sóis!!!!)